Skip to ContentSkip to Navigation

Centre of expertise In the LEAD

Faculty of Economics and Business
Blog
Header image In the LEAD

Niet dagdromen over de wereld, maar werken aan eigen weerbaarheid

Datum:11 mei 2020

Koud twee maanden nadat ons land een ‘intelligente lockdown’ inging, struikel je over de voorspellingen over hoe niets ooit meer hetzelfde zal zijn. Zoals vaker bij vermeende grote veranderingen zien sommigen vooral de dreiging, terwijl anderen juist de mogelijkheid zien om een (in hun ogen) betere wereld te realiseren.

Door: Janka Stoker en Harry Garretsen

Ongetwijfeld zal de coronacrisis diepe sporen nalaten. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de wereld van vóór 2020 vanzelfsprekend passé is. Want wie naar eerdere grote en ongekende schokken kijkt, bijvoorbeeld naar de Tweede Wereldoorlog of de financiële crisis van 2008, ziet dat uiteindelijk heel veel zaken niet wezenlijk veranderden.

De neiging te denken dat de toekomst radicaal anders zal zijn, is van alle tijden. Elke generatie denkt dat zij uniek is, en dat de wereld van morgen in niets zal lijken op die van gisteren. Als dit zogenoemde chronocentrisme ook nog eens samenvalt met een heuse crisis, zoals nu, is er met de grootse vergezichten helemaal geen houden meer aan.

Veerkracht

Als relativering bij de stortvloed aan die ‘alles wordt anders’ verhalen is het goed te bedenken dat we altijd de neiging hebben systeemveranderingen te overschatten. Hoe aannemelijk is het dan te veronderstellen dat er na de huidige crisis wél iets wezenlijks verandert?

Het is geen al te gewaagde voorspelling dat er anders naar risico’s zal worden gekeken. Ook komt de lean and mean managementopvatting, die dominant is in private en publieke organisaties, onder druk te staan. Het aanhouden van voorraden en reservecapaciteit zal weer hoger gewaardeerd worden, net als flexibiliteit en zelfsturend vermogen van organisaties en hun medewerkers.

Bovendien ligt het voor de hand dat zowel op macro- als microniveau meer belang zal worden toegekend aan de veerkracht of resilience van de economie en organisaties. Dit zijn natuurlijk potentieel belangrijke veranderingen, maar anders omgaan met risico’s staat nog mijlenver van de fundamenteel nieuwe wereld waarover her en der wordt gedagdroomd.

Twee belangrijke obstakels staan deze nieuwe wereld ook nu weer in de weg. In de eerste plaats leiden crises vaak juist níet tot ander gedrag of tot andere behoeftes, zoals aan ‘goed’ leiderschap. In tijden van crisis wordt vaak gesuggereerd dat ander leiderschap nodig is, denk aan het pleidooi voor meer feminien leiderschap. Dit leiderschap kenmerkt zich door empathie, luistervaardigheden en oog voor het langetermijnbelang.

Datzelfde geluid was te horen na de financiële crisis in 2008, toen leiders als Neelie Kroes en Christine Lagarde zich afvroegen: ‘Would we have been in this mess if it had been Lehman Sisters?’ Ook toen was de ‘tijd aangebroken voor ander leiderschap’ en had de crisis het failliet aangetoond van het masculiene, te weten daadkrachtig en risicogericht, leiderschap.

Maar deze wensdromen staan haaks op hoe mensen over goed leiderschap denken, ook in tijden van crisis. Eigen onderzoek laat namelijk zien dat na de financiële crisis het stereotype van een goede leider, zijnde een masculiene leider, dominant bleef, en dat de waardering voor feminiene kwaliteiten in organisaties juist afnam.

We onderzoeken zelf op dit moment of we een vergelijkbaar effect vinden van de coronacrisis, maar eerdere crises hebben dus bepaald niet de weg geëffend naar structurele veranderingen in het beeld van een ‘goede’ leider. Dergelijke stereotypes zijn hardnekkig, en crises maken ons eerder rigide dan veranderingsgericht.

Onderschatting

Een tweede obstakel voor verandering is dat mensen anders over verandering denken als het henzelf in plaats van de buitenwereld betreft. Daar waar we de neiging hebben de omvang van structuurveranderingen te overschatten, is het omgekeerde het geval bij het inschatten van veranderingen op ons eigen individuele niveau.

Onderzoek laat zien dat, ongeacht leeftijd en moment van ondervraging, mensen een sterke neiging hebben te geloven dat voor hen belangrijke veranderingen in het verleden liggen, en dat hun toekomstige positie sterk zal lijken op hun huidige situatie.

Hiermee onderschatten mensen het belang van persoonlijke veranderingen, die wel degelijk op ze afkomen. In het onderzoek wordt dit treffend aangeduid als ‘the end of history illusion’; de illusie dat vanaf het hier en nu de eigen wereld niet meer zal veranderen. In coronatermen: als het met mij persoonlijk nu (of direct na versoepeling van de lockdown) goed gaat, dan zal dit zo blijven.

Overschatting van de systeemveranderingen versus onderschatting van de persoonlijke gevolgen van de coronacrisis betekent dat vooral die onderschatting urgent is en aandacht behoeft van beleidsmakers. Filosoferen over de coronacrisis als opmaat naar een nieuwe, verduurzaamde economie, waarin digitaal werken de overhand krijgt in organisaties met totaal nieuwe vormen van leiderschap, is aangenaam tijdverdrijf, maar overwegend chronocentrisch navelstaren.

In plaats daarvan is het zinniger om aandacht te besteden aan meer concrete vragen. In welke mate gaat mijn eigen situatie morgen of overmorgen wél veranderen? Hoe behouden we werk en inkomen in de anderhalvemeter-economie?

Juist daarop moet dan ook de beleidsinspanning zijn gericht, om individuen weerbaar te maken tegen de veranderingen in hun eigen bestaan. Ideeën voor grootse systeemveranderingen hebben daarna pas kans van slagen.

Deze column van Janka Stoker en Harry Garretsen is gepubliceerd op fd.nl op 10 mei 2020.