Skip to ContentSkip to Navigation
Expertisecentrum In the LEADOnderdeel van Rijksuniversiteit Groningen

Expertisecentrum In the LEAD

Faculteit Economie en Bedrijfskunde
Expertisecentrum In the LEADBlog
Header image In the LEAD

Brexit 1 jaar later: 2 plaatjes met 1 hamvraag

Datum:15 mei 2017
Auteur:Harry Garretsen en Janka Stoker

Vorig jaar juni stemde zoals bekend de Britse bevolking in meerderheid voor een vertrek van het VK uit de EU. De uitkomst van het Brexit referendum kwam als een schok voor de talloze experts, die wezen op de te verwachten negatieve economische consequenties voor het VK van een eventuele Brexit. Op 29 maart j.l. stuurde de Britse premier May een brief naar Brussel waarmee de Artikel 50 procedure, die tot het vertrek van het VK moet leiden, officieel in gang werd gezet. Alles wijst erop dat May via de door haar uitgeschreven parlementsverkiezingen in juni haar positie zal versterken. De grote vraag is dan of het VK en de EU landen voor uiterlijk maart 2019, zoals de Artikel 50 procedure voorschrijft, tot een overeenkomst kunnen komen die de nieuwe positie van het VK ten opzichte van de EU vastlegt. De voortekenen lijken niet gunstig. De Britse regering heeft als motto “better no deal than a bad deal” en vanuit Brussel hebben de Europese regeringsleiders laten weten dat het VK eerst maar eens aan de (zeer forse) nog openstaande verplichtingen als EU-lid moet voldoen voordat er over een deal kan worden gesproken.

Economisch gezien staat er voor de EU maar vooral voor het VK veel op het spel. Nieuw onderzoek laat zien dat de negatieve handelseffecten van een Brexit fors zijn voor het VK. Een Brexit betekent niet alleen handel tussen het VK en de EU zal afnemen maar ook dat alle handelsakkoorden die de EU met andere landen heeft afgesloten niet langer voor het VK gelden. Een harde Brexit zou dan een daling van de Britse export met bijna 20% betekenen. Ook sommige EU landen, zoals bijv. Ierland, die veel handel drijven met het VK zien door een harde Brexit hun exporten dalen. Dit is precies waar economen in de aanloop naar het Brexit referendum voor waarschuwden. Het antwoord van de Britse regering is dat een strategie van “Global Britain” waarbij het VK zelf handelsakkoorden sluit met de VS, China en bijkans elke belangrijke economie buiten het EU blok in belangrijke mate de negatieve effecten van Brexit zou kunnen compenseren. Het is een scenario waarbij het VK de EU eigenlijk niet nodig zou hebben. Dit blijkt echter een illusie. Zoals figuur 1 laat zien zullen zelfs in het extreme geval dat het VK met alle landen ter wereld, behalve de EU landen, een handelsakkoord weet te sluiten, de Britse exporten nog steeds met zo’n 6% dalen.

Dit alles leidt tot de paradoxale conclusie dat vanuit economisch oogpunt de Britse regering met de EU eigenlijk een deal zou moeten afsluiten die zoveel mogelijk lijkt op de huidige condities als EU lid. Twee jaar onderhandelen met als best mogelijke uitkomst een overeenkomst die lijkt op wat het VK nu heeft maar besloten heeft op te geven, namelijk het EU lidmaatschap: het lijkt allemaal weinig logisch. Deze constatering roept de vraag op waarom de Britse kiezers in meerderheid dan voor Leave hebben gekozen. Zoals wij hier al eerder schreven heeft dit alles te maken met het feit dat het Remain kamp de koele economische cijfers niet wist te verbinden met een overtuigend verhaal over het EU-lidmaatschap. Dat economische argumenten niet of zelfs geheel niet overtuigend waren, wordt fraai geïllustreerd door Figuur 2 waarin voor de Britse regio’s het percentage Leave stemmers is afgezet tegen het belang dat elke regio heeft in handel met de EU. Het blijkt dat juist in regio’s die voor hun inkomen relatief sterk afhankelijk zijn van export naar de EU de Leave stem sterker was! Dit valt uit puur economisch eigenbelang lastig te verklaren en het geeft aan dat de beweegredenen voor Brexit op z’n minst deels elders moeten worden gezocht.

Onderzoek hiernaar laat inderdaad zien dat naast economische motieven andere redenen minstens even belangrijk zijn ter verklaring van de Brexit stem. Het gaat daarbij om zaken als leeftijd, locatie (stad vs platteland), opleiding, maar bijvoorbeeld ook opvattingen ten aanzien van immigratie en politieke voorkeuren. Toch blijft ook bij een dergelijk breed scala aan verklarende factoren nog steeds een belangrijk deel van de variatie in de Brexit stem onverklaard. De hamvraag waarom de Britse kiezers in meerderheid op 23 juni voor Brexit en daarmee ogenschijnlijk tegen hun eigen belang hebben gestemd, is daarmee nog steeds niet afdoende beantwoord. Een mogelijk antwoord op deze vraag zou wellicht kunnen komen van onderzoek dat beter probeert te begrijpen wat er in de Britse burgers zelf omgaat door in te zoomen op de (variatie in) persoonlijkheidskenmerken van de Britten. Opvattingen over het EU lidmaatschap van het VK zijn namelijk ten dele objectiveerbaar en van gegeven sociaal-economische factoren afhankelijk, maar worden ook gekleurd door persoonlijkheidskenmerken die factoren als inkomen, werkgelegenheid, locatie, leeftijd etc overstijgen. Op deze plek zullen we binnenkort de onderzoeksresultaten naar de ‘psyche’ achter de Brexit stem laten zien. Wordt dus vervolgd!