Skip to ContentSkip to Navigation
Expertisecentrum HRM&OBOnderdeel van Rijksuniversiteit Groningen

Expertisecentrum HRM&OB

Faculteit Economie en Bedrijfskunde
Expertisecentrum Human Resource Management & Organisational Behaviour
Header image Expertisecentrum

De flexibilisering van de arbeid en de arbeidsinkomensquote

Datum:15 mei 2014
Auteur:Peter van der Meer
De flexibilisering van de arbeid en de arbeidsinkomensquote
De flexibilisering van de arbeid en de arbeidsinkomensquote

Weet u nog wat de arbeidsinkomensquote is? Drie decennia geleden was deze quote leidend bij de loononderhandelingen tussen de vakbeweging en werkgevers, maar is nu totaal uit het oog verloren. Deze quote geeft weer welk deel van de in Nederland geproduceerde toegevoegde waarde toekomt aan de productiefactor arbeid en hoeveel resteert voor de productiefactor kapitaal, grofweg de winst voor de werkgevers. Daalde de quote dan schroefde de vakbeweging de looneisen op en als de quote steeg waren de werkgevers nauwelijks geneigd aan de looneisen toe te geven. Als een gevolg van de decentralisatie van deze onderhandelingen speelt deze quote geen prominente rol meer in de loononderhandelingen.

Begin jaren tachtig was de tijd waarin de arbeidsinkomensquote hard opliep tot boven de negentig procent, volgens de toen geldende berekeningsmethode. Deze hoge arbeidsinkomensquote en de deplorabele staat van de Nederlandse economie waren aanleiding voor het akkoord van Wassenaar. In dat akkoord beloofde de vakbeweging de looneisen te matigen in ruil voor werkzekerheid. Werkgevers beloofden in ruil voor loonmatiging banen in stand te houden. Bij elke CAO-onderhandeling kwam de hoge arbeidsinkomensquote weer ter sprake en werd de vakbeweging gemaand de lonen te matigen. Werkgevers, en daarmee Nederland, konden alleen overleven als de lonen werden gematigd.

Het akkoord was succesvol, tenminste in de zin dat in de jaren na het akkoord de arbeidsinkomensquote langzaam daalde. Vanaf begin jaren tachtig is de arbeidsinkomensquote, eerst hard, later wat langzamer, gedaald om te stabiliseren op iets beneden de 80 procent. Zelfs in de afgelopen jaren waarin werkgevers toch ook het tij tegen hadden is de arbeidsinkomensquote niet gestegen. En dat is uitzonderlijk. Normaal gesproken loopt in tijden van crisis de arbeidsinkomensquote op, want de winsten staan in slechte tijden onder druk en lonen moeten gewoon worden uitbetaald.
Hoe hebben de werkgevers dit voor elkaar gekregen? Het korte antwoord is doordat werkgevers er in geslaagd zijn een groot deel van het ondernemersrisico af te schuiven op de werknemers. Het langere antwoord leest u in het onderstaande stuk.

Het eerste deel van het antwoord is de in Nederland lang volgehouden loonmatiging. Sinds de jaren tachtig is loonmatiging standaardbeleid geworden. Het argument in tijden van crisis was dat de loonkosten niet verder mochten oplopen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren. Het argument in economisch goede tijden was dat de loonkosten niet mochten oplopen om een volgende crisis te vermijden.
Maar dat was het niet alleen. Sinds de jaren tachtig zijn er nog andere ontwikkelingen geweest die de werkgevers in de kaart hebben gespeeld. Eind jaren negentig lag daar de flexwet, op advies van de SER, dus op basis van overeenstemming tussen werkgevers, werknemers en deskundigen. Die wet maakte het mogelijk op grotere schaal de inzet van arbeid te flexibiliseren. Als er extra vraag naar arbeid was, werd die ingehuurd via een uitzendbureau of op basis van tijdelijke contracten. De wet beoogde aan de ene kant de inzet van flexibele arbeid mogelijk te maken en aan de andere kant de werknemers enige zekerheid te geven door de tijdelijke contracten te maximeren. Werkgevers hadden al snel door hoe ze flexibele arbeid het best konden benutten. Daardoor is bij sommige bedrijven, denk eens aan supermarkten of universiteiten, de flexibele schil rondom een vaste kern van werknemers, wel heel groot geworden.
Een, wellicht onbedoeld, gevolg van deze flexwet was dat een deel van het ondernemersrisico bij de werknemers kwam te liggen. Bij economische tegenwind waren het niet de ondernemers die pijn leden, nee het waren de flexibele werknemers die de tegenwind voelden. Contracten werden niet verlengd en uitzendkrachten werden naar huis gestuurd.
Het was ook de tijd waarin werknemers ineens verantwoordelijk werden voor hun eigen employabiliteit. De baangarantie voor het leven verviel en om employabel te worden moesten werknemers ineens gaan investeren in hun eigen employabiliteit. Niet langer was de werkgever verantwoordelijk voor het wel en wee van de werknemer, zoals in een verder verleden de paternalistische werkgevers dat voelden, maar was de werknemer zelf verantwoordelijk voor haar eigen wel en wee. De zorgplicht werd deels afgeschoven op de werknemer.
Maar dit is nog niet alles. Ook de arbeidsvoorwaarden zijn een stuk flexibeler geworden en ook daardoor is een deel van het ondernemersrisico bij de werknemers komen te liggen. Sinds de jaren tachtig zijn in meer en meer bedrijven verschillende vormen van prestatiebeloning ingevoerd. Bij deze systemen hangt de beloning van de werknemer af van zijn prestatie. Maar de prestaties van de werknemers zijn afhankelijk van de stand van de conjunctuur. In hoogtijdagen gaat alles van een leien dakje, terwijl je in laagtijdagen nog zo goed je best kunt doen en toch de beloning misloopt. Bij dergelijke beloningssystemen wordt impliciet een deel van het ondernemersrisico bij de werknemer gelegd.

Deze ontwikkelingen, volgehouden loonmatiging, flexibilisering van de arbeidsrelatie, employability van werknemers, flexibilisering van de arbeidsvoorwaarden hebben ertoe geleid dat de arbeidsinkomensquote gestaag is gedaald. Werkgevers zijn er steeds beter in geslaagd zich een groter deel van het inkomen toe te eigenen. Risico’s werden beetje bij beetje, stap voor stap, afgeschoven op de werknemers. Het lijkt wel alsof werkgevers nauwelijks nog hoeven te ondernemen om goed beloond te worden.

En werkgevers geven nog meer geluiden af. Het ontslagrecht moet worden versoepeld. De voorzitter van de FME opperde onlangs in een radiouitzending helemaal van de CAO af te willen. Ook de voorzitter van het MKB laat zich niet ongemoeid. Hij wil af van de toeslagen op het werk in de avond en het weekend. Werkgevers willen concurreren op basis van arbeidsvoorwaarden in plaats van op basis van ondernemerschap. Dat is op lange termijn niet gezond.
Het wordt tijd dat de vakbonden de arbeidsinkomensquote weer gaan ontdekken en weer als leidraad gaan gebruiken voor loononderhandelingen. Waar is de tijd dat de loonruimte gelijk stond aan de inflatie plus de ontwikkelingen in arbeidsproductiviteit? Dat is lang geleden. Vanaf de jaren tachtig hebben werknemers ingeleverd. Het wordt tijd dat om te draaien.

Peter H. van der Meer
Universitair Docent aan de faculteit economie en bedrijfskunde, Rijksuniversiteit Groningen
Email: p.h.van.der.meer@rug.nl
Verschijnt ook in Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken
2014 (30) 1

Reacties

Reacties laden...