Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFaculteit WijsbegeerteOnderwijsSamenvattingen van scripties

Woensel, B.H.M. van

Vakgroep Geschiedenis van de Filosofie

Goethes metamorfoseleer

Een systematisch gemotiveerd pleidooi voor een methodologie van het intuïtieve verstand volgens Kant

In mijn scriptie onderzoek ik de positie van Eckart Förster met betrekking tot Goethes morfologische onderzoeksmethode. Förster interpreteert die methode als een uitbreiding van Kant met betrekking tot het menselijk kenvermogen.

In zijn kentheorie maakt Kant een onderscheid tussen een discursief verstand en een intuïtief verstand. Mensen hebben een discursief verstand. Dit verstand denkt van het analytisch– algemene (van begrippen) naar het specifieke (van een gegeven waarneming), i.e. het bepaalt het geheel in termen van zijn delen. Een intuïtief verstand is een hoger verstand dat denkt vanuit het synthetisch- algemene (d.w.z. de aanschouwing van een geheel als zodanig), naar het specifieke, d.w.z. het denkt van het geheel naar de delen. Kant stelt dat wij mensen geen objectief gebruik kunnen maken van een dergelijk intuïtief verstand. Maar in het geval van kennis van organismen maakt ons discursieve verstand de veronderstelling van een intuïtief verstand wel noodzakelijk.

Aan de hand van een reconstructie van Goethes botanisch onderzoek concludeert Förster dat Goethes denken daar getuigt van een intuïtief verstand dat binnen de scope van het objectieve blijft. Het is een intuïtieve vorm van denken omdat het leidt van het afzonderlijke (een specifieke plant) naar het algemene (metamorfose) en van het algemene (metamorfose) naar het afzonderlijke (een specifieke plant).

Samengevat houdt Goethes botanische methode concreet in dat (1) een complete reeks geproduceerd wordt van de successieve verschijnselen die samen de levenscyclus van een eenjarige plant vertegenwoordigen. Dat (2) die reeks vervolgens wordt opgevat als een geheel en de transities tussen de delen, i.e. hun afzonderlijke ontwikkeling, worden gereproduceerd en gereflecteerd zodat (3) als resultaat een ‘hogere vorm van ervaring’ ontstaat, i.e., dat alle waargenomen metamorfosen en verschijnselen afkomstig zijn van een en hetzelfde ideële (blad)orgaan, dat onder diverse empirische condities zich voordoet op verschillende manieren.

De methode is bij stap (2) problematisch omdat het denken, in analogie met de manier waarop een plant zich ontwikkelt, in alle delen tegelijk actief moet zijn. Bij stap (3) neigt de methode naar esoterie omdat het idee van het blad zich laat realiseren in de plantenmaterie.

Laatst gewijzigd:21 augustus 2017 16:56