Skip to ContentSkip to Navigation
Alumni Support research and education Groningen University Fund Gratama Stichting Subsidierondes

Subsidieronde 2020

Gratama Stichting uitslag ronde 2020

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Mr. Dr. Carien E. de Jager, Universitair docent privaatrecht

Misleiding of verleiding: Biedt de huidige wet- en regelgeving consumenten voldoende bescherming tegen misleidende voedselverpakkingen? € 20.820

lnleiding: aanleiding voor het onderzoek
Krabsalade zonder krab, vruchtenthee zonder vruchten maar met een smaakje en vitaminewater waar naast water en vitamine vooral suiker in zit. Zomaar een greep uit de voedselverpakkingen op basis waarvan consumenten een beeld van een levensmiddel krijgen dat niet klopt met de samenstelling ervan. Fabrikanten en supermarkten proberen consumenten met hun verpakkingen te verleiden tot het kopen van hun producten. Uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt echter dat misleidende informatie op voedselverpakkingen voor consumenten een probleem is. De vraag die dit oproept is: waar ligt de grens tussen verleiding en misleiding?
Europese en nationale regels verbieden misleidende voedselverpakkingen, maar in de praktijk blijkt: niet met succes. Voor consumenten leidt dit tot ongeïnformeerde voedselkeuzes en beïnvloedt het hun gezondheid. Voor fabrikanten staat misleiding in de weg aan eerlijke concurrentie. Bovendien leidt het voor de maatschappij onder meer tot hoge kosten voor de gezondheidszorg. In het licht van deze onwenselijke gevolgen baart de huidige situatie waarin consumenten misleid warden over hun voedselkeuzes zorgen en is onderzoek naar deze situatie en mogelijke oplossingen van groot belang.

Vernieuwend karakter
Hoewel voedselverpakkingen niet misleidend mogen zijn voor consumenten is dit aan de orde van de dag. Rechters die dienen te oordelen of een verpakking misleidend is, ontbreekt het momenteel aan inzicht in de vraag wat voor 'echte consumenten' misleidend is. Om ervoor te zorgen dat consumenten niet Ianger worden misleid is het van belang dat rechters goed onderscheid kunnen maken tussen een verpakking die wel en een verpakking die niet misleidend is. Het is daarom hoog tijd voor empirisch onderzoek op dit terrein. Het onderzoek is daarmee zowel wat betreft onderwerp (misleidende voedselverpakkingen) als naar zijn methode (rechtspraakonderzoek in combinatie met bestudering van psychologische literatuur en empirisch onderzoek) vernieuwend omdat interdisciplinair onderzoek op het snijvlak van recht en psychologie op dit terrein ontbreekt. De hoofdvraag van dit onderzoek is daarom:
Biedt de huidige wet- en regelgeving en rechtspraak consumenten voldoende bescherming tegen misleidende voedselverpakkingen en in hoeverre is hier in het licht van de gedragswetenschappelijke literatuur en gedragswetenschappelijk onderzoek verbetering mogelijk?

Opzet van het onderzoek
In het onderzoek waarvoor ik deze·aanvraag indien, zal worden nagegaan of de geldende wetgeving, regelgeving en rechtspraak consumenten voldoende bescherming biedt tegen misleidende voedselverpakkingen. Dit vergt een juridisch onderzoek naar de wijze waa1rop rechters oordelen over misleidende voedselverpakkingen en een empirisch onderzoek naar de vraag of de oordelen van de rechter overeenkomen met wat voor consumenten echt misleidend is. Nadat ik dit in kaart heb gebracht wil ik een begin ma ken met het ontwikkelen van adequate oplossingen voor de genoemde huidige problematiek. Daarom zal dit onderzoek onder meer leiden tot aanbevelingen voor de wetgever voor eventueel aanvullende wetgeving en een richtlijn op basis waarvan kan warden beoordeeld of een voedselverpakking misleidend is.

Faculty of Science and Engineering

Dr. George Azzopardi, Tenure Track Assistant Professor

Forensisch bewijsmateriaal beveiligen met blockchain-technologie € 19.837

Een belangrijk punt van zorg voor rechtbanken is of gepresenteerd bewijsmateriaal gegarandeerd “echt” is en niet is gemanipuleerd. Rechtbanken vertrouwen op dit moment vooral op de wetshandhavingsinstanties wanneer digitaal bewijsmateriaal gepresenteerd wordt. Maar, wat als functionarissen binnen deze Instanties gegevens aanpassen om het bewijsmateriaal te manipuleren? Hoe zouden de technische rechtbankdeskundigen dit soort manipulaties kunnen detecteren? Dit is een cruciaal probleem bij het toevertrouwen van bewijs voor Criminele activiteiten. Een ander voorbeeld is de beveiliging bij het beheer van videobestanden, afkomstig van bewakingscamera’s in steden. Ook hier geldt: hoe zorgen rechtbanken ervoor dat de gepresenteerde gegevens echt zijn?
Er bestaan traditionele technieken om met dit probleem om te gaan. Voorbeelden zijn het toevoegen van een watermerk aan mediabestanden, of digitale certificaten om de integriteit van bestanden te beschermen. Met de toename aan geavanceerde hacktools zijn dergelijke technieken echter niet waterdicht. Er moeten betrouwbaardere systemen worden ontwikkeld, die zonder twijfel kunnen detecteren of er met een bepaald bestand is geknoeid of niet. Daarom is er nu behoefte aan een beveiligingsmechanisme dat geen invloed heeft op de inhoud van bestanden en hier niet van afhankelijk is. Tegelijk moeten beveiligingsmaatregelen maximaal worden gehandhaafd.
Om tegemoet te komen aan de dringende behoefte om de echtheid van visuele gegevens te waarborgen, stel ik voor om een privé Blockchain-grootboek te ontwikkelen. Hiermee kan de integriteit van gepresenteerd bewijsmateriaal gegarandeerd worden. Specifiek bieden de onveranderlijkheids- en distributiekenmerken van Blockchain-grootboeken de mogelijkheid om de integriteit van diverse gegevens te beschermen.
Het systeem dat ik voorstel zal de integriteit garanderen van digitaal bewijsmateriaal dat voor de rechtbank gepresenteerd wordt. Dit is een zeer belangrijke bijdrage aan de rechtsstaat, een van de pijlers van de democratie.

Faculteit der Medische Wetenschappen/UMCG

Afd. Medische Microbiologie en Infectiepreventie

Dhr. Bram ter Ellen, PhD

De zoektocht naar nieuwe biomarkers voor dengue pathogenese € 24.230

Naar schatting worden ongeveer 300 miljoen personen per jaar geïnfecteerd door het dengue virus. Er zijn 4 serotypes van het virus (DENV1-4) en infectie met al deze serotypes kan lijden tot de ziekte dengue. Het virus wordt voornamelijk overgedragen op de mens via de Aedes aegypti mug en in mindere mate via Aedes albopictus. De Aedes mug komt voornamelijk in subtropische gebieden voor zoals Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika maar ook in het Caribisch gebied waaronder op de Nederlandse Antillen. De meeste infecties met dengue virus vinden plaats onder de lokale bevolking in deze gebieden. Echter zijn het aantal infecties in Europa verviervoudigd ten opzichte van 10 jaar geleden en zijn er in het begin van het vorige decennium al uitbraken in Madeira, Frankrijk en Croatia geweest. De introductie van het virus in Europa wordt veroorzaakt door terugkerende geïnfecteerde toeristen in hun thuisland en door de import van goederen uit dengue endemische gebieden. Daarnaast wordt de Aedes aegypti mug steeds vaker gesignaleerd in het zuiden van Europa en heeft de Aedes albopictus zich al gevestigd in een groot deel van Europa en geïntroduceerd in Nederland. Voorspellingen tonen aan dat met de opwarming van de aarde de ideale leefomstandigheden van deze muggen steeds noordelijker opschuiven.
De pathogenese en klinische symptomen van dengue variëren van de milde vorm dengue koorts (dengue fever; DF) tot zeer ernstige dengue hemorragische koorts (dengue hemorrhagic fever; DHF) en dengue shock syndroom (DSS). DF wordt gekarakteriseerd door spierpijn, gewrichtspijn, koorts, hoofdpijn en vaak rode huiduitslag de ‘’dengue rash’’. De zeer ernstige vormen DHF en DSS is een gevolg van verscherpte ontstekingsreactie van het lichaam die leidt tot activatie van de cellen die het binnenste van de bloedvaten bekleden, de zogenoemde endotheel cellen. Dit leidt vervolgens tot een verlies van endotheel integriteit waardoor er plasma uit de bloedvaten lekt. Het lekken van plasma uit de bloedvaten verlaagd de bloeddruk drastisch waardoor de patiënten in shock toestand verkeren. Daarnaast resulteren lekkende bloedvaten in oedeemvorming in vitale organen waardoor deze kunnen uitvallen en patiënten komen te overlijden

Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen

Dr. Nienke Jonker, Postdoctoraal onderzoeker

Verminderen van aandacht voor eten bij obesitas € 10.502

In dit project willen we een training onderzoeken die tot doel heeft de aandacht voor eten van mensen met obesitas te verminderen. We willen uitzoeken hoe deze training het beste aangeboden kan worden en nadat dit goed in kaart is gebracht willen we een pilot studie uitvoeren om de haalbaarheid en acceptatie van de training in kaart te brengen. Deze stappen zijn van groot belang voordat er een grootschalige studie opgezet wordt naar de effectiviteit van de training als interventie voor obesitas. Dit onderzoek sluit aan bij een groter project naar de rol van aandacht voor voedsel in eetgedrag en de rol bij de totstandkoming en instandhouding van overeten en obesitas. Er is gekozen om ondersteuning te vragen van het Gratama fonds omdat het zeer toepassingsgericht onderzoek betreft wat goed binnen de scope van het fonds past.

Probleemstelling
Volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) is obesitas een van de meeste duidelijk zichtbare en tegelijkertijd meest verwaarloosde volksgezondheidsproblemen (World Health Organisation, 2001). De wereldwijde prevalentie van overgewicht ligt momenteel rond de 40% en die van obesitas rond de 13% (World Health Organisation, 2018). In Nederland kampt 31% van de volwassenen met overgewicht en 12% met obesitas (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016). Helaas is slechts 20% van de mensen met overgewicht succesvol in het bereiken van gewichtsverlies op de langere termijn (Wing & Phelan, 2005). Het is daarom van groot belang om meer inzicht te krijgen in de factoren die een rol spelen in de ontwikkeling en instandhouding van overgewicht en obesitas en om passende trainingen te ontwikkelen om hen te helpen met de beperking van hun voedselinname.
Een belangrijk startpunt voor het identificeren van cruciale factoren is onze omgeving. Continue verleidingen maken het moeilijk om de controle over onze voedselinname te behouden, een gezond gewicht te houden en al helemaal om gewicht te verliezen. Toch lijkt niet iedereen moeite te hebben met het behouden van een gezond gewicht. Onderzoek richt zich daarom op de vraag waarom sommige mensen moeite hebben met het weerstaan van de voedselverleidingen in onze omgeving en overgewicht of obesitas ontwikkelen terwijl het anderen lukt om hun gewicht binnen de gezonde range te houden ondanks alle verleidingen.

Theoretische achtergrond
De meest dominante verklaring voor waarom sommige mensen zoveel moeite hebben met het weerstaan van voedsel verleidingen in de omgeving komt van de ‘incentive sensitization theory’ (Berridge, 2009), die oorspronkelijk werd opgesteld in de context van verslavingsgedrag (Robinson & Berridge, 2001). Volgens deze theorie krijgen signalen van eten prioriteit in de verwerking wanneer ze meermaals gekoppeld zijn met een gevoel van beloning (bijv. lekkere smaak). Als een gevolg zullen signalen van eten of eten zelf makkelijker en sneller de aandacht trekken. Dit wordt ook wel een aandachtsbias genoemd.
Gebaseerd hierop zouden we dus een verschil in aandachtsbias voor eten verwachten tussen mensen met een gezond gewicht en mensen met obesitas. Het verminderen van de aandacht voor eten zou dan het beperken van de voedselinname makkelijker kunnen maken.
Toch laten empirische studies dit verschil tussen mensen met obesitas en mensen met een gezond gewicht niet consequent zien. Daarnaast lijken trainingen waarbij men deze aandachtsbias weg traint niet succesvol in het verminderen van voedselinname (Boutelle, Kuckertz, Carlson, & Amir, 2014; Jonker et al., 2019; Kemps, Tiggemann, & Hollitt, 2014, 2016). Wat we theoretisch zouden verwachten wordt dus in empirisch onderzoek niet systematisch gevonden. Het lijkt erop dat we mogelijk een belangrijke factor over het hoofd hebben gezien.
Een factor die dit mogelijk verklaart is de voedingstoestand waarin mensen verkeren. De belonende waarde van eten lijkt namelijk hoger voor mensen met een gezond gewicht wanneer ze honger hebben dan wanneer ze verzadigd zijn (Higgs et al., 2017). Als mensen echt vol zitten lijkt de belonende waarde zelfs tot nul te zijn gedaald (Berridge, Ho, Richard, & Difeliceantonio, 2010; Small, Zatorre, Dagher, Evans, & Jones-Gotman, 2001). Dit blijkt ook uit een van onze recente studies, waarin we vonden dat vrouwen met een gezond gewicht een verhoogde aandacht hebben voor eten wanneer ze honger hebben, maar niet wanneer ze net gegeten hebben (Jonker, Bennik, de Lang & de Jong, under review). Bij mensen met obesitas lijkt dit anders te zijn, zij zouden niet alleen versterkte aandacht voor eten hebben als ze hongerig zijn maar tevens als ze verzadigd zijn (Castellanos et al., 2009; Nijs, Muris, Euser, & Franken, 2010).
Het is daarom van groot belang om voedingstoestand mee te nemen in onderzoek naar aandachtsbias bij overeten, en wanneer we een training aanbieden om deze aandachtsbias te verminderen. Het is cruciaal om specifiek te trainen wanneer men net gegeten heeft. Dit biedt de mogelijkheid om de causale rol van aandacht voor eten bij verzadigde voedingstoestand te testen, en om mensen met obesitas te helpen bij het beperken van hun voedselinname.

Doel
In dit project willen we graag een goed onderbouwde, haalbare en acceptabele training ontwikkelen voor het verminderen van aandacht voor eten bij mensen met obesitas. Hierbij zullen we een eerder ontwikkelde training als startpunt gebruiken (Jonker et al., 2019). Deze training bleek eerder succesvol in het verminderen van aandacht voor eten, maar niet in het beïnvloeden van de voedselinname. Door nu voedingstoestand mee te nemen in de training en aanpassingen te maken aan de trainingsperiode en intensiteit denken we deze training te kunnen optimaliseren. Binnen het huidige project zullen we voor deze optimalisatie gebruik maken van het ‘stage’ model voor het ontwikkelen van gedragsinterventies (Rounsaville, Carroll, & Onken, 2001). Met behulp van het Gratamafonds zouden we fase (stage) 1 willen doorlopen om de interventie en alles wat daarbij komt kijken te ontwikkelen en te optimaliseren alvorens de interventie in een randomized controlled trial te toetsen. In fase 1 zullen we een training ontwikkelen, een handleiding opstellen en een pilot uitvoeren om de haalbaarheid en acceptatie van de training te onderzoeken. Bij het ontwikkelen van de training vragen we input van de doelgroep (mensen met obesitas) en mensen die betrokken zijn bij de behandeling van de doelgroep, zoals diëtisten en psychologen. We zullen interviews afnemen en focusgroepen organiseren om te komen tot een training die breed gedragen wordt en aansluit bij de ideeën van de doelgroep. Bespreekpunten zijn onder meer hoe vaak men een training zou willen en kunnen doen, over wat voor periode de trainingen verspreid moeten worden en eventuele contra indicaties.

Faculteit der Medische Wetenschappen/UMCG

Afd. Klinische farmacie en farmacologie

Dr. Roya Atiqi, Internist/Klinisch farmacoloog/Docent Farmacotherapie

Studenten polikliniek polyfarmacie € 23.854

Het project
Dit project beoogt het opzetten van de eerste Nederlandse studenten polikliniek polyfarmacie (SPP), waarbij koppels van studenten geneeskunde en farmacie onder begeleiding van experts medicatiebeoordelingen bij hoog risicopatiënten uitvoeren. De SPP biedt een realistische leeromgeving voor de studenten gericht op multidisciplinair werken en het verwerven van farmacotherapeutische vaardigheden. Tevens bevordert deze preventieve screening het veilige medicatiegebruik bij hoog risicopatiënten, waarmee het aantal geneesmiddel gerelateerde ziekenhuisopnames naar verwachting zal dalen. Verder krijgt het UMCG met de SPP een regionaal leidende rol om geneesmiddelgebruik bij hoog risicopatiënten veiliger te maken. Het initiatief is om deze redenen maatschappelijk relevant.

Achtergrond
Dat geneesmiddelen naast het beoogde gunstige effect op gezondheid deze ook kunnen bedreigen, is geen nieuw inzicht. Geneesmiddel gerelateerde problemen vormen dan ook een belangrijk gezondheidszorgprobleem voor zowel de individuele patiënten als voor de maatschappij, met hoge bijkomende kosten; geschat wordt dat ongeveer 10% van de ziekenhuisopnames medicatie-gerelateerd zijn.
Door de vergrijzing zien we in de praktijk steeds meer patiënten met meerdere ziekten (multimorbiditeit), en hiermee gepaard gaand gebruik van veel verschillende geneesmiddelen (polyfarmacie). Met het klimmen der jaren neemt het risico op geneesmiddel gerelateerde problemen en daardoor veroorzaakte ziekenhuisopnames toe. Oudere patiënten met polyfarmacie lopen hierbij het grootste risico.
Uit eerdere onderzoeken blijkt dat er in Nederlandse ziekenhuizen jaarlijks duizenden geneesmiddel-gerelateerde opnames zijn, waarvan een groot deel vermijdbaar. Het meest recente onderzoek is het Vervolgonderzoek Medicatieveiligheid dat tevens laat zien dat het aantal geneesmiddel gerelateerde opnames over de jaren nauwelijks afneemt. En dat dit aantal substantieel hoger is bij oudere patiënten (≥ 65 jaar), waarbij meer dan de helft potentieel vermijdbaar is. In het UMCG is de situatie niet veel anders. Begin 2019 werd bij ruim 1100 poliklinische patiënten een medicatiebeoordeling verricht. Hieruit bleek dat bij 25% van de 65 plussers farmacotherapeutische aanpassingen zouden moeten plaatsvinden om het risico op vermijdbare geneesmiddel gerelateerde schade te reduceren. Het ging hierbij vooral om het ontbreken van een (actuele) indicatie, ongeschikte geneesmiddelen bij kwetsbare ouderen, verkeerde doseringen en het ontbreken van preventieve farmacotherapie of andere risico-reducerende maatregelen bij risicogeneesmiddelen.
Om geneesmiddelgebruik veiliger te maken, is het van belang dat toekomstige artsen en apothekers voldoende kennis en vaardigheid hebben in de farmacotherapie en van elkaars expertise gebruik weten te maken, vooral wanneer er sprake is van een hoog risico. Deze vaardigheid stijgt ver uit boven het beheersen van het 6-stappen normatief model van therapeutisch redeneren (6-steps). In Nederland kennen we bij zusterfaculteiten initiatieven van studenten poliklinieken, maar die zijn slechts gericht op het verwerven van algemene voorschrijfvaardigheden van de studenten, en niet op het multidisciplinair aanpassen van de farmacotherapie bij hoog risicopatiënten. Eén van de vaardigheden die op dit moment maar beperkt aan bod komt in het curriculum en die essentieel is voor hoog risicopatiënten, is het leren afbouwen/staken (‘deprescribing’) van niet-aangewezen (onnodige en risicovolle) geneesmiddelen.
Het innovatieve aan het beoogde project is (1) de ontwikkeling van een studenten polikliniek specifiek voor medicatiebeoordeling bij hoog risicopatiënten in een realistische multidisciplinaire leeromgeving, en (2) het ontwikkelen van een regionaal initiatief om geneesmiddelgebruik bij hoog risicopatiënten in de regio veiliger te maken.

Door het GUF gefinancieerd:

Faculteit der Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap

Dr. J.K. Muthert, UHD Religiepsychologie en geestelijke verzorging

Geestelijke verzorging bij rampen in Nederland: een actieve verkenning van de precieze rol van geestelijk verzorgers bij calamiteiten € 10.992

Aandacht voor de positieve rol van zingeving bij welbevinden is groeiende. In de hulpverlening bij en na rampen in Nederland is deze expertise echter nog onvoldoende ingebed. De RUG doet daar samen met maatschappelijke partners al enige tijd onderzoek naar. Bij alle lopende initiatieven blijven twee bevindingen onderbelicht. Experts op het terrein van zingeving en levensbeschouwing die in het recente verleden betrokken raakten bij rampen signaleren dat afstemming en samenwerking aandacht behoeven. Daarnaast is er een kennislacune rond de precieze inzet van die geestelijke zorg alsook hoe die zich verhoudt tot bestaande theorie. Er is daarmee behoefte aan feitenkennis hoe geestelijke verzorging anno 2020 bij rampen concreet gestalte krijgt.
Met het hier voorgestelde project volgen we de inzet van geestelijke zorg bij en na rampen gedurende acht tot tien maanden, afhankelijk van het aantal calamiteiten. In samenwerking met de Dienst bijzondere uitvaarten van Monuta (en op eigen initiatief) komen geestelijk verzorgers tijdig ter plaatse bij rampen. Voor het noteren van hun waarnemingen en acties wordt een digitale applicatie ontwikkeld. Deze vorm van dataverzameling wordt aangevuld met semigestructureerde interviews en vragenlijsten. Analyse van deze data biedt meer inzicht in de huidige praktijken van geestelijk verzorgers tijdens en na rampen. Het project draagt zo bij aan concrete beleidsadviezen en levert informatie voor scholing en training van geestelijk verzorgers. daarmee draagt dit project bij aan de concrete inbedding van aandacht voor zingeving en levensbeschouwing bij rampen, waar nodig.

Faculty of Science and Engineering

Mevr. Aparajitha Ramesh, PhD

Novel insights for management and conservation strategies for migratory fish €17.500

Met steun van de Gratamastichting zullen we een netwerk van door buizen met elkaar verbonden vijvers opzetten, waarin een groot aantal vissen individueel en tijdens een langere periode gemonitord kunnen worden. Door inzicht te verkrijgen in individuele verschillen van gedragspatronen hopen we nieuwe managementstrategieën te kunnen ontwikkelen voor het behoud van bedreigde vispopulaties.
Door kustbescherming en watermanagement werden in de afgelopen eeuw veel rivierpopulaties van vissen geheel of gedeeltelijk afgesloten van de zee, waar zij een deel van hun levenscyclus doorbrengen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Atlantische steur, schol etc. Om de schadelijke effecten van deze afsluiting te verminderen, faciliteren de waterschappen tegenwoordig de migratie van vissen door ze mogelijkheden te bieden de door de mens veroorzaakte barrières (bijv. vistrappen) te omzeilen.
Het huidige beleid focust echter alleen op het monitoren van de hoeveelheid migratie. Hierbij wordt impliciet aangenomen dat de vissen die in staat zijn de barrières te nemen representatief zijn voor de populatie als geheel. Deze aanname wordt ondermijnd door recent onderzoek dat heeft aangetoond dat migrerende vissen in tal van kenmerken verschillen van niet-migrerende soortgenoten. Het is daarom cruciaal om het belang om zowel migranten als niet-migranten te betrekken in de management plannen. Om dit soort geïntegreerde management strategieën te ontwikkelen bestuderen we in ons project Nederlandse stekelbaars-populaties. Hierbij kijken wij zowel naar populaties waarbij een deel van de individuen migreert richting de Noordzee, als populaties die niet migreren omdat in het verleden de migratie route naar de Noordzee door menselijk handelen is afgesloten. Ons huidige onderzoek combineert veldwerk, lab-experimenten en de vergelijking van management strategieën met behulp van theoretische modellen. Omdat de stap van het aquarium in het lab naar de veldsituatie erg groot is, willen we een uniek semi-natuurlijk systeem opzetten dat bestaat uit een netwerk van vijvers, die door buizen met elkaar zijn verbonden. Ondersteuning vanuit het Gratama Fonds zal daarbij cruciaal zijn.

Laatst gewijzigd:17 juli 2020 11:57