Subsidieronde 2026
Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen
dr. Kirsten van den Bosch, Universitair docent
Tussen Kennis en Kabaal € 12.070
‘Tussen Kennis en Kabaal’ is een citizen science project van de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit Utrecht en het landelijk netwerk van de Wetenschapsknooppunten. In het voorjaar van 2027 gaan zo'n 4000 leerlingen van 160 basisscholen verspreid over heel Nederland data verzamelen over het omgevingsgeluid rond hun scholen. We leven namelijk in een wereld waar het zelden stil is, maar al dat geluid is niet altijd goed voor ons. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is omgevingslawaai, na luchtvervuiling, zelfs de tweede belangrijkste milieugerelateerde oorzaak van een slechte gezondheid, onder andere door slaapverstoring en stress. Kinderen zijn hier extra kwetsbaar voor en onderzoek laat zien dat herrie een negatieve impact heeft op hun welzijn en leeruitkomsten.
Ondanks dit besef, weten we nog niet goed hoe het staat met de geluidsomgevingen rondom scholen. Zijn die wel van voldoende kwaliteit? De overheid maakt hiervoor gebruik van schattingen van geluidsniveaus (in decibel, dB) op basis van statistische modellen, maar die worden zelden aan de realiteit getoetst. Bovendien weten we dat geluid niet luid hoeft te zijn om als storend te worden ervaren, neem bijvoorbeeld een zoemende mug die iemand uit z’n slaap houdt. De kwaliteit van een geluidsomgeving meten aan de hand van alleen luidheid, is als het beschrijven van soep op basis van diens temperatuur. Daarom is het van belang om ook naar de beleving van geluid te kijken en dat is precies wat we gaan doen in het project ‘Tussen Kennis en Kabaal’.
De Gratama subsidie biedt kansen om dit unieke en urgente onderzoek nog impactvoller te maken. Dat willen we doen door het psychologische onderzoek naar de geluidsbeleving van de leerlingen te combineren met akoestisch onderzoek door het verzamelen van geluidmetingen. Wij bouwen daarbij voort op de expertise en infrastructuur van het Belgische citizen science project ‘De Oorzaak’, waarin duizenden burgers onderzochten waar geluid het hardst klinkt en waar onze oren tot rust komen. Binnen dit project werd gewerkt met sensoren die continu het geluidsniveau in decibel (dB) meten, maar daarnaast beschikken over een geïntegreerde AI-module die in realtime de dominante geluidsbron kan classificeren (bijvoorbeeld verkeer, stemmen, vogels of bouwgeluid). Hierdoor kunnen we niet alleen vaststellen hoe luid het is, maar ook begrijpen waardoor dat zo is.
Door belevingsdata te combineren met akoestische data leren we nog beter begrijpen hoe de geluidsomgeving rond scholen in het hele land er uit ziet, en op welke manier bepaalde geluiden ervaren worden. Daarmee kunnen we kinderen en leerkrachten helpen met maatregelen voor een betere leeromgeving. Dat is belangrijk want een optimale geluidsomgeving rond school verbetert concentratie, leerprestaties en het welzijn van leerlingen én leerkrachten.
Faculteit Medische Wetenschappen/UMCG
N.C.A. Huijkman, Research analist
Lab-in-a-box: het mobiele laboratorium € 5.500
‘Lab-in-a-box: het mobiele laboratorium’ is een initiatief van het Laboratorium Kindergeneeskunde dat tot doel heeft wetenschappelijk onderzoek op een toegankelijke manier dichter bij de maatschappij te brengen. Met mobiele leskisten en interactieve gastlessen ontdekken leerlingen van 8 tot 16 jaar wat er in een laboratorium gebeurt, hoe onderzoek bijdraagt aan onze kennis over gezondheid en ziekte, en waarom wetenschappelijk onderzoek belangrijk is. Het project sluit aan bij de groeiende behoefte aan bètaeducatie binnen het onderwijs en biedt scholen en instellingen een uniek aanbod dat nieuwsgierigheid en begrip voor wetenschap stimuleert. De lessen worden aangeboden op scholen, via De Jonge Onderzoekers en binnen het Beatrix Kinderziekenhuis, waardoor een brede en diverse doelgroep wordt bereikt.
De twee ontwikkelde leskisten zijn gebaseerd op thema’s die centraal staan binnen het Laboratorium Kindergeneeskunde: stofwisselingsziekten en DNA-onderzoek. In de DNA-leskist maken kinderen op speelse wijze kennis met erfelijkheid, de functie van DNA en de manier waarop veranderingen in DNA kunnen leiden tot ziekte. Ze isoleren zelf DNA uit fruit en ervaren zo hoe onderzoekers onzichtbare processen zichtbaar maken. De leskist over spijsvertering en stofwisseling laat kinderen ontdekken hoe het lichaam voedsel verwerkt en welke rol organen en enzymen daarbij spelen. Door middel van experimenten die organen nabootsen leren ze hoe verstoringen in deze processen kunnen leiden tot metabole ziekten. Beide leskisten bieden een combinatie van theorie en experimenten waardoor kinderen actief betrokken raken en de leerervaring beter beklijft.
Om deze lessen structureel, efficiënt en op een hoger niveau te kunnen aanbieden, is aanvullende financiering noodzakelijk. De aanschaf van een FlashGel-systeem maakt het mogelijk om DNA-fragmenten binnen enkele minuten zichtbaar te maken, wat de educatieve waarde van de DNAles- aanzienlijk vergroot. Voor de stofwisselingsleskist is een glucosemeter met teststrips nodig om metabole veranderingen kwantitatief te meten, waardoor abstracte processen meetbaar worden. Daarnaast is er behoefte aan materialen voor een volledig uitgeruste Lab-in-a-box, waaronder eigen sets laboratoriummateriaal, pipetten, rekjes en stevige transportkisten die de voorbereidingstijd dermate verminderen en de continuïteit van de lessen waarborgen. Voor de kinderen in het Beatrix Kinderziekenhuis worden speciale laboratoriumjassen aangeschaft, zodat zij op een positieve en speelse manier kunnen ervaren hoe het is om onderzoeker te zijn. Door de jassen te voorzien van vrolijke prints en speldjes wordt een veilige, uitnodigende en niet--klinische sfeer gecreëerd.
Met deze investeringen wordt de voorbereidingstijd van de gastlessen aanzienlijk verkort, krijgen de lessen meer diepgang en wordt de educatieve impact vergroot. Het project kan hierdoor uitgroeien tot een duurzame, structurele voorziening die jaarlijks honderden kinderen bereikt. Door wetenschap tastbaar te maken en kinderen zelf te laten experimenteren, draagt ‘Lab-in-a-box: het mobiele laboratorium’ bij aan het vergroten van wetenschappelijk begrip, het stimuleren van talentontwikkeling en het versterken van de verbinding tussen wetenschap en samenleving. Het initiatief legt daarmee een waardevolle basis voor de onderzoekers en kritische burgers van de toekomst.
Faculteit Medische Wetenschappen/UMCG
Dr. Yannick van Sleen, Assistent professor
Chronische vermoeidheid bij veroudering en ontstekingsziekten: van biomarkers tot behandelperspectief € 20.493
Veroudering kent veel gezichten: bij de ene oudere verloopt het langzaam en relatief soepel, bij de ander leidt het tot forse achteruitgang en gezondheidsproblemen. Het immuunsysteem speelt hierin een sleutelrol; hoe dat systeem verandert door de jaren heen beïnvloedt niet alleen de kwetsbaarheid van ouderen, maar ook hoe vaak ze last hebben van klachten als chronische vermoeidheid. Die vermoeidheid is een van de meest voorkomende én beperkende klachten, niet alleen bij ouderen, maar ook bij mensen met langdurige ontstekingsziekten zoals reuscelarteriitis (GCA), polymyalgia rheumatica (PMR) en het syndroom van Sjögren. Vaak blijft deze vermoeidheid bestaan, zelfs als andere symptomen goed reageren op behandeling, en heeft het een grote impact op het dagelijks leven.
Met het AgeingLines-cohort, dat voortbouwt op het Lifelines-populatieonderzoek, krijgen we een unieke kans om de biologische achtergrond van vermoeidheid bij veroudering beter te begrijpen. Van ruim duizend ouderen worden uitgebreide gegevens verzameld, waaronder bloedwaarden, gezondheidsinformatie en materiaal van immuuncellen. Binnen dit project onderzoeken we of personen met een hogere biologische leeftijd-bepaald met de bloed-biomarker PhenoAge ook vaker kampen met chronische vermoeidheid. Vervolgens kijken we of de energiehuishouding van immuuncellen, gemeten met de Oroboros Oxygraph, een rol speelt bij het ontstaan van vermoeidheid. Hiervoor vergelijken we gedetailleerde mitochondriële functie bij mensen met veel en weinig vermoeidheidsklachten.
Dit onderzoek wordt ook uitgevoerd bij drie groepen patiënten met GCA, PMR en Sjögren, waarbij we nagaan of de relatie tussen biologische veroudering en vermoeidheid daar net zo sterk is. Hier gebruiken we bestaande patiënten data en voeren waar nodig aanvullende bepalingen uit om de PhenoAge-score compleet te maken. Daarnaast worden van geselecteerde patiënten immuuncellen onderzocht op hun mitochondriële functie, zodat we zowel bij gezonde ouderen als bij patiënten dezelfde biologische processen kunnen vergelijken.
Door deze combinatie van klinische, biologische en cellulaire gegevens hopen we nieuwe inzichten te krijgen in de oorzaken van vermoeidheid en veroudering. De impact van dit project reikt verder dan het wetenschappelijk begrijpen van veroudering en vermoeidheid. Het project biedt aanknopingspunten voor het aanpakken van een van de meest gevreesde en invaliderende klachten van ouderen en patiënten met chronische ontstekingsziekten: vermoeidheid die het dagelijks leven belemmert en de zelfstandigheid vermindert. Door diepgaand te onderzoeken welke biologische verouderingsprocessen en stoornissen in de energiehuishouding van immuuncellen bijdragen aan deze klachten, ontstaat er niet alleen meer inzicht, maar ook een basis voor nieuwe, persoonlijke behandeling en zorg. Dit is essentieel, want juist chronische vermoeidheid is vaak hardnekkig, lastig te meten én moeilijk te behandelen. Tot slot betekent ziekteoverstijgend onderzoek als dit dat innovaties niet beperkt blijven tot één ziektebeeld, maar potentieel een groot deel van de samenleving kunnen bereiken.
Faculty of Science and Engineering
Dr. Safoora Kamjan, Coordinator of 14C laboratory
Verfijning van de wetenschappelijke datering van recente forensische menselijke resten in Nederland € 8.000
Elk jaar onderzoeken de Nederlandse autoriteiten talloze menselijke resten van onbekende doden. Het vaststellen van het moment van overlijden van deze onbekende doden is essentiële informatie voor juridische procedures, het geeft duidelijkheid aan nabestaanden, en het onderscheidt recente forensische zaken van archeologische resten. Hoewel DNA-profilering en forensische antropologie veel vertellen over de identiteit, kan koolstofdatering (14C analyse) als een van de weinige technieken het moment van geboorte en/of overlijden vaststellen. Dit maakt koolstofdatering een buitengewoon krachtige techniek binnen de beschikbare forensische middelen.
De nauwkeurigheid van 14C datering hangt af van de historische variatie in concentratie van atmosferische 14C. Deze concentratie geeft een tijdsgebonden benchmark waarmee de leeftijd van weefsels vastgesteld kan worden. Door de voortdurende uitstoot van fossiele brandstoffen (Suess effect) zijn echter de atmosferische concentraties 14C tot onder het pre-industrieel natuurlijk niveau gedaald. Er bestaat geen post-2020 kalibratie framework, en samen met de groeiende behoefte aan regio-specifieke atmosferische data veroorzaakt dat een nieuwe, nauwelijks gekwantificeerde blinde vlek voor forensisch onderzoek in zaken waarin het moment van overlijden na 2020 ligt.
Om deze beperking aan te pakken, zou het Centrum voor Isotopenonderzoek (CIO) van de Rijksuniversiteit Groningen een robuust post-2020 atmosferisch 14C framework willen ontwikkelen, afgestemd op forensische toepassingen in Nederland. Met deze studie zullen verschillende menselijke weefsels geanalyseerd worden, van donoren die daar nadrukkelijk toestemming voor hebben gegeven, en waarvan de biologische profielen (geboortedatum en -plaats, geslacht en medicatiegeschiedenis) bekend zijn. Een vergelijking van de gemeten 14C in deze weefsels met 14C metingen in bekende doden geeft ons weefselspecifieke correctiefactoren, en verbetert daarmee de forensische interpretatie van recente 14C metingen. Deze resultaten zullen dan worden geïntegreerd in de resultaten van de continue 14CO2 metingen die al lange tijd worden uitgevoerd op Lutjewad en Cabauw in het noorden en zuiden van Nederland zodat de nauwkeurigheid van de kalibratie in de moderne periode direct beoordeeld kan worden.
Samengevat: het doel van dit voorstel is om een specifiek post-2020 framework te ontwikkelen om moderne niet-eenduidige 14C metingen in Nederland te kunnen interpreteren, en daarmee bij te dragen aan de internationale inspanningen om de identificatie van recente menselijke resten van onbekende doden en cold cases te verbeteren.
Faculty of Science and Engineering
dr. Dulce María Morales Hernández, Assistant professor
Monitoring Electrochemical Transformations in Real Time € 22.450
De Energietransitie, de wereldwijde verschuiving van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen (zoals zonlicht of wind), is essentieel om klimaatverandering tegen te gaan, aan de steeds groeiende wereldwijde energievraag te voldoen en het milieu en de gezondheid van levende wezens te beschermen. Elektrochemie speelt een sleutelrol in de energietransitie: het maakt gebruik van elektrische energie om chemische transformaties te bewerkstelligen en tegelijkertijd het milieu te beschermen. We kunnen elektrochemie bijvoorbeeld gebruiken om hernieuwbare energie op te slaan, schone brandstoffen zoals waterstof te produceren, waardevolle chemicaliën te verkrijgen uit hernieuwbare bronnen zoals biomassa (in plaats van uit fossiele bronnen), of water en lucht te zuiveren door verontreinigende stoffen te verwijderen.
Onderzoek in de elektrochemie richt zich sterk op de ontwikkeling van componenten voor elektrochemische reactoren. Om te beoordelen of nieuwe componenten bruikbaar zijn, is het essentieel om ze in realtime te onderzoeken terwijl de elektrochemische transformaties plaatsvinden. Het meeste onderzoek is echter gebaseerd op experimentele methoden die de eindresultaten van de transformaties analyseren, maar geen volledig beeld geven van hoe reacties werken. Om dit aan te pakken, moeten elektrochemie en analysetools samen worden gebruikt. Bovendien vereist het begrijpen van elektrochemische transformaties een combinatie van aspecten uit de scheikunde, natuurkunde, materiaalkunde, techniek en andere disciplines. Dit is dus een uitdaging die alleen kan worden aangepakt via interdisciplinair onderzoek. Dit betekent dat het niet alleen nodig is om geschikte experimentele instrumenten te ontwikkelen om deze transformaties in realtime te observeren en te monitoren, maar ook om een professionele opleiding voor studenten op te zetten om de benodigde interdisciplinaire vaardigheden te ontwikkelen.
Het belangrijkste doel van dit project is om deze uitdaging aan te pakken door een apparaat te ontwikkelen dat een spectro-elektrochemische reactor wordt genoemd (een combinatie van een analytisch instrument dat spectroscopie wordt genoemd en elektrochemie). Het apparaat zal worden gebruikt in vier casestudy's die worden uitgevoerd door bachelor- en masterstudenten en die drie elektrochemische transformaties omvatten: elektrochemische waterstofproductie om hernieuwbare energie op te slaan, elektrochemische omzetting van biomassa om waardevolle chemicaliën te produceren, en elektrochemische afbraak van verontreinigende stoffen om water te zuiveren. Door middel van dit project zullen de studenten laboratoriumvaardigheden, interdisciplinaire kennis en onderzoekservaring opdoen, terwijl ze urgente onderzoeksvragen behandelen met betrekking tot elektrochemische transformaties die kunnen bijdragen aan de energietransitie.
Door het GUF gefinancieerd:
Faculteit der Letteren
Dr. Aurélie Joubert, Assistant Professor Language and Society
Language, Inclusion and Student Thriving (LIFT): A development project on the impact of Internationalisation and language uses on student learning experience and wellbeing. € 22.960
De internationalisering van het hoger onderwijs, die in Nederland in de jaren tachtig van de vorige eeuw begon en in de jaren 2000 een grote vlucht nam, heeft geleid tot de ontwikkeling van programma's waarin Engels als Onderwijstaal (English as Medium of Instruction - EMI) wordt gebruikt. Er is veel onderzoek gedaan naar de kansen en uitdagingen van EMI, vanuit het oogpunt van taalvaardigheid in het Engels en de ontwikkeling van inhoudelijke taalvaardigheden. EMI-initiatieven, -projecten en daarmee samenhangende strategische partnerschappen vinden nog steeds plaats in Europa en over de hele wereld. Hoewel medewerkers en studenten over het algemeen de voordelen zien van deelname aan en bijdrage aan een internationale markt via het Engels, zijn er recentelijk enkele uitdagingen aan het licht gekomen, waaronder een afname van de vaardigheid in de moedertaal, een gebrek aan zeggenschap en adequate opleiding voor docenten, de invoering van een systeem dat de imperialistische positie van de Engelse taal weerspiegelt, wat kan leiden tot een vermindering van de taalkundige diversiteit en een moeilijkheid om interacties in de klas te bevorderen.
Dit project heeft tot doel een beter inzicht te krijgen in de ervaringen van studenten met EMI. Nu er steeds meer bezorgdheid bestaat over het welzijn van studenten, vooral sinds de coronaperiode, die het belang van het creëren van een persoonlijke, onderling verbonden en ondersteunende leergemeenschap heeft benadrukt, is het tijd om te onderzoeken hoe Engelstalige opleidingen door studenten worden ervaren, met name wat betreft hun gevoel van eigen verantwoordelijkheid, hun vermogen om te communiceren, en hun gevoel van verbondenheid en inclusie. Al deze aspecten worden sterk beïnvloed door taal, of het nu gaat om taalvaardigheid, verwachtingen of praktijken. Er is echter onvoldoende aandacht besteed aan de effecten van EMI op de universitaire populatie. Hoewel EMI als succesvol wordt beschouwd door de groei van het aantal internationale medewerkers, studenten en EMI-programma’s, kan de bredere politieke context – waarin internationale studenten worden gekoppeld aan de huisvestingscrisis en de regering in 2024 voor het merendeel van de programma’s terugkeert naar onderwijs in het Nederlands (Wet Internationalisering in Balans) – ook negatieve gevolgen hebben gehad voor zowel Nederlandse als internationale studenten, omdat deze discussies een maatschappelijke polarisatie weerspiegelen die voelbaar is in de leerervaring en de keuze van de studietaal.
Onze universiteit bevindt zich in een bijzonder interessante situatie wat betreft het wijdverbreide gebruik van EMI, de praktische aspecten van taalkundige diversiteit en expertise op het gebied van onderwijs- en pedagogisch onderzoek. Onze universiteit kan zich inderdaad beroemen op haar meertaligheid, gezien sommige opleidingen (aan de faculteit Letteren, BA Europese Talen en Culturen, BA Fries) en projecten die het belang van lokale talen en regionale identiteit aantonen (Nij Begun). Bovendien pleit het herziene taalbeleid voor taalinclusieve praktijken die gebaseerd zijn op het Nederlands als bestuurstaal, maar waarbij ook de noodzaak van Engels wordt erkend en respect wordt getoond voor andere culturen en de ontwikkeling van interculturele competenties. De RUG heeft gekozen voor meertaligheid als basis van haar beleid. Wij vinden het daarom belangrijk om te begrijpen hoe het huidige meertalige taalbeleid kan functioneren binnen een onderwijskader dat op grote schaal EMI-programma's heeft ontwikkeld in een recente politieke context die gericht is op het bevorderen van Nederlandse taalprogramma's. Deze situatie laat verschillende tegenstrijdige krachten zien tussen voornamelijk Engels en Nederlands, met enkele plannen die taal beschouwen als louter een instrument voor professionele vooruitgang, zonder rekening te houden met de impact op de individuele en collectieve identiteit. Het is van essentieel belang om de ervaringen van studenten in deze soms gespannen en conflictueuze context volledig te begrijpen om het welzijn van studenten en de universitaire gemeenschap in het algemeen te beschermen en om een universiteit te creëren die begrip heeft voor de uitdagingen van onderwijs in een diverse wereld en die instrumenten heeft ontworpen en praktijken heeft ontwikkeld om een inclusieve omgeving te bevorderen.
Ons project bestaat uit twee hoofdfasen: Ten eerste wordt onderzocht hoe UG-studenten in alle faculteiten het leren in het Engels ervaren en hoe dit kan worden gekoppeld aan hun welzijn. Een belangrijk aspect van ons project vloeit voort uit de constatering dat EMI-programma's zijn opgezet met een top-down planning en weinig inbreng van studenten. Ons project wil een andere aanpak hanteren door input van de studenten te vragen om feedback te geven over hoe EMI en inclusieve onderwijspraktijken in het algemeen kunnen worden verbeterd om een positieve leerervaring voor iedereen te garanderen. Op deze manier zullen focusgroepen de ervaringen met EMI bespreken en helpen bij het mede creëren van inclusieve praktijken rond EMI die niet uitsluitend op het gebruik van het Engels zijn gebaseerd. Ten tweede is ons project van plan om in het tweede jaar een reeks workshops met studenten en docenten te organiseren om onze bevindingen in alle faculteiten te verspreiden. We streven naar een ‘train-de-trainer’-aanpak door gebruik te maken van de Teaching Academy en andere bestaande netwerken, en willen het idee versterken dat docenten en studenten samenwerken aan het creëren van praktijken om de leerervaring te verbeteren en het welzijn van studenten, en bij uitbreiding ook van het personeel, te bevorderen.
Ten slotte erkennen we dat de verspreiding van de bevindingen en van enkele principes van EMI en meertaligheid op de werkplek een uitdagend aspect zal zijn, aangezien we weten dat de implementatie van beleid geen eenvoudige taak is. Het is daarom belangrijk om gebruik te maken van de expertise die door de verschillende belanghebbenden is ontwikkeld op het gebied van taal in het onderwijs (bijvoorbeeld ons Talencentrum) en om het werk dat via dit project en in het bijzonder is verricht, onder de aandacht te brengen. De deliverables omvatten met name de ontwikkeling van een toolkit voor trainingsdoeleinden en een nieuwe RUG-podcast ‘taal me about it’, waarin tweetalig onderwerpen worden behandeld als 1. het inclusieve taalbeleid van de RUG, 2. interne expertise op het gebied van meertaligheid in het onderwijs, 3. ervaringen van studenten (en medewerkers) met meertaligheid op de werkplek en 4. het delen van beste taalkundige praktijken en ervaringen voor het welzijn van medewerkers en studenten.
De RUG bevindt zich in een zeer gunstige positie om bij te dragen aan een reflectie op de evolutie van de academische wereld en deze verder vorm te geven om een zorgzame en inclusieve werkplek te bevorderen die de kloof tussen beleid en praktijk heeft overbrugd en een co-creatie van taalbeleidskaders heeft aangenomen om het succes van een diverse studentenpopulatie te waarborgen.