Skip to ContentSkip to Navigation
founded in 1614  -  top 100 university
Over ons Faculteit der Letteren
Header image Uit de collegebank geklapt

Wy kam fram Fryslân - en nemen onze taalgewoontes mee

Datum:05 mei 2026
Ba-student Sylke Prins
Ba-student Sylke Prins

Mijn moeder heeft me leren praten, maar ik heb het idee dat ze mijn Nederlands niet meer helemaal vertrouwt. Zo ben ik laatst door haar - zelf een getogen Gelderlander - aangesproken op het feit dat ik heel vaak “als het goed moet zijn” zeg, in plaats van het correcte “als het goed is”. Ik wist alleen niet beter en bleef koppig volhouden dat ik, als studente Nederlands, echt wel weet wat ik zeg. 

Dus mijn moeder moedigde mij aan tot een rondje internet surfen, en jawel: mijn Friese opvoeding had toch mijn bovenkamer geïnfiltreerd. Constructies met moatte (moeten) zijn heel normaal binnen het Fries. Van de gevleugelde uitspraak “As it net kin sa't it moat, dan moat it mar sa't it kin” tot het uitdrukken van een verwachting of aannemelijkheid in een zin als “Hy moat thûs wêze”. Deze constructies zitten diep in het Fries verankerd. 

Dus na de ontdekking over mijn taal-oepsie ben ik gaan graven naar meer van dit soort frisismes, en wat blijkt? Naast vormen van moatte en het hippe accentje verweven Friezen ook ander taalgebruik in hun Nederlands. 

Werkwoorden omdraaien 

Mijn moeder werd door mijn vader naar Friesland gelokt en woont daar inmiddels al bijna twintig jaar. Maar er is één ding waar ze weigert aan te wennen: Friese collega’s die bij een praatje in de koffiepauze aan het einde van een Nederlandse zin de werkwoorden omdraaien. Over het algemeen heeft ze geen enkel probleem met het Fries, maar dit heeft ze mijn broertje en mij zorgvuldig afgeleerd. 

In het Fries is het gebruikelijk om zinsconstructies te bouwen waarbij aan het einde van de zin het voltooide deelwoord voor het hulpwerkwoord staat. Dus in plaats van “Zou je de koffiemelk kunnen aangeven?” zeggen de Friese collega’s: “Zou je de koffiemelk aangeven kunnen?”. Als je wilt weten of iemand een echte Diepfries is, dan is dit de grootste weggever. 

Opfietsen 

Iedere Fries die minimaal vijf kilometer op de fiets naar school moest karren is bekend met de term “opfietsen”. Ik dacht altijd dat deze term gebruikelijk was voor ons hele Nederlandse fietsland, maar toen ik aan een Brabantse vriendin vroeg of ze het woord kende, krabbelde ik daar snel van terug. Ze kon wel raden wat het betekende, maar informeerde me dat het in zuidelijk Nederland niet het begrip was dat ik kende. 

“Opfietsen” wordt in het Nederlandse woordenboek omschreven als “zich op de fiets naar boven bewegen”, terwijl Friezen het woord gebruiken als “samen ergens naartoe fietsen”. Als je het mij vraagt, kunnen we die definitie beter ook aan het woordenboek toevoegen, zodat Friezen met heel Nederland kunnen opfietsen. 

“Ik kan er niet over” 

Nog zo’n bekende uitspraak: “ik kan er niet over”. Als een Fries dit tegen je zegt betekent het niet dat hij bij het fierljeppen in de sloot is gevallen, maar dat hij ergens een afkeer tegen heeft. Gelukkig heb ik mezelf nog nooit betrapt op het gebruik van deze uitspraak, maar aan de kassa van een Friese supermarkt komen constructies met deze uitspraak regelmatig voorbij: “Ik kan er echt niet over hoor, dat mensen zomaar voordringen”. 

Op het Friesheidsspectrum scoor ik dus zelf niet zo hoog, maar het gebruik van moatte-constructies en mijn liefde voor suikerbrood zitten wel in mijn systeem. Deze Friese invloeden in mijn Nederlands zijn een logische samensmelting van twee naast elkaar bestaande taalculturen. Dat Friezen in hun Nederlands vaker hun werkwoorden omdraaien, termen gebruiken die niet gebruikelijk zijn in het Nederlands en Friese gezegden direct naar het Nederlands vertalen, is niet iets om als verkeerd te labelen. Het is iets om als samenleving te omarmen. En sommige mensen kunnen daar niet over, maar de meesten fietsen op naar een Nederland waar het Fries en het Nederlands samenkomen kunnen.

Tags: Taalkunde
Deel dit Facebook LinkedIn