Skip to ContentSkip to Navigation
About us Faculty of Law Law for society
Header image Recht en samenleving

Nederlandse bijstandssancties zakken door de bodem van het Duitse bestaansminimum

Datum:13 november 2019
prof. dr. Gijsbert Vonk
prof. dr. Gijsbert Vonk

Auteur:       prof. dr. Gijsbert Vonk
Op dinsdag 5 november 2019 deed de hoogste Duitse rechter, het Bundesverfassungsgericht, uitspraak in een langverwachte zaak over sancties in de bijstand voor werkzoekenden (Arbeitslosengeld II). De zaak is een test-case voor het steeds strenger wordende bijstandsbeleid, niet alleen in Duitsland maar ook in andere Europese landen, waaronder ons eigen land. Dit komt omdat de Duitse rechter als enige in Europa een grondwettelijk recht op een bestaansminimum erkent, het zogenaamde Existenzminimum. Onze grondwet zegt hier in artikel 20 ook wel iets over maar de rechter kan of wil niet aan dit artikel toetsen.

De zaak was aangespannen door een bijstandsgerechtigde uit Erfurt in voormalig Oost-Duitsland. Hij weigerde een werkaanbod als magazijnbediende omdat hij liever in de verkoop wilde. Hierop werd zijn uitkering gekort met 30%. Toen hij vervolgens ook nog weigerde gebruik te maken van een opleidingsaanbod voor verkoopmedewerker, werd de sanctie verhoogd tot 60% van de bijstandsnorm. Deze kortingen zijn een gevolg van een aanscherping van het sanctiemechanisme in de bijstand doorgevoerd in 2011.  De sancties worden verplicht opgelegd en lopen  op bij herhaling van de overtreding van de werkvoorschriften, van 30%, 60% tot 100% over een maximale duur van drie maanden.

Volgens het Bundesverfassungsgericht zijn de Duitse sancties te streng. Weliswaar is het geoorloofd een stelsel van werksancties in het leven te roepen, maar een dergelijk stelsel moet wel een hardheidsclausule kennen en een mogelijkheid van beëindiging van de sanctie als mensen hun leven beteren en alsnog aan hun verplichtingen voldoen. Verder meent de Duitse constitutionele rechter dat het fundamentele recht op een bestaansminimum wordt geschonden als er hogere kortingen worden opgelegd dan 30% van de bijstandsnorm. Zo’n hogere sanctie zou alleen in het vizier kunnen komen als er een onmiddellijk en passend aanbod te werk wordt gedaan dat waarmee iemand uit de bijstand geraakt.

Hoe zou het Nederlandse stelsel van bijstandssancties beoordeeld worden als het wordt gewogen op de Duitse weegschaal? Ook in ons land zijn werksancties in de bijstand aangescherpt. Dit is voor de laatste keer gebeurd in 2015, parallel aan de invoering van de Participatiewet. Bij schendingen van een aantal verplichtingen  schrijft de wet dwingend voor dat de gemeente de bijstand met 100% verlaagt over een periode van ten minste één maand en ten hoogste drie maanden. Gemeenten moeten deze systematiek nader uitwerken in een verordening.  De sancties zijn alleen niet alleen voorgeschreven bij het niet aanvaarden van een concreet werkaanbod maar ook bij het onvoldoende meewerken aan leertrajecten en het tonen van het verkeerd gedrag. Ook al gelden er bepaalde wettelijke uitzonderingen, het is binnen dit nieuwe stelsel geenszins uitgesloten dat zwaardere sancties worden opgelegd dan 30% voor periodes van langer dan één maand.  Kijken we naar de gemeentelijke verordeningen dan blijkt dat met name bij het herhaalde overtredingen van de voorschriften zwaardere uitkeringsstraffen moeten worden uitgedeeld. In de praktijk gebeurt dat ook.

Zo bezien zakt ook het Nederlandse stelsel van bijstandssancties door de bodem van het Duitse grondwettelijke recht op een bestaansminimum. Bestuurlijke sancties in Nederland worden steeds strenger. Dit is ook een probleem in de sociale zekerheid. Het is te hopen dat de Nederlandse rechter inspiratie vindt in dit Duitse oordeel om kritisch te kijken naar het stelsel van werksancties in de bijstand. Het gaat hierbij immers om het laatste vangnet, of  zoals artikel 20 lid 3 van onze Grondwet  het formuleert: een recht op bijstand van overheidswege voor mensen die niet in het bestaan kunnen voorzien.

Reacties

Reacties laden...