Skip to ContentSkip to Navigation
Onderzoek DNPP Politieke partijen Partij van de Arbeid (PvdA) Geschiedenis

PvdA jaaroverzicht 2005

Uit: J. Hippe, R. Kroeze, P. Lucardie, N. van de Walle en G. Voerman, 'Kroniek 2005. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2005' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 2005 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2006), 14-98, aldaar 61-73.

Inleiding

De PvdA stelde in 2005 een nieuw beginselprogram vast, nadat diverse pogingen daartoe in voorafgaande jaren waren gestrand. In de peilingen deed de partij het goed: aan het eind van het jaar was zij goed voor ruim vijftig kamerzetels. Partijleider W.J. Bos bood op 16 december het boek Dit land kan zoveel beter aan oud-premier W. Kok aan. Naast een korte autobiografie lichtte Bos hierin zijn politiek program toe.

Linkse samenwerking

Op 12 maart publiceerden acht kamerleden van linkse partijen, waaron­der het PvdA-Tweede-Kamerlid A.Th. Duivesteijn en het PvdA-Eerste-Kamerlid L.P. Middel, in de Volkskrant een pleidooi voor nauwere linkse samenwerking, die zou moeten uitmonden in een lijst van hoofd­punten voor een progressief beleid (zie ook in deze Kroniek onder GroenLinks en SP). Nadrukkelijk sloten ze (althans op dit moment) de vorming van één lijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen uit. Politiek leider Bos liet meteen weten weinig voor nauwere samenwerking te voelen. Partijvoorzitter R.A. Koole deed dat evenmin, met als argument dat je met drie visnetten meer zou vangen dan met één. Bos weigerde overigens ook om enige voorkeur voor een coalitie uit te spreken. In september leek hij bij de behandeling van de miljoenennota in de Tweede Kamer overigens een hardere toon aan te slaan tegenover het CDA. Gunde hij daarvoor de christen-democraten nog het voordeel van de twijfel, nu vond hij dat ze met name door hun verdediging van een nieuw zorgstelsel ‘erg in de neoconservatieve hoek terecht komen’ (NRC Handelsblad, 22 september 2005).

Linkse samenwerking bleef een onderwerp van discussie. Op 1 mei (traditioneel gevierd als de Dag van de Arbeid) organiseerde Duive­steijn met andere ondertekenaars van het manifest een Dag van de Progressieve Samenwerking in Amsterdam. Hij liet zien dat de drie partijen bij stemmingen over moties in de Tweede Kamer in tachtig procent van de gevallen het zelfde standpunt innamen. Tijdens de lan­delijke 1 mei-bijeenkomst van de PvdA in Nijmegen leverde partijleider Bos juist kritiek op de SP, die in haar campagne tegen de Europese grondwet de waarheid geweld zou aandoen.

De PvdA ging niet in op de suggestie van GroenLinks om gezamenlijk een tegenbegroting in te dienen en presenteerde haar eigen ‘Beterbegro­ting’ in de Tweede Kamer. Het Politiek Forum sprak op 24 september in Utrecht waardering uit over deze alternatieve begroting, al was er ook wel kritiek.

Op het partijcongres in Utrecht sloot Bos in zijn toespraak op 10 december een linkse coalitie nadrukkelijk niet uit, maar evenmin een coalitie met CDA of VVD. Hij meende dat GroenLinks intussen de PvdA rechts had ingehaald: ‘het echte probleem voor een linkse samenwerking ligt niet bij de PvdA, maar zit bij de kloof tussen Groen­Links en de SP’ (NRC Handelsblad, 12 december 2005). Overigens maakte Bos in dezelfde rede duidelijk dat hij premier wilde worden.

Beginselprogram

Op 29 januari stelde het partijcongres in Delft een nieuw ‘beginselmani­fest’ vast, dat het beginselprogramma uit 1977 moest vervangen. Het concept was op 1 mei 2004 gepresenteerd (zie Jaaroverzicht 2004). Terwijl het oude program de nadruk legde op gelijkheid, gaf het nieuwe voorrang aan vrijheid en het recht op een ‘fatsoenlijk’ bestaan. Daarnaast werden solidariteit, ‘nabij’ (kleinschalig) bestuur, selectieve en duurzame groei, de democratische rechtstaat en ‘gemeen­schap als keuze’ (en niet als verplichting) als beginselen genoemd. Mondialisering (ook wel globalisering genoemd) werd onder voorbe­houd aanvaard. Tegenover de groeiende macht van kapitaal en kapitaal­verschaffers moest echter ‘tegenmacht’ gevormd worden: een ‘beschaafd kapitalisme vraagt om een gemengde economische orde waarin het marktmechanisme ingeperkt en ingebed wordt door wetten en regels’.

Het beginselprogram droeg duidelijk het stempel van Bos en Koole, ook al hadden ze op enkele punten concessies gedaan aan wat men de lin­kervleugel van de partij zou kunnen noemen. Daarmee werd kritiek niet voorkomen. P. Kalma, directeur van de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de partij, vond de tekst van het program weliswaar beter dan het concept, maar miste een visie op inkomenspolitiek, een bredere democratieopvatting en een uitwerking van de gemengde economie die men zei na te streven. Met dit program dreigde de PvdA volgens hem te vervallen tot een van de ‘empty vessels to be filled by a popular leader’ (de Volkskrant, 27 januari 2005). Bos reageerde meteen fel: als Kalma terecht een ‘programmatische leegte’ bij de PvdA constateerde, zou hij dat vooral zijn eigen bureau moeten ver­wijten. De WBS zou de Tweede-Kamer­fractie eens wat meer bruik­bare stukken moeten leveren. Ook in die fractie leefde kritiek op het beginselmanifest. D.M. Samsom vond de strekking wel erg liberaal en miste ‘systeemkritiek’ op de toenemende ongelijkheid, de privatisering en de uitputting van natuur en milieu. Juist over privatisering en inkomensverschillen vond op het partijcon­gres discussie plaats, die echter niet leidde tot substantiële wijzigingen in de tekst.

Staatkundige vernieuwing

Op 10 februari presenteerde de Leidse hoogleraar politicologie R.B. Andeweg in Den Haag het rapport De leidende burger aan partijleider Bos. Met deze studie was de projectgroep Democratie en Bestuurlijke Vernieuwing onder leiding van Andeweg in het najaar van 2003 begon­nen. Op grond van een kritische analyse kwam men tot een vijftal voorstellen voor een beperkte vernieuwing van het staatkundig bestel. Zo diende er geen gekozen minister-president te worden ingevoerd, maar wel zou de lijsttrekker van de grootste partij automatisch forma­teur moeten worden. Ook wenste de commissie op korte termijn geen ander kiesstelsel, maar wel de optie dat kiezers op een lijst òf op een persoon op die lijst kunnen stemmen, waarbij de nu gehanteerde drem­pel voor voorkeursstemmen zou verdwijnen. Op langere termijn zou terugkeer naar het districtenstelsel met absolute meerderheden, zoals dat voor 1917 in Nederland bestond, de beste optie zijn. Via een correctief referendum zouden burgers wetten en grondwetswijzigingen kunnen afkeuren. De provincies zouden plaats moeten maken voor (feitelijk al bestaande) regio’s en landsdelen.

Bos reageerde in eerste instantie positief op het rapport, al was hij het niet met alle voorstellen eens. Hij pleitte voor uitstel van de door het kabinet voorgestelde her­vorming van het kiesstelsel. Op het Politiek Forum op 19 maart in Utrecht bleek een meerderheid van de deelnemers volgens een peiling het voorstel van de project­groep voor afschaffing van de drempel voor voorkeursstemmen te steunen. Afschaffing van de provincies werd daarentegen duidelijk afgewezen. In zijn toespraak tot het Politiek Forum toonde Bos weinig geestdrift voor welke hervorming van het kiesstelsel dan ook, maar hij riep zijn partijgenoten op de dis­cussie voort te zetten.

De meeste aanbevelingen van het rapport vonden hun weg naar een resolutie die op het partijcongres op 10 december goedgekeurd werd. De voorstellen zouden nader uitgewerkt moeten worden, met name die over de hervorming van het kiesstelsel, de opheffing van de provincies en de vervanging van de Eerste Kamer door een Reflectiekamer. Het partijcongres sprak zich wel uit voor een correctief referendum en een referendum over grondwetsherzieningen, maar niet voor een wetgevend referendum op initiatief van burgers (ook wel volksinitiatief genoemd).

Gekozen burgemeester

Op 22 maart stemde de Eerste-Kamerfractie van de PvdA tegen het kabinetsvoorstel om de benoeming van de burgemeester uit de grondwet te schrappen (zie ook in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’). De senatoren waren weliswaar geen voorstander van benoeming, maar de inhoudelijke bezwaren leken niet onoverkomelijk. Zij koesterden echter wel ernstige be­zwaren tegen de haast waarmee minister De Graaf voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties de procedure wilde veranderen en al in 2006 burgemeesters wilde laten kiezen. Politiek leider Bos en partijvoorzitter Koole betreurden het besluit van de Eer­ste-Kamerfractie, dat tot gevolg had dat het voorstel werd verworpen en De Graaf aftrad. De Tweede-Kamerfractie had in 2004 in meerderheid vóór het voorstel gestemd (zie Jaaroverzicht 2004). Bos had overigens op het Politiek Forum op 19 maart wel begrip getoond voor de argumenten van de senatoren. Oud-senator en hoogleraar parlemen­taire geschiedenis J.T.J. van den Berg vroeg zich echter af waarom zijn partij zich tot erfgenaam maakte van de regenten die in de negentiende eeuw Thorbecke’s hervormingen tegen trachtten te houden (NRC Han­delsblad, 21 maart 2005). D66-politici lieten zich nog scherper uit over het optreden van de PvdA-senatoren: ‘de partij van de achteruitgang’, ‘dat soort tuig daar’, ‘eens een rat, altijd een rat’ (de Volkskrant, 23 maart 2005). Andeweg, voorzitter van de PvdA-project­groep Democra­tie en Bestuurlijke Vernieuwing, beschuldigde de Eerste Kamer van ‘ongrondwettelijke usurpatie van bevoegdheden’ en verweet zijn partij­genoten hun ‘onbe­schaamde machtspolitieke spel’ (NRC Handelsblad, 23 maart 2005). Senator E.C.M. Jurgens kaatste de verwijten terug en meende dat juist de regeringspartijen regentesk gedrag hadden vertoond door de verkiezing van de burgemeester zonder raadpleging van de kiezers of de gemeenten door te willen drukken. Fractievoorzitter H.C.P. Noten gaf toe dat hij de ontstane crisis niet had voorzien. Hij had verwacht dat de regeringspartijen uiteindelijk meer concessies zouden doen.

Referendum Europese grondwet

Op 1 mei gaf Bos bij de landelijke viering van de Dag van de Arbeid in Nijmegen het start­schot voor de campagne van zijn partij voor het referendum over de Europese grondwet (zie ook in deze Kro­niek onder ‘hoofdmomenten’). De PvdA was vóór; volgens Bos zou Europa met de grondwet ‘socialer, veiliger, slagvaardiger, minder bureaucratisch en democratischer’ worden (NRC Handelsblad, 2 mei 2005). De PvdA-leider merkte tijdens de campagne bij gesprekken aan de voordeur dat veel kiezers hem weliswaar goed gezind waren, maar zich toch niet lieten overtuigen om voor de grondwet te stemmen. De PvdA kreeg steun in de campagne van oud-premier Kok en de aftredend voorzitter van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), L. de Waal.

Binnen de partij roerden zich echter ook tegenstanders van de grondwet, onder meer via een artikel in de Volkskrant (21 mei 2005). Tot de dissidenten behoorden bekende sociaal-demo­craten zoals oud-minister (en oud-VARA-voorzitter) M.P.A. van Dam, medewerkers van de WBS en oud-kamerleden zoals mevr. M. Wagenaar. Laatstgenoemde publi­ceerde in mei Het einde van de buitenspelcultuur. Een democratisch antwoord op het populisme, waarin zij onder meer de grondwet ver­wierp als te weinig democratisch. Uiteindelijk bleken zich (vol­gens peilingen en kiezersonderzoek) onder de PvdA-kiezers meer tegenstan­ders dan voorstanders van de grondwet te bevinden.

Op het Politiek Forum op 11 juni te Utrecht werden de gevolgen van het referendum besproken. Koole kondigde een werkgroep aan die een nieuwe consensus (binnen de partij) over Europa zou zoeken. Ook op de bijeenkomst van de Partij van Europese Sociaal-democraten (PES) op 24 juni in Wenen werd aandacht besteed aan het referendum, met name door Bos. In zijn toespraak merkte hij op dat zijn partij het federalisme achter zich had gelaten en meer zag in een brede economische unie die zou kunnen samengaan met een smallere politieke unie.

Op 13 oktober verscheen reeds een notitie van de nieuwe werkgroep, voorgezeten door Koole en Duivesteijn, onder de titel Europa: vertrou­wen herwinnen. De werkgroep, die bestond uit zes kamerleden, de internationaal secretaris, een europarlementariër en enkele andere deskundigen, koos voor een benadering die weliswaar niet euroscep­tisch maar wel ‘meer Euro-kritisch dan totnogtoe’ zou zijn ‘om het vertrouwen van de kiezers te herwinnen’. De interne markt van de Europese Unie zou minder dominant moeten worden en meer ruimte voor publieke belangen moeten laten. De PvdA streefde niet zozeer naar een steeds hechtere unie, maar naar ‘eenheid in verscheidenheid’ in Europa. ‘We moeten terug naar onze roots’, zo lichtte Duivesteijn de nota toe (Trouw, 14 oktober 2005).

Tweede-Kamerverkiezingen 2007

Al in januari werd duidelijk dat Bos zich kandidaat zou stellen voor het lijsttrekkerschap bij de komende Kamerverkiezingen – die toen in 2007 verwacht werden. Formeel zouden de leden de lijsttrekker mogen kie­zen, maar zowel Bos als Koole lieten doorschemeren dat ze niet veel behoefte hadden aan een interne strijd tussen kandidaten. In februari werd bekend dat P. Scheffer, publicist en bijzonder hoogleraar ‘groot­stedelijke problematiek’ aan de Universiteit van Amsterdam, serieus overwoog zich ook kandidaat te stellen. Hij vreesde dat de PvdA met Bos als lijstaanvoerder de verkiezingen niet zou winnen. Uiteindelijk zou hij pas in juli 2006 besluiten af te zien van een kandidatuur.

In 2004 had het partijbestuur al een commissie ingesteld om een nieuwe procedure voor de kandidaatstelling te ontwerpen (zie Jaaroverzicht 2004). De commissie onderzocht verschillende opties. De meest radicale mogelijkheden, zoals een schriftelijke stemming over alle kandidaten door de leden thuis of door een ledencongres, werden spoedig verworpen. De commissie wilde de vaststelling van de kandi­datenlijst aan het partijcongres overlaten, volgens de bestaande proce­dure, maar voorafgaand aan dat congres zouden in elke provincie de leden één van de eerste dertig kandidaten op de lijst mogen aanwijzen. Het congres zou de volgorde op de lijst blijven bepalen.

Het partijbestuur legde het congres op 9 december dit voorstel voor, naast een variant waarbij in elke kieskring de leden één van de eerste veertig kandidaten mochten aanwijzen. Het congres verwierp echter beide varianten en koos voor een derde optie: de huidige procedure zou blijven bestaan – waarbij het partijcongres alle kandidaten aanwijst – maar met een ‘verscherpte opdracht aan het partijbestuur’ om bij de kandidaatstelling meer rekening te houden met regionale componenten.

Gemeenteraadsverkiezingen 2006

Lijsttrekkers voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 konden voor het eerst in de PvdA door de leden direct gekozen worden, indien zich meer dan één kandidaat aanmeldde. In 22 gemeenten gebeurde dat ook. In Rotterdam brak de strijd al vroeg los. Deelgemeente­wethouder D. Schrijer meldde zich in juli aan, gevolgd door fractievoorzitter B. Creemers en later door M. van Muijen en het Tweede-Kamerlid E.P. van Heemst. Laatstgenoemde kreeg de meeste stemmen. Bijna de helft van de ruim 2.100 leden van de afdeling had een stem uitgebracht. In Amsterdam stelde zich aanvankelijk alleen fractievoorzitter L. Asscher kandidaat voor de functie. Pas in september diende zich mevr. M. van Diggelen, oud-voorzitter van het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer, als tegenkandidaat aan. Asscher kreeg een ruime meerderheid van de stemmen. De opkomst was lager dan in de Maasstad: iets meer dan een kwart van de leden had een stem uitgebracht. Asscher publiceerde in november zijn toekomstvisie op de stad onder de titel Nieuw Amster­dam. In Den Haag konden de leden kiezen tussen twee wethouders, M. Norder en mevr. J. Klijnsma (overigens ook voorzitter van het Centrum voor Lokaal Bestuur – CLB – van de PvdA). De laatstgenoemde werd met iets meer dan de helft van de 800 uitgebrachte stemmen gekozen. In Utrecht werd fractie­voorzitter mevr. R. den Besten zonder tegenkandi­daten als lijsttrekker aangewezen. In Assen en Tilburg werden wethou­ders tot lijsttrekker gekozen, in Amersfoort en Bergen op Zoom een zittend raadslid.

Het CLB stelde voor het eerst sinds 1978 een basisprogramma op, getiteld Ambities en vertrouwen, als leidraad voor de afdelingen. Een eerste aanzet werd gegeven op een conferentie op 26 februari in Utrecht, waar deelnemers hun eigen programma mochten schrijven. Als vervolg hierop hield het CLB themabijeenkomsten op 16 april en 21 mei, even­eens in Utrecht. Partijvoorzitter Koole hield op 16 april een rede getiteld ‘Wibaut komt nooit meer terug’, waarin hij modern en inspirerend leiderschap verdedigde ten opzichte van het autoritair en afdwingend leiderschap van vroeger. Op 18 juni werd in Breda het basisprogramma gepresenteerd tijdens het Festival van het Binnenlands Bestuur dat het CLB elk jaar organiseerde. De Leuvense (socialistische) burgemeester L. Tobback leverde commentaar op het program, dat hij nuttig maar te defensief vond. De eveneens uitgenodigde Rotterdamse wethouder M. Pastors (Leefbaar Rotterdam) achtte het programma slaapverwekkend. Zelfs Van Heemst oordeelde kritisch over het document, dat duidelijker en scherper had moeten zijn.

Zeven ‘medewerkers regionale steunpunten’ werden aangesteld om de campagnes in hun regio te ondersteunen door middel van trainingen, uitwisseling van ervaringen en gezamenlijke activiteiten. Ook na de campagne zouden zij activiteiten regionaal blijven coördineren.

Gedragscode

In oktober stelde het partijbestuur op basis van het advies van een werkgroep een gedragscode vast voor politici, met betrekking tot zaken als belangenverstrengeling, nevenfuncties en nevenverdiensten, decla­raties, giften en belangen in ondernemingen. PvdA-politici zouden neveninkomsten, giften en belangen in ondernemingen moeten melden.

Verkiezing nieuwe partijvoorzitter

In juni kondigde Koole aan zich niet nog een keer herkiesbaar te stellen als partij­voor­zitter. Hij zou in januari 2006 hoogleraar politicologie in Leiden worden. Ook de vice-voor­zitter, P. van der Velden, en enkele andere bestuursleden stelden zich niet herkiesbaar.

Kandidaten voor het voorzitterschap konden zich vanaf 1 juli opgeven, mits ze daarbij vijftig ondersteuningsverklaringen van partijgenoten konden overleggen. Als eerste kandidaat meld­de zich in augustus P. van de Rijt, leraar en oud-bestuurder van de voetbalclub FC Volendam. Hij trok zich echter al in september terug vanwege kritiek op zijn verleden: als voetbal­be­stuur­der was hij veroordeeld voor valsheid in geschrifte. Als tweede stelde mevr. A.M. Hoog­land, voorzitter van het stadsdeel Amsterdam Westerpark, zich kandidaat. In september voeg­den zich daarbij mevr. A.M.C. Goedmakers oud-partijbestuurder en lid van het Europees Parlement van 1989 tot 1994; M. van Hulten, die in de periode 1999-2004 eveneens euro­parlementariër geweest was; H.M. Logtens, vroeger voorzitter van de Nederlandse Bond van Huurders; en ter elfder ure het Eerste-Kamerlid Middel. De kandidaten presenteerden zich op 24 september op het Politiek Forum te Utrecht en vervolgens op een viertal regionale bijeenkomsten in oktober. Middel trok zich echter begin oktober terug en aanvaardde een benoeming als burgemeester van de Friese gemeente Smallingerland.

Op 1 november werd de uitslag in Den Haag bekend gemaakt. Van de ruim 20.000 leden (ruim een derde van het totaal) die een stem hadden uitgebracht, gaf 43 procent de voorkeur aan Van Hulten. Na herver­de­ling van de stemmen (waarbij tweede en derde voorkeuren werden mee­ge­rekend) werd hij voorgedragen voor het voorzitterschap. Het partij­congres bevestigde de keuze op 9 december in Utrecht. In zijn congres­rede kondigde Van Hulten aan, het beleid van Koole voort te willen zet­ten en de partij verder te democratiseren. Vice-voorzitter werd mevr. S. de Jong, scheidend burgemeester van Leek. Het nieuwe partijbestuur telde voor het eerst meer vrouwen dan mannen. In zijn afscheidsrede sprak Koole de hoop uit dat het kabinet-Balkenende spoedig vervangen zou worden door een kabinet-Bos.

Kort voor zijn afscheid had Koole een essay het licht doen zien getiteld Links van het midden, of: waarom ik sociaal-democraat ben, dat onder de leden van de partij verspreid werd. Hierin gaf hij een persoonlijk getinte toelichting op de ideologie van zijn partij, zoals die in het nieuwe beginselprogram verwoord werd.

Partijcongres 9 december

In de loop van 2005 verschenen een aantal rapporten van projectgroepen binnen de PvdA, die alle op het congres op 9 december werden behan­deld.

Op 26 april presenteerde partijbestuurder en organisatieadviseur S. de Waal het rapport Zorg voor een gezond leven in Den Haag aan partij­voorzitter Koole. De door De Waal voorgezeten Projectgroep Zorg deed hierin aanbevelingen voor een eenvoudiger zorgstelsel, dat door preven­tieve maatregelen de verschillen tussen arm en rijk zou verkleinen en de patiënt meer macht en inzicht zou bieden. Langdurige zorg zou op gemeentelijk niveau geregeld moeten worden. In oktober verscheen Goed wonen: voor iedereen, van iedereen, een rapport van de Project­groep Wonen onder voorzitterschap van P. Boelhouwer. Om de keuze­vrijheid op de woning­markt te bevorderen wilde de projectgroep woningbouwverenigingen meer ruimte geven, maar ook verantwoording laten afleggen. Kopen zou niet bevoordeeld moeten worden boven huren, maar andersom evenmin. Een woontoeslag zou zowel huursubsi­die als hypotheek­rente­aftrek moeten vervangen. In december verscheen Vreedzaam veilig. Een sociaal-democratische koers in een verande­rende wereld, een rapport dat was opgesteld door de Projectgroep Internationale vrede en veiligheid. Hierin werd in kort bestek de aanpak van internationale problemen als armoede, terrorisme, de wapenwed­loop, Europese samenwerking, het Midden-Oosten en internationale misdaad besproken. Op 6 december verscheen De Wet van Wederkerig­heid, een notitie van de Projectgroep Verzorgingsstaat, die geleid werd door senator Noten. Op grond van een beknopte historische analyse stelde de projectgroep dat de verzorgingsstaat berust op drie waarden: wederkerigheid, vertrouwen en ondeelbare verantwoordelijkheid. De notitie bevatte een aantal concrete voorstellen om werkloosheid te verminderen en de participatie te vergroten.

Verwante instellingen en publicaties

Het Tweede-Kamerlid mevr. M.I. Hamer presenteerde op 23 februari een ‘Leerlingen popu­latie­plan’ om spreiding van achterstandsleerlingen over openbare èn bijzondere scholen te bevorderen zonder de keuzevrij­heid van ouders te beperken. In augustus publiceerden de Tweede-Kamerleden J. R.V.A. Dijsselbloem en mevr. N.A. Kals­beek Tussen regels en realiteit. Een praktijkonderzoek. Aan de hand van concrete observaties bij jeugdhulp­ver­lening, sociale diensten en verpleegtehuizen stelden ze vast dat regelgeving en regerings­beleid vaak slecht aansloten bij de realiteit in de publieke sector. Op 7 november verscheen De kracht van kunst van de hand van mevr. H. Tammes en de Tweede-Kamerleden mevr. M. Busse­maker en J.A.W.J. Leerdam. De auteurs stelden hierin maatrege­len voor om de participatie aan culturele activi­teiten te bevorderen, met name bij jongeren en allochtonen. De overheid zou de verdeling van subsidiegelden voor kunst en cultuur aan een zelfstandig bestuursorgaan moeten overlaten. Op 21 november ver­scheen Een goede ontwikkeling. Internationale samenwerking in soci­aal-democratisch perspectief, geschreven door een commissie onder leiding van het Tweede-Kamerlid A.G. Koenders. De commissie, waar­van ook medewerkers van de EVS deel uit­maak­ten, deed enkele con­crete aanbevelingen zoals meer nadruk op corruptiebestrijding en rurale ontwikkeling, en de instelling van een minister van Internationale Samenwerking.

Op 26 februari organiseerde de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bu­reau van de PvdA , in Utrecht een conferentie over ‘Links en de moraal’. Aan het eind van de conferentie ging Bos in debat met GroenLinks-leider Halsema; daarbij vielen de overeen­komsten meer op dan de verschillen. In maart verscheen Tegendraadse beschou­wingen, een bundel eerder gepubliceerde artikelen van R. Cuperus. Hij was tot 1 januari eindredacteur geweest van het door de WBS uitgege­ven blad Socialisme & Democratie. Op 29 maart presenteerde de adjunct-directeur van de WBS, F. Becker, het boek Leergeld. Sociaal-democratische onder­wijspolitiek in een tijd van nieuwe verschillen aan het Tweede-Kamerlid Hamer. Het boek bevatte een kritische visie op het onderwijsbeleid van de PvdA van de hand van de socioloog S. Karsten en de hoogleraar onderwijskunde W. Meijnen, met commentaar van onder meer de Tweede-Kamerleden Hamer en J. Tichelaar. Op 1 april organiseerde de WBS samen met anderen een conferentie over de toekomst van de sociale zekerheid in Amsterdam. De inleidingen werden onder redactie van P. de Beer, Bussemaker en WBS-directeur Kalma later in het jaar gebundeld en uitgegeven onder de titel Keuzen in de sociale zekerheid. Op de conferentie presenteerde de WBS Nieuwe vormen van solidariteit. Sociaal-democratische beginselen en de ver­zorgingsstaat, geschreven door de hoogleraar sociologie R. van der Veen. Om de voor een verzorgingsstaat vereiste solidariteit te behouden zou men die kleinschaliger moeten organiseren, waarbij ook meer nadruk op individuele verantwoordelijkheid gelegd zou dienen te worden. Over hetzelfde onderwerp publiceerde de WBS in samenwer­king met de Tweede-Kamerfractie het rapport Zonder visie geen toe­komst? Zeven bijdragen over de verzorgingsstaat, onder redactie van Bussemaker, Kalma en M. van Leeuwen. Naast bijdragen van hun hand bevatte de bundel onder meer een beschouwing van van oud-senator D.J.Wolfson. In juni verscheen Kerndepartementen. Een nieuwe over­heid – ook aan de top, een kritische studie van T. Horrevorts en R. Pans over bureaucratie en bestuurlijke vernieuwing met commentaren van verschillende deskundigen en oud-politici. Oud-minister van Binnen­landse Zaken K.G. de Vries nam het eerste exemplaar op 6 juni in ontvangst. In september verscheen de brochure De publieke omroep verdient beter. Een toekomstplan van de PvdA, geschreven door het Tweede-Kamerlid M.H.P. van Dam, Becker en Cuperus, waarin werd aanbevolen dat de omroepverenigingen zouden fuseren tot drie net­organisaties met elk een eigen ‘branding’. Het jaarboek van de WBS had als thema cultuur­politiek en bevatte onder meer een terugblik van F. van der Ploeg op zijn staats­secretariaat van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het tweede kabinet-Kok (1998-2002). In november publiceerde de WBS samen met haar Duitse en Oostenrijkse zusteror­ganisaties de bundel Public discourse and welfare state reform, waaraan Becker en Cuperus een bijdrage leverden over de ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat.

Op 4 en 5 juni hielden de Jonge Socialisten (JS), de jongerenorganisatie van de PvdA, hun voor­jaarscongres in Amsterdam. Ze kozen penning­meester R. Zandvliet tot voorzitter, als opvol­ger van R. Wilhaus. Bovendien werd een nieuwe hoofdredacteur voor LAVA, het ledenblad van de JS, gekozen. PvdA-leider Bos sprak in zijn toespraak de wens uit dat de JS meer leden èn meer invloed op de PvdA zouden krijgen, maar ook zichzelf zouden ver­nieuwen. Op 26 en 27 november congresseerde de JS in Groningen, waar onder meer gediscussieerd werd over de Europese grondwet, het platteland en hoger onderwijs.

De Evert Vermeer Stichting (EVS), die zich bezig houdt met ontwikke­lingssamenwerking, organiseerde de jaarlijkse Afrikadag op 16 april in Utrecht. Oud-minister van Ontwikkelings­samenwerking J.P. Pronk sloot de bijeenkomst af.

De Alfred Mozer Stichting verzorgde in 2005 evenals in voorgaande jaren trainingen en bijeenkomsten voor geestverwanten uit Midden- en Oost-Europa. In samenwerking met enkele andere organisaties organi­seerde ze op 13 en 14 mei in Den Haag en Amsterdam een internatio­nale conferentie over de Balkan onder de titel ‘Wave of resistance’.

Het Centrum voor Lokaal Bestuur (CLB) organiseerde op 18 juni in Breda het jaarlijkse festival voor het binnenlandse bestuur. J.S.T. Fransman, medewerker van het CLB, presenteerde hier zijn rapport Crisisverschijnselen in de lokale politiek. Een onderzoek naar politieke versnippering van gemeenteraden. Op 30 september vond in Alkmaar de jaarlijkse burgemeestersdag plaats en op 12 november in Lelystad de Statendag, waar Bos en het Tweede-Kamerlid A.J.W. Boelhouwer in gesprek gingen met de Statenleden over de toekomst van het platteland en neveninkomsten van provinciebestuurders.

Het Kenniscentrum van de PvdA organiseerde een serie ‘oppositiede­batten’ over diverse actuele onderwerpen in verschillende plaatsen, en publiceerde in december een aantal bijdragen en gesprekken hierover onder de titel Oppositie. Op 12 november organiseerde het Kenniscen­trum het ‘Kennisfestival’ in Leiden. Hoofdthema was ‘burgerzaken’.

Personalia

Op 15 januari overleed de socioloog H.A.A. Molleman, die van 1976 tot 1979 lid van de Tweede Kamer was geweest.

Op 12 februari overleed M. van der Goes van Naters, Tweede-Kamerlid van de Sociaal-Demo­cratische Arbeiderspartij (SDAP) van 1937 tot 1946 en vervolgens van de PvdA tot 1967, waarbij hij van 1945 tot 1951 deze fracties voorzat.

Op 31 juli overleed de econoom W.F. Duisenberg, van 1973 tot 1977 minister van Financiën, daarna korte tijd lid van de Tweede Kamer en vervolgens van 1982 tot 1997 president van De Nederlandsche Bank en van 1998 tot 2003 president van de nieuwe Europese Centrale Bank.

Op 20 oktober overleed A.A. van der Louw, partijvoorzitter van 1971 tot 1974, vervolgens burgemeester van Rotterdam en in 1981-1982 minister van Cultuur, Recreatie en Maat­schappelijk Werk. Ook was hij lid van de Tweede Kamer in 1971 en 1982-1983. Bijna twee maanden na zijn overlijden verscheen De razendsnelle opmars van Nieuw Links, een persoonlijk getinte maar toch ook kritische geschiedenis van deze mede door hem opgerichte beweging in de tweede helft van de jaren zestig.

Op 21 oktober overleed mevr. K.Y.I.J. Adelmund, lid van de Tweede Kamer sinds 2002 en van 1994 tot 1998, partijvoorzitter van 1997 tot 1998 en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 1998 tot 2002.

Op 11 november presenteerde R. Oudkerk zijn herinneringen aan de periode 1993-2005 onder de titel Geen weg terug. De schrijver was in 2004 als wethouder afgetreden vanwege publicaties over cocaïnege­bruik en bezoek aan prostituees (zie Jaaroverzicht 2004).

Laatst gewijzigd:11 april 2023 10:43