Skip to ContentSkip to Navigation
About us Faculty of Law Law for Society
Header image Recht & Samenleving

Teruggave van koloniale collecties in Nederland: eerste belangrijke stappen

Datum:21 november 2023
mr. dr. V.M. (Vanessa) Tünsmeyer
mr. dr. V.M. (Vanessa) Tünsmeyer

Auteur: mr. dr. Vanessa Tünsmeyer
Ongeveer drie jaar geleden verscheen het ‘Advies Koloniale Collecties en Erkenning van Onrecht’, geschreven door de Commissie-Gonçalves. Het advies was een signaal voor een nieuwe benadering waarmee de Nederlandse maatschappij, musea en de overheid met koloniale collecties zouden moeten omgaan. Het richtte een kritische blik op de koloniale geschiedenis van het land en de koloniale collecties die nog steeds getuigen van deze geschiedenis en de huidige gevolgen daarvan voor mensen en landen wereldwijd. Verdere stappen in deze richting zijn de teruggave van cultuurgoederen aan Sri Lanka en Indonesië, de nieuw ingestelde Commissie Koloniale Collecties en tentoonstellingen binnen Nederland waarin musea met een nieuwe blik hun collectie hebben bekeken.

Mensenrechtelijke belangen
Desondanks resteert er nog veel werk. Dit is niet verrassend: zoals in het advies en de daaropvolgende beleidsvisie al is benoemd, hebben de koloniale collecties een grote omvang. Maar afgezien van de omvang van de taak die voor ons ligt, zijn er ook belangen waarmee tot nu toe onvoldoende rekening wordt gehouden. Bijvoorbeeld de rechten van inheemse groepen in de landen van herkomst van de voorwerpen. Dit is een gevolg van de focus van de beleidsvisie (en het advies) op teruggave als een onderwerp tussen staten, en het gebruik van teruggave als een diplomatiek instrument om verschillende doelen te bereiken.

De rechten van inheemse groepen op toegang tot hun cultuurgoed beïnvloeden de teruggave niet als de verzoekende overheid dit niet wil. Dat is vanuit het perspectief van staatssoevereiniteit en op basis van diplomatieke belangen begrijpelijk en lijkt misschien zelfs de ”gemakkelijke oplossing”.  Op deze manier voorkom je dat Nederland eisen stelt aan landen die koloniën waren. Zoals terecht in het advies is benadrukt, moeten we waken voor een neokoloniale herhaling van het verleden. De Nederlandse overheid en musea blijven dan buiten een aangelegenheid binnen het land dat het voorwerp terugvraagt.

Een punt dat in de discussie binnen Nederland niet wordt genoemd, blijkt hier wel belangrijk: ongetwijfeld heeft het land van herkomst ook plichten op basis van verdragen over mensenrechten en moet het sowieso bekijken hoe het deze zal implementeren. Je zou dus kunnen zeggen: iedere internationale teruggave vanuit Nederland biedt tegelijkertijd de kans binnen het land van herkomst om toegang tot cultuurgoed te realiseren of deze cultuurgoederen zelfs terug te geven aan de afstammelingen van de oorspronkelijke eigenaar/gemeenschap (denk bijvoorbeeld aan de Oba en de Benin Bronzen).

Er zijn ook nog andere afwegingen en tegenargumenten (bijv. plichten van de Nederlandse overheid tegenover mensen in het buitenland op basis van de acties van die overheid). Voor deze bijdrage lijkt het voldoende om te benadrukken dat een teruggave tussen staten in ieder geval niet inhoudt dat de rechten van inheemse volkeren binnen het land van herkomst van het voorwerp verdwijnen. Rechten van inheemse volkeren binnen een land waar overheid en inheemse volkeren wonen zijn niet alleen ethische richtlijnen, maar ook wettelijke plichten. Hiervoor is het niet van belang dat deze rechten onvoldoende zijn beschermd in het Nederlandse beleidskader (hoe onbevredigend dit ook mag zijn).

Een manier om deze situatie te verbeteren, zou dus kunnen zijn om de procedures voor teruggave binnen landen van herkomst te versterken en meer ruimte binnen de Nederlandse beleidsvisie voor inheemse volkeren te maken als er sprake is van een verzoek op basis van het culturele belang van het voorwerp voor de betrokken gemeenschappen (categorie 2 in de beleidsvisie -bijzondere betekenis voor het herkomstland). 

Lessen uit andere landen - voorbeeld VS
Voor versterking van de rechten van inheemse groepen kunnen we ook leren van landen die al decennialang met teruggaven aan inheemse volkeren bezig zijn (zoals de VS). Natuurlijk zijn er grote (en belangrijke) verschillen tussen de wet die teruggave binnen de VS regelt - de NAGPRA (Native American Graves Protection and Repatriation Act) - en het Nederlandse beleidskader. De NAPGRA is vooral een nationaal voorstel, en de geografische afstand tussen overheid/musea/inheemse volkeren is niet zo groot als dit het geval is voor teruggaven die onder de Advies Koloniale Collecties vallen. Maar uit de NAGPRA kan men ook lessen leren die wel van toepassing kunnen zijn voor Nederland. Ik benoem vier van die lessen.

Les 1: Inventarisatie
De Amerikaanse procedure baseert zich op een sterk wettelijk kader uit 1990. Deze wet (en de daarop gebaseerde regelgeving) heeft culturele instellingen tot inventarisatie van bepaalde “Native American” of “Native Hawaiian" cultuurgoederen verplicht. Die inventarisatie moet in samenwerking met de gemeenschappen plaatsvinden die de objecten hebben gecreëerd. Deze wettelijke verplichting tot inventarisatie in combinatie met het openbaar maken van de resultaten van de inventarisatie, na overleg met gemeenschappen waarvan het redelijk is om aan te nemen dat het object daar vandaan komt, is een belangrijke eerste stap om teruggave te realiseren. Zonder deze informatie wordt het moeilijk om een verzoek tot teruggave in te dienen.

Inventarisatie is ook een belangrijk punt in het adviesrapport. Het opzetten van Pilotproject Provenance Research on Objects of the Colonial Era (PPROCE) door NIOD is een veelbelovende eerste stap naar een uitgebreide register van koloniale collecties binnen Nederland. De volgende stap is hopelijk een duidelijk uitgebreide inventarisatie in combinatie met een database van objecten die voor iedereen online beschikbaar is. Dit zou natuurlijk tijd kosten, maar is absoluut noodzakelijk.

Les 2: Consultatie en coöperatie
Consultatie en coöperatie met betrokken inheemse gemeenschappen is niet alleen vanuit het mensenrechtelijke perspectief noodzakelijk, maar kan ook belangrijke informatie over de collecties leveren die noodzakelijk is voor teruggave. Het reglement van de Commissie Koloniale Collecties geeft de verzoeker (dus het land) de mogelijkheid om de belangen aan te geven die voor een teruggave spreken. Stel dat er in het land van herkomst sprake is van belangen van een inheemse gemeenschap in een verzoek tot teruggave in Nederland. Een minimale verbetering zou dan kunnen zijn dat een vertegenwoordiger van de gemeenschap er ook bij betrokken wordt (dit is belangrijk in het licht van de artikelen 11, 12, 19 en 31 uit de Verklaring van de Verenigde Naties over de Rechten van Inheemse Volkeren van 2007). 

Les 3: Vertegenwoordiging in het besluitvormingsorgaan
Op basis van de NAPGRA is er in de VS een zogenoemde “Review Comittee” opgezet, die advies geeft en conflictoplossend werkt. Deze commissie bestaat uit drie inheemse leden, drie vertegenwoordigers van musea en een zevende lid dat wordt benoemd door de andere zes leden van de commissie. De Commissie Koloniale Collecties bestaat uit vier vaste leden met de mogelijkheid voor de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om een vijfde lid te benoemen indien “specifieke expertise op een bepaald gebied gewenst is”. Een verandering hier zou kunnen zijn om per adviesverzoek een persoon uit de gemeenschap van herkomst of tenminste het land van herkomst als ad hoc lid te benoemen, mogelijk op basis van een register van landelijke en inheemse experts. 

Les 4: Maak de belofte om teruggave bindend
Ten slotte bestaat een groot verschil tussen de NAGPRA en de beleidsvisie. Dit omdat het wettelijk kader van NAGPRA een recht tot teruggave bevat, mits aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Het Nederlandse systeem blijft afhankelijk van de wil en het commitment van toekomstige regeringen. Maar dit hoeft niet zo te zijn. Andere voorbeelden, net als de NAGPRA, laten zien dat het mogelijk is om een procedure op een manier op te zetten die wettelijk bindende rechten en plichten tot stand brengt binnen een procedureel kader. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat beide partijen op meer gelijke voet komen te staan.

Conclusie
Het Nederlands beleidskader voor koloniale collecties heeft dus wel al iets bereikt binnen de afgelopen drie jaar, en sommige van de gekozen voorwaarden in het beleidskader zijn zowel verstandig als ook noodzakelijk. Vanzelfsprekend kan het altijd beter. De kwestie over betere bescherming van de rechten van inheemse volkeren binnen het beleidskader en de vraag of teruggave een verplichtend karakter zou moeten krijgen, blijft in het huidige systeem helaas onbeantwoord.