Een zonnecel is zoveel méér dan zijn efficiëntie

Jan Anton Koster noemt zichzelf gekscherend de device doctor. Collega-onderzoekers van over de hele wereld kunnen bij deze RUG-hoogleraar terecht als ze willen weten: waarom is mijn zonnecel niet zo goed als ik had gehoopt? Koster ontdekte onder andere dat een eenvoudige meting inzicht geeft in waar in een zonnecel energie verloren gaat en dat een veelgebruikte meting vaak nét verkeerd wordt uitgevoerd.
FSE Science Newsroom | Charlotte Vlek
Stel, je maakt een mooie nieuwe zonnecel, bijvoorbeeld een van perovskieten. Dan kun je allerlei metingen gaan doen: hoeveel vermogen levert het ding bij verschillende lichtintensiteiten, of bij verschillende kleuren uit het spectrum. ‘Ik wil graag precies snappen hoe we die metingen moeten interpreteren,’ vertelt Koster. ‘En hoe wetenschappers die kunnen gebruiken om hun zonnecel te verbeteren.’
Als je goed snapt wat je meet, helpt dat je weer om nieuwe materialen te ontwikkelen
Het opgewekte vermogen zegt natuurlijk iets over efficiëntie, legt Koster uit. Dé efficiëntie van een zonnecel is heel strak gedefinieerd: het is een standaard-meting onder wit licht bij 25 graden Celsius en met een vaste lichtintensiteit. ‘Er worden al jarenlang wereldrecords bijgehouden van zonnecellen die onder die specifieke omstandigheden in het lab een hoog vermogen weten op te wekken. Groningen staat trouwens ook in die lijst, dat is een record van lang geleden. Maar er is zoveel meer te meten, en als je goed snapt wat je meet, helpt dat je weer om nieuwe materialen te ontwikkelen.’
Een eenvoudig blauw en rood ledje
Koster ontdekte met zijn team dat je op een vrij eenvoudige wijze een aantal metingen kunt doen met verschillende kleuren licht, en uit die combinatie van metingen kan afleiden waar in de zonnecel energie verloren gaat. Een typische zonnecel bestaat uit een middenlaag van bijvoorbeeld perovskieten, dat noemt men de bulk. Daarboven en daaronder zitten twee lagen die de opgewekte elektrische lading moeten afvoeren, waardoor een stroompje gaat lopen. ‘Wij hebben laten zien dat een vergelijking van metingen bij rood en blauw licht laat zien waar het grootste energieverlies zit: in de bulk, tussen bulk en bovenlaag, of tussen bulk en onderlaag.’
Een eenvoudig blauw en rood led-lampje, dat is alles wat ervoor nodig was, vertelt Koster. Een heel simpel experiment eigenlijk. ‘Al mijn collega’s zouden zulke ledjes moeten kopen! Het zou ze helpen om zonnecellen nog beter te maken.’ Ook bij andere technieken is dat Kosters drijfveer: door op de computer precies te simuleren wat er in zo’n zonnecel gebeurt, ontwikkelt hij gerichte experimenten waarmee we zonnecellen veel beter kunnen doorgronden. ‘Een collega van me zegt altijd: we maken heel veel zonnecellen, maar we denken er niet genoeg over na.’
Eenvoudig te meten, lastig te interpreteren
Vaak werd het experiment net niet helemaal goed uitgevoerd. Wij hebben laten zien dat je dan steeds hetzelfde meetresultaat krijgt. Dus dat zegt eigenlijk niks.
Koster geeft een voorbeeld: ‘Er is een experiment dat veel onderzoekers doen, maar dat lastig te interpreteren is. Dat is het meten van de impedantie, de mate van beweeglijkheid in het materiaal. Dan zet je de zonnecel onder stroom, gelijkstroom om precies te zijn, die je een klein beetje laat fluctueren.’
Het idee was dat deze meting iets zei over hoelang elektronen in beweging blijven als ze eenmaal in beweging zijn gekomen. ‘Dat is ook wel zo, maar vaak werd het experiment net niet helemaal goed uitgevoerd: dan werd het net bij de verkeerde spanning gemeten. Wij hebben laten zien dat je dan eigenlijk steeds hetzelfde meetresultaat krijgt, of je nou een heel efficiënte zonnecel hebt, of een heel slechte. Dat zegt dus eigenlijk niks.’
Impedantie moet je meten zónder spanning en met belichting, stelt Koster. ‘En dan kun je inderdaad wel iets zeggen over hoelang de geladen deeltjes in beweging blijven. Met behulp van simulaties weten we inmiddels precies wat de piek in zo’n meting zegt. En we hebben ook ontdekt waarom je uit dat oude experiment, dus bij verkeerde spanning, eigenlijk helemaal niks kon afleiden.’
Een klant met data
Collega-wetenschappers komen nogal eens bij hem met metingen die ze zelf al hebben gedaan, vertelt Koster, met het verzoek om die te interpreteren. ‘Maar het is eigenlijk leuker om met behulp van simulaties na te denken over hoe dit soort dingen werken in het algemeen, in plaats van elk specifiek geval apart te onderzoeken.
‘We wilden ooit een zogenaamde device doctor ontwikkelen, een soort diagnostische tool waarmee je precies kunt aanwijzen op welk punt je je zonnecel kunt verbeteren,’ vertelt Koster. ‘Dat is uiteindelijk een flowchart geworden die hier aan de muur hangt. Maar het is natuurlijk ook een woordspeling. Eigenlijk ben ik die device doctor gewoon zelf.’
Lees meer:
Van fundamenteel onderzoek naar nieuwe materialen tot alledaagse toepassingen: Maria Antonietta Loi, hoogleraar fotofysica en opto-elektronica, toont al jaren aan dat deze stap niet moeilijk hoeft te zijn. Naast perovskieten richt zij zich momenteel op kwantumdots, die volgens haar zeer belangrijke toepassingen kunnen hebben in de fotodetectortechnologie: ‘Ik verwacht dat apparaten met kwantumdots een zeer belangrijke rol kunnen gaan spelen bij de detectie van infraroodlicht.’
De groene zwavelbacterie kan in extreme omstandigheden nog steeds energie halen uit licht – en dat zou wel eens een bron van inspiratie kunnen zijn voor een nieuwe generatie zonnecellen. RUG-natuurkundige Thomas La Cour Jansen onderzoekt hoe de structuur van deze bijzondere bacterie maakt dat hij zo efficiënt energie uit licht kan oogsten.
RUG-scheikundige Loredana Protesescu werkt aan stabielere, loodvrije perovskieten en ontving onlangs subsidie om een soort inkt te ontwikkelen die alle componenten van een zonnecel bevat en slechts nog uitgesmeerd hoeft te worden voor gebruik.
Meer nieuws
-
30 juni 2026
Wat een bacterie ons leert over zonnecellen