Rijksuniversiteit Groningen
Rugbalk
Reacties op DEZE pagina Abonneren op email bij wijziging 23 Jan 2003

Koos Duppen nieuwe directeur RC

Hans Kuné

Hans Kuné  a.j.kune@bureau.rug.nl
Kristien Piersma

Op 1 september a.s. begint Koos Duppen in zijn nieuwe baan als directeur van het RC. Tot die tijd is hij nog werkzaam als hoogleraar initieel onderwijs bij de Faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen (FWN) van de RUG. Hij studeerde Scheikunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, maar is door zijn promotie ook gedeeltelijk in de Natuurkunde verzeild geraakt. Na een terugkeer van een jaar naar de chemie door een baan bij het Koninklijke Shell Laboratorium Amsterdam, zit hij nu met zijn onderzoek weer op het randgebied van Schei- en Natuurkunde.Koos Duppen

Pictogram ging alvast bij de nieuwe directeur op bezoek voor een kennismakingsgesprek. Een gesprek dat begon met een minicollege over laserspectroscopie wat bij de Pictogramredactie al snel de vraag opriep: Hoe komt iemand uit de (fundamentele) onderzoekshoek bij het RC terecht?
Toen ik in 1997 tien jaar bezig was geweest met onderzoek, begon het een beetje te kriebelen. Het werd voor mij tijd om eens om me heen te kijken. Dat betekende of ergens anders heen gaan of een andere baan binnen de RUG proberen. Niet veel later kreeg ik het aanbod van de faculteit om projectleider onderwijsvernieuwing te worden.
Dat was voor mij een geheel nieuwe uitdaging, omdat ik uit de onderzoekshoek kwam. Ik geef weliswaar al jaren college, maar heb me voordien nooit beleidsmatig met onderwijs beziggehouden. Het leek me wel aardig om eens iets heel nieuws te doen en het was een interessante tijd met veel veranderingen in de bčtavakken. Ik heb toen een aantal projecten gestart en ben als projectleider onderwijsvernieuwing ook in het faculteitsbestuur terechtgekomen. De directe link met het bestuur gaf wat extra mogelijkheden om dingen voor elkaar te krijgen. Het was best complex, maar uiteindelijk is een aantal projecten inderdaad goed van de grond gekomen.
In het projectleiderschap had ik al te maken met een aantal universiteitsbrede processen zoals de introductie van de Elektronische Leeromgeving (ELO). Ik heb in de stuurgroep van het ELO-project gezeten en daardoor ben ik weer in het Webplatformproject W3 beland. Op dit moment ben ik onder andere betrokken bij de toekomstige beheersmatige inbedding van beide projecten in de bestaande organisaties van de RUG. Die discussie is nog niet afgerond.
De overstap naar het RC is eigenlijk net zo onverwacht gekomen als het projectleiderschap onderwijsvernieuwing. Het college heeft mij gevraagd of ik eventueel belangstelling had. Na twee weken bedenktijd besloot ik de uitdaging aan te nemen.

Bij de faculteiten bestaat niet altijd een even positief beeld over het RC.
Het is waar dat sommige mensen hun bedenkingen hebben. Maar in de eerste plaats ben ik het daar niet mee eens en in de tweede plaats ligt er voor mij dan de mooie taak om die beeldvorming bij te stellen. Volgens mij valt het ook wel wat mee. Het is heel normaal dat er een soort spanningsveld bestaat. Dat zie je in andere gebieden ook wel tussen een centrale organisatie – en met name een centrale ondersteunende organisatie – en decentrale eenheden. Dat is voor een belangrijk deel ook een kwestie van belangenverdediging. Wanneer er problemen zijn, ligt de waarheid vaak toch ergens in het midden. Ook op bijvoorbeeld facultair niveau worden wel eens verkeerde beslissingen genomen op ICT-gebied.

Welke richting moet het RC op?
In dit stadium kan ik over de richting van het RC nog geen concrete uitspraken doen. Wel ben ik bezig een toekomstbeeld te vormen. Als centrale organisatie heb je klanten. De primaire klanten bij een universiteit worden bepaald door de hoofdactiviteiten: onderwijs en onderzoek. Er dient dan ook overleg met die sectoren plaats te vinden om mede de richting te bepalen. Overleg met bijvoorbeeld IT-hoofden van decentrale afdelingen is ook essentieel, maar dat zijn niet de echte klanten. Direct contact met alle betrokken sectoren is belangrijk want iedere stap ertussen kan verlies van informatie betekenen.

Dat is misschien de tragiek van de ICT: op het niveau dat het efficiënt begint te worden sta je zover van de klant af dat je niet meer weet wat hij precies wil.
Ja, je ziet het bij zoiets als de Elektronische Leeromgeving Nestor, wat eigenlijk een tamelijk simpel systeem is. Op gegeven moment wordt besloten dat universiteitsbreed neer te zetten. Dat is een goed idee, want het heeft belangrijke meerwaarde voor studenten dat iedereen op hetzelfde systeem zit. Het blijkt echter dat het helemaal niet eenvoudig is om de gebruikers, studenten en docenten, zo ver te krijgen dat ze het systeem daadwerkelijk gaan gebruiken. Dat komt voornamelijk omdat de universiteit zo’n complex systeem is; er zijn heel veel verschillende mensen met verschillende achtergronden. Die moet je allemaal een beetje op één lijn proberen te krijgen.
Een ander voorbeeld is de centralisatie van e-mail accounts van studenten. Dat ligt enorm voor de hand en het is technisch niet moeilijk, maar toch heeft het allerlei problemen opgeleverd. Dus dat belooft wat voor de klussen die er nog liggen. Ik hoop dat het RC daar wel degelijk een rol in speelt en dat de meerwaarde van standaardisatie aan de universitaire gemeenschap duidelijk gemaakt kan worden. Maar je kunt het niet opleggen.

Ik denk dat het RC een duidelijke coördinerende rol moet spelen, maar ook wel zijn grenzen moet kennen. Die rol zal ook wel degelijk enigszins sturend moeten zijn, maar dan sturing zonder al te dictatoriaal te zijn, dat werkt niet goed binnen deze universiteit.
Wat bijvoorbeeld wel kan is gezamenlijke projecten met faculteiten of andere diensten opzetten. Een dergelijk model kan heel goed werken vanwege het wederzijds commitment dat ermee gepaard gaat. Want het is voor de universiteit maar ook voor het RC van groot belang dat de klanten tevreden zijn. De mensen die met onderwijs en onderzoek bezig zijn, of met administratieve processen, moeten het idee hebben dat het RC echt iets toe te voegen heeft. Communicatie op meerdere niveaus, met bestuurders, decentrale IT-afdelingen, onderwijsgevenden, onderzoekers en alle andere gebruikers van de ICT-infrastructuur van de RUG zal hier een bijdrage aan moeten leveren.

koos duppen

 

Succesvol
ICT – en dat is voor mij ook een reden om deze baan interessant te vinden – ontwikkelt zich nog steeds heel snel. Eén trend die in ieder geval al jaren duidelijk is, is dat ICT ontzettend succesvol is. Zo’n dertig jaar geleden werd er vooral door de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen op de toenmalige ‘supercomputer’ gerekend. Iedereen stond er toen van te kijken wat er allemaal mogelijk was, maar tegenwoordig is ICT zoveel krachtiger dat het veel belangrijker is geworden en veel verder is doorgedrongen.
Dat succes brengt een probleem met zich mee, namelijk dat mensen er ook echt afhankelijk van worden. Als een server down is, dan is dat buitengewoon onplezierig. En met de gevolgen van dergelijke mankementen heeft het RC te maken. Op het moment dat je verantwoordelijk wilt zijn voor de infrastructuur, dan moet je ook kunnen leveren. Natuurlijk kan niemand 100% leveren, maar waarop je dan wel aanspreekbaar bent, moet vastliggen. Dat is nieuw en mede daarom ook niet altijd fijn.

Service Level Agreements worden nu nog vaak voor deelgebiedjes vastgelegd, maar mijn verwachting is dat dergelijke overeenkomsten steeds algemener zullen worden. Deze ontwikkelingen zijn een direct gevolg van het succes van ICT. De tijd dat iedereen stond te juichen als er eens wat in de lucht was, is voorbij. Dat zullen zowel de centrale als decentrale ICT-dienstverlenende organisaties van de RUG goed moeten beseffen.

> De technologie 

is nog lang 

niet klaar <

Binnenkort is het weer tijd om een nieuwe ICT-strategie voor de RUG vast te stellen. De ICT-commissie denkt in de richting van het rapport dat door SURF is uitgebracht. Wat opvalt aan dit rapport is dat er niet meer zozeer nagedacht wordt over technologische ontwikkelingen, maar dat men vooral kijkt hoe de technologie die er is, goed ingebed kan worden in de universitaire organisaties.
In de eerste plaats denk ik dat de technologie nog lang niet klaar is. En de technologie die er is, is nog lang niet overal goed geďmplementeerd. Heel vaak is het zo dat over geweldige afstanden prachtige hoge bandbreedtekabels liggen, maar dat het laatste stukje naar de computer van de gebruiker toe dan ineens een veel tragere bottleneck is. Dat is jammer. Dus in die zin moet er nog veel aan technologische implementatie worden gedaan.
Maar ik denk wel dat het breder inzetten van ICT een belangrijke prioriteit moet zijn. Uiteraard maak je daarmee de afhankelijkheid van ICT weer groter, wat betekent dat je weer hogere eisen moet gaan stellen aan betrouwbaarheid, zoals hierboven betoogd. Als je dat echt wil gaan doen, dan is betrouwbaarheid in eerste instantie misschien nog belangrijker dan technologische mogelijkheden. Maar ik kom natuurlijk zelf uit een faculteit waar ICT vrij ver is doorgedrongen. Misschien moeten de prioriteiten eerst maar eens daar gelegd worden waar dat minder het geval is. Ook dat is natuurlijk afhankelijk van de wensen van de gebruikers zelf.

Bij het RC krijg je te maken met de nieuwe visualisatie-voorzieningen in de Zernikeborg, de Reality Cube en het Virtual Reality-theater: hoe zie je de rol van deze nieuwe voorziening?
Dit zijn voorzieningen die enigzins top-down zijn binnen gekomen, maar ze bieden veel mogelijkheden en het is van belang dat ze een succes worden. Dit betekent vermoedelijk dat het RC de boer op moet om potentiële gebruikers op de mogelijkheden te wijzen.
Externe projecten zijn natuurlijk leuk, maar ook binnen de universiteit zal men zich hopelijk in toenemende mate gaan realiseren welke mogelijkheden hier liggen. Ik denk hierbij met name aan groepen die zich al met visualisatietechnieken bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de medische hoek met MRI gebeurt. Je kan je voorstellen dat het interessant is om de 3D-informatie van dergelijke technieken niet alleen op een plat scherm van de buitenkant te bekijken, maar ook van binnenuit. De Reality Cube zou daarin een rol kunnen spelen.
Aan de andere kant moet je ook niet onderschatten wat er allemaal al aan desktop-visualisatietechnieken bestaat. Bij Biofysische Chemie gebruiken ze bijvoorbeeld röntgen-diffractie voor de structuurbepaling van moleculen, die ze vervolgens quasi-3D visualiseren. Ze zitten met van die brillen op, daar kunnen ze heel veel mee. Toch zijn er mogelijk ook voor dergelijke groepen extra faciliteiten die het RC kan bieden.

Daarnaast kan ik mij voorstellen dat er ook aantrekkelijke toepassingen zijn voor bijvoorbeeld landschapsarchitecten of ruimtelijke wetenschappers. Het zou in ieder geval mooi zijn als de projecten in toenemende mate gebaseerd zullen zijn op initiatieven van wetenschappers en onderwijsgevenden van de RUG.

Begin pagina


index Pictogram 4