Een dag te midden van computerpioniers

Jan Kraak, e-mail: j.kraak@rc.rug.nl

Het begrip pionier is betrekkelijk en er zijn mensen die zich computerpionier noemen omdat ze nog met pc's met CP/M hebben gewerkt. Maar op 17 januari 2000 was er in het Techniek Museum in Delft tijdens een symposium een aantal mensen bijeen die met recht de echte computerpioniers van Nederland kunnen worden genoemd. De gemiddelde leeftijd van de aanwezigen lag boven de zeventig. Het viel op dat ze mooi verzorgd Nederlands spraken. Veel mannen, die de meerderheid vormden, droegen een blauwe blazer: vroeger het uniform van de geslaagde wetenschapper.

foto: De ZEBRA, de eerste computer van de RUG (1958)

Rekenaarsters

Op het symposium waren ook enkele oudere dames aanwezig die in de jaren vijftig rekenaarster waren geweest op het Mathematisch Centrum (MC) in Amsterdam, nu CWI geheten. Een van hen, mevr. R. Zonneveld–Mulder, die informeel was gekleed, demonstreerde hoe er voor de introductie van de computer met handrekenmachines werd gerekend. Ze kende nog een aantal decimalen van het getal pi uit het hoofd. En haar ‘muscle memory’ kende nog precies de handelingen, nodig voor vermenigvuldigen en delen. En delen door 0 moest je vooral niet doen, want dan sloeg de machine op hol.

Grote rekenklussen werden uitgevoerd door het in ‘serie’ of ‘parallel’ te schakelen van een groot aantal rekenaarsters. Veel van het rekenwerk was routine, ondertussen werd er soms gezongen: een populair liedje maar het kon ook een psalm zijn.

Voordat ze begonnen met een grote berekening moesten ze zelf een soort plan maken voor de uit te voeren bewerkingen, je zou dat al een soort programma kunnen noemen. De overstap op programmeren in de loop van de jaren vijftig was voor veel van deze rekenaarsters dan ook niet zo groot. Later zou programmeren vrijwel uitsluitend mannenwerk worden.

Programmeurs

De rekenaarsters kregen hun opdrachten van E.W. Dijkstra, een fysicus die in 1952 in dienst was getreden van het MC om de ARRA I (Automatische Relais Rekenmachine Amsterdam, de eerste computer gemaakt in Nederland) te programmeren. Dijkstra, de eerste programmeur van Nederland, zou uitgroeien tot een van de meest invloedrijke informatici, die een voorbeeld was voor velen.

In de jaren zeventig hoorde ik op een symposium over ‘gestructureerd programmeren’, waardoor Dijkstra vooral bekend is geworden, dat een programmeur de tekst "In den beginne was Dijkstra" aan zijn muur had gehangen. Bij die gelegenheid legde Dijkstra voor een muisstille zaal iets abstracts uit aan de hand van het fladderen van een vlinder. En hij slingerde zijn banvloek uit over COBOL en FORTRAN.

Dijkstra’s eerste bekende publicatie op het gebied van gestructureerd programmeren had de aparte titel "The GOTO considered harmful"(1). Zijn unieke stijl komt ook naar voren in zijn Turing Award (de ‘Nobelprijs’ voor de Informatica) lecture "The humble programmer", waarin hij onder meer vertelt dat toen hij ging trouwen hij als zijn beroep ‘programmeur’ opgaf, wat werd geweigerd door de betreffende ambtenaar. Dijkstra, die het gaat om iets ideëels als de correctheid van programmeren, was een held van een geheel ander type dan onze huidige held Bill Gates. Helaas was Dijkstra, thans hoogleraar in Austin (Texas), niet aanwezig in Delft.

Wel was aanwezig de heer J.A. Zonneveld, hij was getrouwd met een van de leukste rekenaarsters. Samen met Dijkstra had hij de eerste ALGOL 60 compiler gebouwd die redelijk foutvrij was, zoals hij tussen neus en lippen opmerkte.

ALGOL 60 is de eerste computertaal die is ontwikkeld vanuit een bepaald concept. Het definiërende rapport, een flinterdun boekje, bevat het volgende citaat van de indertijd populaire filosoof Ludwig Wittgenstein: "Was sich überhaupt sagen lässt, lässt sich klar sagen; und wovon man nicht reden kan, darüber muss man schweigen".

Zonneveld maakte ook een numerieke procedure bibliotheek, die rekening hield met allerlei problemen inherent aan het rekenen met computers met een eindige precisie. Dat was ook wel nodig, omdat velen in de begintijd huiverig waren voor het gebruik van de computer en elke numerieke ‘uitglijder’ aangrepen om hun gelijk te bewijzen. Zo vertelde de oud-directeur van het voormalige Evoluon in Eindhoven mij dat hem het gebruik van de computer tijdens zijn promotie-onderzoek door zijn promotor was verboden.

Computerbouwers

Hij stond wel in het programma, maar helaas was W.L. van der Poel niet aanwezig. Van der Poel begon in 1944 op een zolderkamer vrijwel vanuit het niets zijn eerste relais-computer te bouwen. Deze zolderkamer is thans nagebouwd in het Techniek Museum.

Tijdens zijn studietijd aan de TU Delft bouwde hij de Testudo (schildpad). Na zijn afstuderen kwam Van der Poel bij de PTT, waar hij de ZEBRA (Zeer Eenvoudige Binaire RekenAutomaat) ontwierp. Toen de RUG in 1958 haar eerste computer kreeg, was dit een ZEBRA; hieraan bewaren velen nostalgische herinneringen. Later werd Van der Poel hoogleraar Informatica aan de TU Delft.

Een andere pionier computerbouwer, G. Blaauw, was er gelukkig wel. Blaauw ging in 1947 met een beurs naar Amerika. Later kwam hij te werken bij H. Aiken van Harvard University, die om de paar jaar een nieuwe computer ontwikkelde. Blaauw kwam in 1954 terug naar Nederland en trad in dienst van de rekenafdeling van het MC, toen onder leiding van A. van Wijngaarden, het Mekka op computergebied in Nederland waar alle knappe koppen werkten of elkaar troffen tijdens de colloquia ‘Moderne rekenmachines’.

Blaauw was aangetrokken om de bouw van de ARRA II tot een succes te maken, want de ARRA I heeft, behalve dan tijdens de introductie, nooit goed gewerkt. Tot voor een jaar of tien was het falen van de ARRA I iets dat je eigenlijk niet ter sprake kon brengen. Later is Blaauw overgestapt naar IBM. En nog weer later werd hij hoogleraar aan de TU Twente.

In de jaren zestig hield hij eens een lezing in Groningen waarvan ik me herinner hoe hij vertelde dat bij IBM nieuwe computers door twee elkaar beconcurrerende teams werden ontwikkeld, waarbij uiteindelijk het ontwerp van één team afviel.

‘Computeroppasser’

De eerste computers waren erg instabiel o.a. vanwege de gesoldeerde contacten die steeds gecontroleerd moesten worden. Daarover vertelde met smaak de heer A. Slob, een voormalig technicus van Philips die de zorg had gehad voor de zelfgebouwde PASCAL (Philips Akelig Snelle CALculator). Als de PASCAL per dag twee uur in bedrijf was, was men dik tevreden. Slob, gekleed in een fraai kleurig pak waardoor hij iets artistieks over zich had, noemde zichzelf dan ook met enige ironie ‘de oppasser’ van de computer.

In 1965, het was ook het jaar dat ik een korte ontmoeting had met jazzpionier Louis Armstrong, liep ik een stage bij Philips in Eindhoven in een beeldschermenfabriek. Ik kreeg de opdracht een bepaald elektronenkanon voor een TV te ontwikkelen en maakte daarbij gebruik van een computer om de baan van een elektron te tekenen (achteraf gezien mijn introductie in computer graphics, dat ik nog steeds uitoefen).

Ik raakte met Slob in gesprek en greep de kans aan om wat meer van die door mij gebruikte computer te weten te komen. Ik herinner me alleen dat ik werd geholpen door een nerveuze technicus die, als de computer even niet werkte, met een rubberen hamertje de relais aantikte. Na enig doorvragen bleek dat de heer Slob niet de technicus was geweest die mij toen geholpen had, omdat ik toen met een analoge computer had gewerkt en Slob met digitale computers werkte.

De heer Slob vertegenwoordigde het slag mensen dat toentertijd maar al te goed doordrongen was van het zeer feilbare karakter van computers. Hij zal in die tijd zeker niet in de openbaarheid zijn getreden met zijn ervaringen zoals op deze dag. Want voor de buitenwereld werd toen nog het imago van meesterbrein, rekenwonder, etc. opgehouden.

Je leven in de waagschaal stellen

In de lunchpauze sprak ik met de heer J.F. Besseling, die 35 jaar hoogleraar Technische Mechanica is geweest aan de TU Delft. Hij vertelde hoe hij in de jaren 50 met de ARRA II sterkteberekeningen had uitgevoerd voor een nieuw te bouwen windtunnel waarin langs experimentele weg de krachten op vliegtuigvleugels werden gemeten. De lucht in de reusachtige tunnel zou een overdruk van 3.5 atmosfeer krijgen. Met wat later de eindige elementenmethode zou gaan heten, berekende hij de sterkte van onderdelen van de tunnel. Voor het doorberekenen van de gehele tunnel was er toen nog geen rekencapaciteit.

Na een lange bouwtijd kwam de dag dat de windtunnel uitgetest zou worden. De bouwtechnici namen plaats achter een zware betonnen muur, want als de windtunnel uit elkaar zou barsten, dan zouden de gevolgen catastrofaal geweest zijn. Maar Besseling en zijn leermeester Van der Neut hadden zoveel vertrouwen in hun eigen sterkteberekening dat ze tijdens het testen fier onder de windtunnel bleven lopen. Besseling had daarvoor nog wel tegen Van der Neut gezegd: "Jij hebt al vrouw en kinderen en ik nog niet, ga jij maar niet". Maar het liep goed af en Besseling kon het 45 jaar later na vertellen.

Tijdens een symposium vele jaren geleden in Groningen vertelde de heer A. van Wijngaarden, voormalig directeur van het MC, in een geestige speech een soortgelijk verhaal waarbij programmeurs hun moed moesten tonen. Het betrof de berekening van de waterverplaatsing die de tewaterlating van een groot schip te weeg zou brengen. De betreffende programmeurs werden toen uitgedaagd om op de kade te gaan staan. Als ze hun ‘som’ fout hadden gedaan, zouden ze worden overspoeld en mogelijk meegezogen worden door het water. Ook dat liep goed af. Programmeurs leefden toen nog in een echte wereld, en niet een virtuele wereld zoals velen tegenwoordig.

In een vervolg op dit artikel zal aandacht worden besteed aan Groninger computerpioniers.

(1) H. J. van Linde, oud-directeur van het Rekencentrum van de RUG, merkte naar aanleiding van dit artikel op: "Ken je de anekdote uit de jaren zestig, hoe er bij een of ander congres een kleine Japanner opstond, een buiging maakte, en zei: "Why am I considered harmful". Je raadt het al: mijnheer Goto."


Begin pagina