Skip to ContentSkip to Navigation
OnderzoekKenniscentrum Landschap

Oratie prof. dr. Y.B. Kuiper uitgesproken 20 november 2012

De hofstede – ‘tot vermaeck en voordeel aengeleyt’

Beelden van de Nederlandse buitenplaats vanaf de zeventiende eeuw

Wie wel eens een blik werpt op het aanbod van glossy’s in de boekhandel moet opvallen hoe vele daarvan de lezer een geschakeerd beeld voorschotelen van aantrekkelijk wonen in een monumentaal pand in een landelijke omgeving. We stappen een wereld binnen van fraai gedekte tafels, sfeervolle keukens van weleer en stijlvol ingerichte kamers waarin elk meubel precies op de juiste plaats is neergezet. Maar die wereld is niet zo vanzelfsprekend als zij lijkt. Zo las ik onlangs in het blad Herenhuis. Wonen in historie de volgende serieuze oproep van het Prins Bernhard Cultuurfonds: ‘Van de 6000 buitenplaatsen zijn er nog 600 over. Help mee met de instandhouding van dit unieke historisch erfgoed.’ Ongetwijfeld zal bij de oproep meegespeeld hebben dat in dit jaar 2012 ook de belangrijke manifestatie Het Jaar van de Historische Buitenplaats plaatsvindt.

Ets Rembrandt 1651 Hofstede Saxenburg bij Bloemendaal
Ets Rembrandt 1651 Hofstede Saxenburg bij Bloemendaal

Waar ik me in het volgend half uur op zal richten is niet de huidige problematiek van de toekomst van de Nederlandse buitenplaats, maar op de vroege geschiedenis ervan en met name de beeldvorming daarover. Daar heb ik een aantal redenen voor. De eerste en belangrijkste reden is dat ik op die manier iets kan zeggen over de betekenis van het werk van de inspirator van deze leerstoel, de kunsthistoricus jhr. dr. H.W.M. van der Wyck, zoals dat tussen circa 1970 en zijn overlijden in 2001 verscheen. Om zijn werk goed te kunnen plaatsen, ga ik ruim zeventig jaar terug in de tijd. We komen dan terecht bij de cultuurhistoricus Johan Huizinga. De tweede reden dat ik een historiografisch getint verhaal houd, heeft te maken met mijn stellingname dat wie de toekomst van de buitenplaats ter harte gaat, goed de geschiedschrijving ervan moet kennen. Voor wie in het heden naast de economische, landschappelijke en recreatieve waarden van een buitenplaats ook de cultuurhistorische wil bepleiten, kan moeilijk om deze paradox heen: de toekomst van de buitenplaats ligt in het verleden. Vanuit die geest, zo zal aanstonds blijken, ontstond het werk van Van der Wijck op een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse buitenplaats. Daarna zal ik heel in het kort nog aangeven hoe nu anno 2012 het onderzoekslandschap van buitenplaats en landgoed eruit ziet en hoe deze leerstoel daarin past.

Toornvliet, bij Middelburg, 1925. Rechts Johan Huizinga.
Toornvliet, bij Middelburg, 1925. Rechts Johan Huizinga.
Het vertoog van Johan Huizinga

Eerst neem ik u mee naar een zomerse augustusdag in 1925 op Walcheren. Naar de waranda van de buitenplaats Toornvliet bij Middelburg. Rechts op de foto zien we de historicus Johan Huizinga, in gesprek met het bevriende stel Richard en Henriëtte Roland Holst. De beeldend kunstenaar en de dichteres beschikten zelf over een landgoed in Noord-Brabant, de Buissche Heide.* Kort na het bezoek aan Toornvliet, dat sinds 1810 eigendom was van Huizinga’s schoonfamilie Schorer, liet Roland Holst zijn vriend op Toornvliet weten, hoe graag hij op het landgoed buiten in de zon drukproeven zat te corrigeren. Zelf was Huizinga door zijn verloving en daarna huwelijk met Mary Schorer, die stamde uit het genoemde, nieuw geadelde Middelburgs regentengeslacht, gehecht geraakt aan deze buitenplaats. Zijn kinderen waren mede erfgenaam ervan. Destijds had het jonge gezin Huizinga-Schorer een fonkelnieuwe villa in Engelse stijl even buiten Groningen betrokken. Die kreeg toen de naam Klein Toornvliet.

In 1941 verscheen Huizinga’s Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw. Daarin verwoordde Huizinga zijn visie op de cultuurhistorische betekenis van de buitenplaats. Een cruciale rol spelen hier Huizinga’s gedachten over ‘het ideaal van rust’. Onze zeventiende-eeuwse voorouders waren hoogst actief geweest als handelaren, zeelieden, militairen, ambtenaren en ambachtslui. Toch bestond onder hen toen al – en nu in Huizinga’s woorden – ‘dat verlangen naar de behaaglijke rust van een blij buitenleven, met boeken en bezoek van vrienden, zoals het eens Erasmus bezield had, en telkens doorklinkt in Huygens, Cats en Vondel.’ Al in zijn biografie van Erasmus uit 1924 schreef Huizinga: ‘De hollandsche buitentjes en koepels, waarin de volksaard zijn innigste behagen vond, zijn vervullingen van een zuiver erasmiaansch ideaal.’

Toch, zo meent Huizinga, had dat zeventiende-eeuwse ideaal van rust op geen enkel levensterrein krachtdadigheid in de weg gestaan. In de achttiende eeuw daarentegen was dat ideaal van rust door de toegenomen welvaart bij regent en gezeten burger binnen handbereik van velen gekomen. En om die achttiende eeuw aanschouwelijk te maken volgt dan weer zo’n typische Huizinga-formulering : ‘Ganse streken des lands waren bedekt met de buitenhuizen, dicht bij de stad, waar men het beste jaargetij sleet, gevarieerd van het kasteel en het grote landgoed der aanzienlijksten en rijksten, met hun heerlijkheden, titels en wapenborden, tot de koepel aan de vaart van de voorspoedige neringdoende toe.’

Nu blijkt opeens dat naast de burgerlijke buitentjes ook de adellijke kastelen in beeld komen. Dat is opvallend omdat Huizinga eerder in zijn boek de adel in het oosten van het land geheel buiten de culturele dynamiek van de Republiek had geplaatst. Volgens hem hielden die landedelen zich op hun afgelegen, weinig comfortabele kastelen slechts bezig met hun elementaire agrarische belangen.

Hoe fraai ook verwoord, er wringt iets in Huizinga’s voorstelling van zaken. Dat begint er al mee dat hij van het ideaal van rust moet toegeven dat het niet louter op passiviteit stoelt. Ook neigt Huizinga ertoe de culturele invloed van het Haagse hof van de Oranjes, dat zeker zijn stempel heeft gezet op het zeventiende-eeuwse buitenleven in de Republiek, door de bouw van jachtsloten en de aanleg van formele, Franse tuinen, zo laag mogelijk in te schatten.

Huizinga’s betoog is een ode aan de Hollandse stedelijke burgercultuur. De echte culturele centra van de Republiek in de Gouden Eeuw waren volgens hem de koopmanshuizen in de steden, en ja zeker, óók de buitenhuizen én zelfs soms de nog met poorten en grachten beschutte ridderhofsteden op bereikbare afstand van Amsterdam. Zelf werpt Huizinga de vraag op hoeveel ambachtsheerlijkheden gedurende de zeventiende eeuw in handen van de hoge burgerij waren gekomen. Maar, zo voegt hij daar onmiddellijk aan toe, erkende adeldom beoogden die burgers met hun aankoop van heerlijkheden toch ook weer niet.

Het blijft een grote verdienste van Huizinga’s boek uit 1941 dat het beeld van het buitenleven dat daarin wordt geconstrueerd verbonden werd met een bredere culturele context, waarvan de geografische, economische, sociale en mentale aspecten mede aan bod kwamen. Toch rijzen hier twee vragen: ten eerste, hoe is Huizinga’s visie na zijn publicatie daarvan uitgewerkt; en, ten tweede, betekent die visie nog iets voor recent onderzoek of voor de huidige beeldvorming over de vroege geschiedenis van de buitenplaats?

*Zie nader voor dit landgoed mijn lezing ‘Het verhaal van de Buissche Heide’, t.g.v. slotmanifestatie van het Jaar van de Buitenplaats te Geldrop (Noord-Brabant) op 30 november 2012.

D. Stoopendaal, De Zegepralende Vecht (1719)
D. Stoopendaal, De Zegepralende Vecht (1719)
Buitens aan de Vecht

De eerste onderzoeker die het door Huizinga geschetste beeld tegen het licht hield was de kunsthistoricus Remmert van Luttervelt. Hij promoveerde in 1943 te Utrecht op een studie over de buitenplaatsen aan de Vecht. De auteur deelt volledig Huizinga’s visie. Al woonden deze Amsterdammers, onder wie vele joodse en doopsgezinde families, de lange zomer op het platteland, zij bleven stedelingen. Via de hofdichten van hun huisdichters, koketteerden zij met de werken van klassieke auteurs over het ideale landleven. Velen waren ook gedreven om van de tuinen bij hun buitens aardse paradijsjes te laten maken. Volgens Van Luttervelt was het niet meer dan een schoon spel om met de Homo Ludens van Huizinga te spreken. Gelijk Huizinga wilde Van Luttervelt het vaderlandse karakter van die buitenplaatscultuur van de zeventiende en achttiende eeuw beklemtonen – maar we zitten dan ook in de jaren van de Tweede Wereldoorlog.

In zijn studie stond Van Luttervelt ook kort stil bij het woord ‘hofstede’. De oorspronkelijke betekenis van hofstede verwijst naar een boerenplaats, dat wil zeggen naar de eenheid van huis en erf. Pas in de loop van de achttiende eeuw zou de term ‘buitenplaats’ aan een langzame opmars beginnen als verzamelnaam voor een voorname, tweede woning buiten de stad. Toch werd in de negentiende eeuw de term ‘hofstede’ nog altijd gebruikt. Die had nu een archaïsche lading gekregen die samenhing met de populariteit van een landelijke levensstijl onder de nieuwe notabelenelite. In tegenstelling tot de Beemster, waar Amsterdamse heren aanvankelijk in de zomer een zogeheten herenkamer betrokken in de boerderij van hun pachter, kwam dit type van eenvoudig buitenleven niet veelvuldig voor aan de Vecht in de zeventiende eeuw, meent Van Luttervelt. Veel kenmerkender voor de ontwikkeling aldaar vond Van Luttervelt de dominantie van het Hollands-classicistische, Vingboonsachtige buitenhuis met brede voorgevel. Hij noemde dat het stadshuis-buiten. Juist die term kwam vrij snel onder vuur te liggen bij bouwhistorici. Zij zagen, ten eerste, veel meer verwantschap qua plattegrond en sierelementen als grachten en torens tussen het vroege buitenhuis en het kasteel. En, ten tweede, wijzen ze op de omgekeerde invloed van het Amsterdamse buitenhuis op het brede stadshuis. Het is met name het in 1989 verschenen proefschrift van Koen Ottenheym over werk, opdrachtgevers en internationale inspiratie van de Amsterdamse, katholieke architect Philips Vingboons dat die omgekeerde invloed aantoonde.

Veel overtuigender dan Huizinga schrijft Van Luttervelt over de verscheidenheid in het buitenleven in de Republiek. Ook trekt hij vergelijkingen met de kleinere buitenhuizen in Duitsland en Engeland, die vaak in de buurt van steden lagen. Zo hadden de nieuwe kleine buitens bij de andere Hollandse steden en waterstromen duidelijk minder allure dan die van de Amsterdammers, vindt Van Luttervelt. Zelfs in de clusters van buitens rond Amsterdam ziet hij wel degelijk verschillen op het vlak van rijkdom, macht en aanzien. Explicieter dan Huizinga onderkent Van Luttervelt dat op het platteland van de andere gewesten in de Republiek de kastelen en landgoederen van edellieden de toon zetten. Hun ridderhofsteden, borgen, staten of havezathen mochten in de loop van de zeventiende eeuw voor een groot gedeelte zijn gemoderniseerd, het waren geen hofstedes of buitenhuizen in de ogen van de tijdgenoot.

Jan van der Heyden, Spruytenburg Maarssen (ca. 1670)
Jan van der Heyden, Spruytenburg Maarssen (ca. 1670)
De canon en elite-onderzoek

Ik kom nu bij de tweede vraag over de recente invloed van Huizinga op onderzoek en beeldvorming inzake de buitenplaats. Juist in enkele vanaf 2000 verschenen monografieën en inventarisatiestudies komt sterk naar voren hoezeer Amsterdam als hét vliegwiel van de vroege buitenplaatscultuur in de Republiek fungeerde. Zulke gedetailleerde studies zijn vaak gekoppeld aan het tonen van het vele topografische prentwerk dat in de vroege 18de eeuw verscheen. Op basis van zulke bronnen en historische kaarten is berekend dat in het eerste kwart van de 18de eeuw ruim 500 grotere en kleine buitenplaatsen in de wijde omtrek van de toenmalige metropoolstad Amsterdam lagen.

‘Burgh ofte Huys’ Nittersum, Stedum. Ontwerp Philips Vingboons (1669)
‘Burgh ofte Huys’ Nittersum, Stedum. Ontwerp Philips Vingboons (1669)

Nog sterker komt het door Huizinga geschetste beeld van de rijke Hollandse koopman op zijn buiten naar voren in de in 2006 uitgekomen Canon van de Nederlandse geschiedenis. Een van de vijftig iconen heet ‘Buitenhuizen in de zeventiende en achttiende eeuw’ en verhaalt de aanleg van de eerste buitenplaats aan de Vecht, die eeuwenlang eigendom bleef van de Amsterdamse koopman- en regentenfamilie Huydecoper. Constantijn Huygens logeerde hier en dichtte daarover. Kennelijk kan de buitenplaats momenteel uitstekend dienst doen voor de constructie, zo niet revitalisering, van de Nederlandse identiteit. Maar de zwakte van de canonaanpak demonstreert zich direct in een ander icoon. Zo wordt bij het icoon de Beemster helemaal niet gerept wordt over de aanleg van hofstedes of buitens in dit pas ingepolderde gebied. Het lijkt erop dat de canonbouwers even het werk van de economisch historicus Jan de Vries waren vergeten, die al tussen 1974 en 1981 het belang van inpoldering, ontginning, vervening en trekvaart voor de opkomst van de buitens in Holland, maar ook elders in de Republiek, overtuigend had aangetoond.

De canon van de Nederlandse geschiedenis: Buitenplaats Rupelmonde aan de Utrechtse Vecht
De canon van de Nederlandse geschiedenis: Buitenplaats Rupelmonde aan de Utrechtse Vecht

In retrospectief waren de jaren 1950, 1960 en 1970 dood tij in het historisch onderzoek naar buitenplaatsen. Onderzoek naar regenten en hun levensstijl paste niet bij de maatschappelijke en universitaire woelingen zoals die zich vanaf de jaren 1960 manifesteerden. Dit werd ook opgemerkt door de Britse historicus Peter Burke in zijn al in 1974 verschenen vergelijkende studie over Venetië en Amsterdam in de zeventiende eeuw. Constaterend dat zowel de adellijke elite van Venetië als een deel van de Amsterdamse politieke en economische elite een bepaalde tijd van het jaar op hun bezittingen op het platteland doorbracht, schreef Burke het volgende over de levensstijl van deze Amsterdammers: ‘Dit deel van hun leven heeft nooit de aandacht gekregen die het verdiende. En dit geldt evenzeer voor de buitenhuizen waarvan het grootste deel verdwenen is.’

Pas vanaf de jaren 1980 zou het historische elite-onderzoek in Nederland echt op gang komen. Zo verschenen vanaf toen een hele reeks van historische dissertaties en monografieën over adel, patriciaat en hoge burgerij. Steeds vaker kwam daarin ook de levensstijl van stedelijke en plattelandselites in het vroeg-moderne Nederland ter sprake. Maar het blijft opvallend dat tot nu toe - helaas - in Nederland nog niet een studie is verschenen als Mark Girouards Life in the English Country House (uit 1978). Daarin beschreef de auteur de verwevenheid van sociale en architectuurgeschiedenis, vanaf de late middeleeuwen tot de Tweede Wereldoorlog. Een gedurfde pionierstudie, want de big man van de Britse elitegeschiedenis, Lawrence Stone, was er in zijn recensie in de TLS razend snel bij om te stellen dat ‘Professor Girouard knows his architectural history better than his social and economic history’. So what, kunnen we nu gerust stellen. Zes jaar later namelijk publiceerde het echtpaar Stone zijn eigen magnum opus over de country houses tussen 1540 en 1880. De door de Stone’s geportretteerde eigenaren blijken zich veel vaker om hun jachtgebied te bekommeren dan om kunst. Dat is dus de kracht van de Engelse onderzoekstraditie: debat en gedurfdere visies.

Enkele boektitels uit het Engelse onderzoek
Enkele boektitels uit het Engelse onderzoek
Van der Wijcks werk in vogelvlucht

In zijn boek verwees Peter Burke ook naar de in 1972 in de Delftse Prinsenhof gehouden tentoonstelling ‘Nederlandse buitenplaatsen bedreigd?’ Twee jaar later zou de al even genoemde Van der Wijck te Delft promoveren op de studie De Nederlandse buitenplaats. De allerlaatste alinea van zijn proefschrift luidt: ‘Met de buitenplaats staat het er in Nederland bedenkelijk voor. Onbeschermd als zij zijn, maken zij in het kader van de huidige ontwikkelingen in onze samenleving weinig kans behouden te kunnen blijven. Voor een Rijksdienst als Staatsbosbeheer en een belangrijke organisatie als de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten ligt hier een grootse taak, die ten snelste dient te worden aangevat.’

Tot 1975 was Van der Wyck verbonden aan de Rijksdienst voor Monumentenzorg. Deze had daarvoor al de opdracht gekregen tot registratie van buitenplaatsen en bijbehorende parken die in aanmerking kwamen voor bescherming. Daarnaast werd in 1973 door eigenaren de Stichting tot Behoud van Particuliere Buitenplaatsen opgericht. Volgens Van der Wijck telde Nederland rond 1980 ruim duizend buitenplaatsen. Nu, ruim dertig jaar later, staan er bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed circa 550 zogeheten complex historische buitenplaatsen geregistreerd, inclusief vele kastelen met parkaanleg.

Vanaf het begin af aan stond Van der Wijck een gedegen, op historische bronnen gebaseerde classificatie bij genoemde registratie voor ogen. Nog belangrijker was voor hem een integrale visie op de buitenplaats, dat wil zeggen altijd uitgaan van de eenheid van huis, bijgebouwen, tuin en park. Deze eenheidsvisie stond hij ook met verve voor op het vlak van restauratie. Fel verzette hij zich in het openbaar tegen het terugrestaureren van Het Loo naar de tijd van stadhouder-koning Willem III. Dit verzet mondde uit in een kamerdebat.

Jhr. dr. H.W.M. van der Wijck (1927-2001) en zijn dissertatie 'De Nederlandse Buitenplaats' met op de voorpagina ridderhofstad Zuylesteyn.
Jhr. dr. H.W.M. van der Wijck (1927-2001) en zijn dissertatie 'De Nederlandse Buitenplaats' met op de voorpagina ridderhofstad Zuylesteyn.

Inmiddels is door alle professionele specialisten die zich met buitenplaatsen in Nederland bezighouden deze integrale visie van Van der Wijck overgenomen. Ook zijn visie op restaureren, waarbij de ontwikkeling in de tijd waar mogelijk zichtbaar diende te blijven, vonden later veel meer weerklank. Wel zijn in onze tijd enkele nieuwe begrippen populair geworden om datgene wat Van der Wijck nog simpelweg eenheid van huis en park noemde, als complex, ensemble of biotoop te betitelen. En al kwamen er daarna definities van de buitenplaats bij waarin ook kasteel, villa en landgoed zijn geíncorporeerd – het blijven stuk voor stuk variaties op Van der Wijcks conceptuele missie. Veel wordt nu gesproken over de cultuurhistorische waarde en het cultureel erfgoedkarakter van buitenplaats en landgoed. Voorwaar geen gemakkelijke begrippen om daarvan in beleidstermen de precieze inhoud aan te geven.

Sober leven op Huis Archem (ca.1900)
Sober leven op Huis Archem (ca.1900)

Al na 1975 ging Van der Wijck zijn eigen weg en richtte hij zich geheel op de uitvoering van zijn eigen projecten, vaak via de stichting Nederlandse Buitenplaatsen en Historische Landschappen. Van de zevendelige reeks Historische buitenplaatsen van Nederland zouden slechts Overijssel en de Veluwe verschijnen. Nu de Stichting Van der Wijck-de Kempenaer een leerstoel heeft ingesteld, die ik als eerste mag gaan bekleden, is vandaag het goede moment om kort enkele grote lijnen in het oeuvre van de inspirator ervan te schetsen. Studie van primaire bronnen, aangevuld met die van kaarten, ontwerpen en afbeeldingen van buitenplaatsen, ego-documenten en biografische bronnen over bewoners, bouwheren en tuin- en landschapsarchitecten, hebben altijd de basis gevormd van Van der Wijcks onderzoekingen. Toch tonen zulke bronnen niet wat hij even kenmerkend vond voor de geschiedenis van de buitenplaats, namelijk de herinneringen die kleven aan de ooit door de bewoners op hun huizen bewaarde en gekoesterde voorwerpen. Dit zijn vaak eenvoudige dingen, want – aldus Van der Wijck –‘gewoonlijk is op de buitenplaatsen sober geleefd’. In die sfeer van de herinnering ligt ook een ander lievelingsproject van hem: de beschrijving van ‘droomhuizen’. Daarbij wilde hij via afbeeldingen en teksten verdwenen huizen zo terughalen dat je ze als in een droom nog zou kunnen bezoeken. Eigenlijk komen we zo aardig in de buurt van Rudy Kousbroeks formulering van uiterste treurigheid: het de weg weten in een huis dat niet meer bestaat. Het is deze binnenkant van Van der Wijcks werk die mij als antropoloog - toch al zo gespitst op onderzoek naar de verwevenheid van identiteit, herinnering en nostalgie - mateloos intrigeert.

Jan Arends, Toorenvliet (ca. 1780)
Jan Arends, Toorenvliet (ca. 1780)

Waar het in Van der Wijcks gehele oeuvre om draait is dat daarin een boog wordt gespannen tussen de buitenplaatscultuur in het westen van Nederland en de cultuur van de landgoederen in het oosten. Daarbij maakte hij gebruik van een ideaaltypische tegenstelling. Aan de patricische eigenaren van buitenplaatsen met beperkt grondbezit in het westen schreef hij ‘prestige-overwegingen’ toe, terwijl hij de bewoners van landhuizen met een landgoedkarakter in het oosten als meer gebonden aan de traditie van familiegoed en soberheid beschouwde. Het gewest Utrecht was daarbij in de zeventiende en achttiende eeuw een soort overgangsgebied geweest met zowel zijn buitenplaatsen als ridderhofsteden. Maar ook Zeeland, Friesland en Groningen ontsnapten niet aan zijn aandacht, zoals blijkt uit zijn bijzondere band met de Groninger Fraeylemaborg, waarin de dimensie van de tijd volgens hem zo sterk aanwezig was. Gelijk Huizinga liet Van der Wijck zich sterk leiden door visuele impressies. Vandaar zijn bemoeienis met de uitgave van de kasteeltekeningen van Roelant Roghman in het Holland en Utrecht van het midden van de 17de eeuw en met het Arkadisch Walcheren zoals dat getekend werd tussen 1770 en 1790 door Jan Arends.

Grotere reikwijdte, meer verhalen

Afgaande op de impressies van buitenlandse reizigers stelde Van der Wijck al in zijn proefschrift dat tuin en park eigenlijk belangrijker waren dan het huis. En dat gold dan vooral de experimenteerlust waarmee ze aangelegd waren en de beleving ervan. Wie achteromkijkt naar hoe het specialistische onderzoek in Nederland naar de buitenplaats zich de afgelopen twee decennia heeft ontwikkeld ziet dat onze kennis van hofdichtkunst, interieurgeschiedenis, maar vooral die van tuin- en landschapsarchitectuur naar een veel hoger niveau is getild.

Toch was het Van der Wijck zelf die eens opmerkte dat veel waardevol onderzoek naar de buitenplaats zoals dat naar kunsthistorische, bouwkundige, historische en andere aspecten, tuinhistorische en interieurhistorische , te vaak nog los van elkaar werd en wordt gedaan. Ik onderschrijf die mening volledig. Daar komt nog iets bij. De te waarderen specifieke aandacht voor individuele buitenplaatsen en landgoederen moet idealiter ook gevoed worden door het stellen van vragen met grotere reikwijde, dat wil zeggen vragen naar transformaties en langere termijn ontwikkelingen inzake buitenplaatsen en landgoederen.

Ridderhofstad Zuylesteyn, getekend door Roelant Roghman (1647)
Ridderhofstad Zuylesteyn, getekend door Roelant Roghman (1647)

Hier valt volgens mij in Nederland nog een wereld te winnen. En datzelfde geldt voor de verhalen over buitenplaatsen en in het bijzonder over hun bewoners, van eigenaren tot en met hun personeel. Deze verhalen moeten in mijn ogen beter en aantrekkelijker verteld gaan worden. Zeer vele Nederlanders dromen weg bij Engelse kostuumdrama’s als Downton Abbey, maar worden in eigen land weinig bediend met in kwaliteit vergelijkbare producties. Ook de geschiedenis van de Nederlandse buitenplaats gaat immers uiteindelijk over mensen, over hun verhalen, hun herinneringen.

Wat die grotere reikwijdte van analyse betreft verwijs ik hier naar een onlangs verschenen publicatie die een frisse blik biedt op de verhouding stad-platteland in Nederland tussen 1750 en 1850. In hun Towards a new template for Dutch history wijzen de Utrechtse historici Paul Brusse en Wijnand Mijnhardt erop dat Johan Huizinga himself verantwoordelijk is voor het nog altijd onderschatten door historici van de taaiheid en invloed van de adel als plattelandselite in de Republiek. Deze volhardendheid bestond niet alleen in Gelderland en Overijssel, maar ook, hoewel in mindere mate, in de noordelijke gewesten. Ontstedelijking in het westen en groei van de agrarische sector elders zorgden ervoor dat in genoemd tijdvak de op grondbezit georiënteerde elites aan macht en aanzien wonnen ten opzichte van financieel-commerciële elites. De grote vraag is dan wat deze verschuiving betekende voor de aantrekkingskracht van landelijk leven en grootgrondbezit op de elitevorming in het Nederland van de negentiende eeuw. Zo bekeken blijkt een thema dat Auke van der Woud in zijn prachtige Het lege land aansneed, namelijk de omarming in de vroege negentiende eeuw door notabele stadsbestuurders van de Engelse landschapsstijl, nog beter op zijn plaats te vallen. Immers voorname burgers wandelden rond 1800 in de buurt van Arnhem om juist daar de nieuwe vormgeving van het landschap te ondergaan om vervolgens in die trant hun stadsparken te laten herinrichten.

Een vroege hofstede bij Groningen

Ik keer nog één keer terug naar de hoofdtitel van mijn verhaal: de hofstede. De calvinistische en Amsterdamse publicist Goeree sprak in 1681 over ‘gemeene’, ‘eerlijke’en ‘adellijke’ hofsteden of landhuizen . Uit zijn nadere omschrijvingen blijkt distinctiezucht maar ook een zeker onbehagen daarover. Op dit punt had Simon Schama met zijn Embarassment of Riches dus gelijk.

Johan van Nijenborgh
Johan van Nijenborgh

Maar al een halve eeuw voordat Goeree met zijn typologie kwam liet de rijke Groninger, in Emden geboren, lakenkoopman Daniel Nienborch, gehuwd met een rijke doopsgezinde vrouw, in 1634 een hofstede aanleggen. Dat was aan de noordkant van de stad Groningen, in de zogeheten Lage Paddepoel. Nu staan op die plek universitaire gebouwen. Vanwege zijn groothandel in laken reisde Daniel regelmatig naar Amsterdam, waar hij in 1636 overleed. Ook zijn oudste, in 1620 geboren, zoon Johan stuurde hij voor een tijd naar Holland. Na zijn vaders dood kwam de buitenplaats in Johans bezit. Al in de jaren 1650 was Johan rentenier en kon hij zich geheel wijden aan letterkundige liefhebberijen. Zijn zwager Borgesius was hoogleraar wiskunde aan de Groninger universiteit, examineerde daar landmeters en belegde zijn geld in de vervening. Johan publiceerde populaire werkjes, waaronder het in 1659 verschenen boekje J. van Nyenborch’s Hof-Stede. Op deze hofstede had zich een literaire kring gevormd. Het daadwerkelijk bijeenkomen van de kring was meer stijlfiguur dan realiteit. Laten we nu Van Nijenborgh zelf aan het woord.

Als ick belustet ben nae mijn hofsteed’ te gaen,

Dat is maer een half uyr van ons wooningh van daen,

Omtrent tweehondert roe van huys af, tot de poort,

De Bottringer genaemt, van daer aff, gae ick voort,

Den wech langhs, tot dat ick aen myn hofsteed’ belendt,

Dat is, vier hondert en vyftich roeden, omtrent.

U heeft het al begrepen, hier is niet een dichter, maar een rijmelaar aan het woord. Johan wist zelf maar al te goed, dat zijn poëtisch talent niet groot was. Maar wat ik zojuist aanhaalde klopt volledig: Johan woonde in de Boteringestraat, hemelsbreed tweehonderd meter van het huidige Academiegouw van de Groninger universiteit, en hij zal in ongeveer een half uur de kleine twee kilometer van zijn stadshuis naar de hofstede al wandelend hebben overbrugd. Zelfs de aanleg van de hofstede wilde hij in zijn lange hofdicht heel precies verwoorden:

Dit huys en dees hofsteed’ is gesticht in het jaer

Van sestienhondert, driemael tien, en vier daer naer;

En dat op ’t vlacke veldt, alwaer te voor niet stonde

Dan haver ende gras, doen men dit eerst begonde.

Met aftrek van alle topiek in Johans hofdicht is zulke informatie wel degelijk relevant voor onderzoek naar de vroege buitenplaatscultuur. Hier blijkt immers dat het bij deze hofstede vermoedelijk niet gaat om een herenkamer in een bestaande boerderij, maar om een nieuw gebouwd huis. Uit in het boekje opgenomen tekening wordt dat niet direct duidelijk, want niet een huis maar een poortgebouw fungeert als blikvanger en in de tuin is duidelijk een prieel te zien. Kennelijk moest in de tekening de nadruk op de tuin komen te liggen. Deze is bestemd voor vermaak, maar heeft ook het voordeel om eruit te kunnen eten. Het poortgebouw, hekwerk en grachten benadrukken, geheel conform de literaire traditie, het besloten karakter ervan. Daarnaast zijn er aanwijzingen in Johans gedicht die wijzen op hang naar status. Zo werden de zwanen in de gracht geringd met het Nijenborgh-wapen. Trots was Johan ook op de stad Groningen, waarvan hij volgens zijn hofdicht de torens en voorname gebouwen vanuit zijn hofstede in de verte zag liggen.

Poortgebouw en tuin van de Nijenborg, ten noorden van Groningen (1659)
Poortgebouw en tuin van de Nijenborg, ten noorden van Groningen (1659)

In de Historie van Groningen uit 1976 leverde de historicus Arie van Deursen een bijdrage met als titel ‘Cultuur in isolement’. Van Deursen meent in zijn beschouwing op Huizinga’s Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw aan te sluiten om de in zijn ogen povere intellectuele kwaliteit van de zeventiende-eeuwse cultuur in Groningen vast te stellen. Had Huizinga niet hetzelfde beweerd over Zeeland? Ook de kring rond Van Nijenborgh moet het bij Van Deursen ontgelden. Zo’n literaire weging, tja, dat kan. Maar hoezo isolement? Juist in Johans Hofstedeboekje komen heel veel zaken aan de orde die veel meer wijzen op culturele interactie en bovengewestelijke netwerken dan op cultureel isolement. Zo worden expliciet de nieuw aangelegde hofsteden van de bekendste Hollandse hofdichters Huygens en Westerbaen en van de Zeeuw Jacob Cats genoemd. Ze waren qua aanleg stuk voor stuk van later datum dan die van vader Daniel Nijenborgh. Alleen was er over die Haagse buitens eerder en met meer smaak gedicht dan over de Nijenborgh. Ook blijkt dat Johan zelf de nieuw aangelegde hofstedes in de Diemer bij Amsterdam had aanschouwd. Zelf kwalificeerde Johan zijn eigen hofstede als kleiner en minder voornaam dan de oude borgen van de adel, maar, zo stelde hij daar tegenover: ‘die van mij is nieuw!’ Verder noemde hij Italiaanse, Franse en Zuid-Nederlandse lusthoven, tuinen en fonteinen. Toch eerder interactie, netwerken van informatie, dan isolement, zou ik zeggen. Wat leert ons deze casus? In ieder geval dit: juist aan die vroege buitenplaatscultuur van de zeventiende eeuw valt nog veel te onderzoeken, en met name in de gewesten buiten Holland, maar wel met oog voor de interactie tussen die gewesten en Holland.

‘Daer magh men de Stadt beschouwen, Met hooge Torens, en veel deftige gebouwen’ Gezicht op Groningen
‘Daer magh men de Stadt beschouwen, Met hooge Torens, en veel deftige gebouwen’ Gezicht op Groningen
Tot slot: van bewoners tot en met landschap

Waar ik me als nieuwe leerstoelhouder enorm op verheug is om met mijn eveneens door de Stichting Van der Wyck-de Kempenaer aangestelde collega Elyze Storms-Smeets onderwijs te verzorgen vanuit de opleiding Kunstgeschiedenis. Samen ook voelen we ons inmiddels zeer welkom in het door collega Theo Spek geleide Kenniscentrum Landschap. We zien uit naar samenwerking met de andere collega’s van de opleiding, met die in de faculteit en met vele anderen in binnen- en buitenland. Dames en heren studenten, wees gerust dat we de volle breedte van de buitenplaatscultuur, van bewonersgeschiedenis tot en met de materiële cultuur, én hun verbinding met landgoederen en landschapsgeschiedenis op college én in veldwerk gaan presenteren. Niet alleen het verleden zal daarbij ruime aandacht krijgen, maar ook actuele zaken als publieke debatten over verankering van historisch erfgoed in ruimtelijke visies.

Laatst gewijzigd:04 mei 2018 12:37