Skip to ContentSkip to Navigation
Onderzoek DNPP Politieke partijen Partij van de Arbeid (PvdA) Geschiedenis

PvdA jaaroverzicht 1990

Uit: P. Lucardie, M. Nieboer en I. Noomen, ‘Kroniek 1990. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 1990’ in: G. Voerman (red.), Jaarboek 1990 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1991), 14-57, aldaar 39-45.

Inleiding

De PvdA was de grote verliezer van de gemeenteraadsverkiezingen in 1990. De lage opkomst schaadde alle grote partijen, maar de PvdA in het bijzonder. De nederlaag leidde tot enige onrust en zelfkritiek in de partij, maar niet tot dramatische veranderingen.

Sociale vernieuwing

De PvdA ging in 1990 in eigen gelederen het nog vage begrip sociale vernieuwing uitwerken. Lokale afdelingen van de PvdA moesten aan het partijbureau in Amsterdam doorgeven wat er in hun directe omgeving zoal gebeurde aan ‘het doorbreken van de ongelijke verhoudingen in spreiding van kennis, macht en inkomen’. De PvdA richtte daartoe in februari een ‘meldpunt sociale vernieuwing’ op. Het partijbestuur riep op deze manier de hulp van de leden in om praktische vormen van sociale vernieuwing in kaart te brengen. Een en ander stond vermeld in de voortgangsrapportage van het partijbestuur getiteld Een hernieuwd offensief tegen de tweedeling.

De PvdA-top wees geïrriteerd de ‘hoon en spot’ die her en der over sociale vernieuwing naar voren kwam van de hand. Op de partijraad van 10 februari te Amsterdam presenteerden partijleider W. Kok, voorzitter mevr. M. Sint en minister mevr. H. d’Ancona van welzijn, volksgezondheid en cultuur de sociale vernieuwing als een noodzakelijke correctie op het beleid van de eerdere kabinetten-Lubbers. De discussie over sociale vernieuwing bewees volgens Kok dat zich ‘een markante breuk’ voltrok met het beleid van de vorige regering. Hij reageerde daarmee op de vaak gehoorde kritiek op de vaagheid van het begrip so­ciale vernieuwing.

Interne kritiek

P. Scheffer, medewerker bij de Wiardi Beckmanstichting - het wetenschappelijk bureau van de PvdA - leverde in februari stevige kritiek op het bestuur van zijn partij. Het partijbestuur zou wel veranderingen aankondigen, maar geen echte voorstellen doen. Scheffer constateerde voorts matheid en apathie in de PvdA. ‘Men wrijft zich tevreden over de buik, zo van: we hebben ons doel bereikt, we zitten in de regering’. De PvdA was zo niet veel meer dan een voorzichtig amendement op het CDA-beleid (Elsevier, 10 februari 1990, p. 15-18).

Scherpe interne kritiek kwam ook van oud-partijbestuurder B. Tromp. De bureaucratie en het rituele karakter van de besluitvorming hadden volgens hem de interne cultuur van de PvdA ‘een afstotelijk gezicht’gegeven. Het vertrekkend Tweede Kamerlid J. Schaefer zei eind januari dat de PvdA bang was geweest tijdens de formatie: ‘Wat wij nu hebben is het loon van de angst. Er is geen moment geweest dat Lubbers heeft hoeven denken: nu laten ze hun tanden zien, Natuurlijk hadden die momenten er moeten zijn’. A.P.W. Melkert, de financiële woordvoerder van de Tweede Kamerfractie, sloot de rij met kritiek op de wijze waarop zijn partij zich in het kabinet opstelde, in het meinummer van Socialisme en Democratie. Hij bepleitte pragmatisme bij de PvdA. Zijn partij moest een les trekken uit het electorale. succes van D66.

Inmiddels hadden PvdA-leider Kok en partijvoorzitter Sint al gereageerd op de kritiek uit de eigen partij. Volgens Kok schaarden de so­ciaal-democraten die het geringe élan van de nieuwe regeringspartij hadden gehekeld, zich in het kamp van de politieke tegenstanders van de partij die er belang bij hebben de PvdA in de VVD-rol ten opzichte van het CDA te duwen. Sint gaf echter wel toe dat het vernieuwingsproces waarvoor het rapport Bewogen Beweging de aanzet had gegeven te weinig doorgedrongen was tot de basis van de partij. De contacten met maatschappelijke organisaties waarop het rapport aandrong, waren volgens haar wel gelegd door de partijtop, maar veel minder door de lokale bestuurders en gewone leden. Ook wilde Sint de kandidaatstellingsprocedure voor de Tweede Kamerverkiezingen veranderen. De voorzitter vond dat het partijbestuur de mogelijkheid moest krijgen om bij deze verkiezingen een aantal kandidaten rechtstreeks op gewestelijke lijsten te zetten. Tot nu toe bepaalden de gewesten van de PvdA zelf wie zij kandidaat stelden.

Commissie Van Kemenade

Volgens een besluit van de partijraad van februari ging de PvdA zich opnieuw aan een kritisch zelfonderzoek onderwerpen, als nadere uitwerking van de lijnen die waren uitgezet in de rapporten Bewogen Beweging en Politiek à la carte. Een speciale commissie onder leiding van ex-minister en burgemeester van Eindhoven, J.A. van Kemenade, zal zich gaan buigen over zowel de strategische keuzes van de PvdA als over de heersende - veelal bekritiseerde - partijcultuur. Anders dan de verschillende partijcommissies die zich de afgelopen vier jaar met deze probleemstellingen bezighielden, zal de werkgroep van Van Kemenade niet eerst via het partijbestuur hoeven rapporteren. De commissie zou voor de zomer van 1991 advies uitbrengen, waarna het PvdA-congres van november 1991 een besluit zat moeten nemen.

Voorbereiding gemeenteraadsverkiezingen

In Rotterdam had de affaire-Kombrink (zie Jaaroverzicht 1989) nog een staartje. Het Tweede Kamerlid J.C. Kombrink had zijn kandidatuur ingetrokken, maar de als vierde geplaatste wethouder J.M. Linthorst bleek bereid zijn positie af te staan om ‘het bedrijfsongeluk in de PvdA’ te herstellen. De dertien afdelingen van de PvdA in het gewest Rotterdam bleken echter niet bereid mee te werken aan het voorstel van Linthorst. Kombrink zou definitief geen wethouder worden na de gemeenteraadsverkiezingen - in juni werd hij directeur-generaal op het ministerie van Defensie. Het gewest koos 30 januari een nieuw bestuur, waarmee de crisis werd bezworen. Eind mei verscheen een rapport van een partijcommissie die de gang van zaken rond deze kwestie had geanalyseerd. Als oorzaken van de weerstand tegen de kandidatuur van Kombrink beschouwde de commissie de grote afstand en slechte communicatie tussen het gewestelijk bestuur en de afdelingen van de PvdA in Rotterdam.

In Winschoten waren al in 1989 problemen ontstaan bij de samenstelling van de groslijst voor de gemeenteraadsverkiezingen. Het merendeel van de kandidaten wilde niet samenwerken met wethouder B. Visser en trok zich terug. Het partijbestuur dreigde toen de indiening van de lijst te verhinderen. In februari besloot de omstreden kandidaat Visser daarop met de fractievoorzitter mevr. A. Heres en enkele anderen onder de naam ‘Sociaal-Democraten Winschoten’ zelfstandig aan de verkiezingen deel te nemen. Het partijbestuur kon Visser nu zijn PvdA-lidmaatschap ontnemen, omdat volgens de statuten van de PvdA leden zich niet voor een andere partij of groepering kandidaat mogen stellen. Op het laatste nippertje kon de PvdA er zo in slagen een lijst met kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen in te dienen zonder de naam van de omstreden Visser.

Gemeenteraadsverkiezingen

De PvdA leed een zware nederlaag bij de gemeenteraadsverkiezingen, vooral in Winschoten, waar ze 7 van de 12 zetels moest inleveren. De ‘Sociaal-Democraten Winschoten’ behaalden slechts één zetel. In vele andere steden verloor de PvdA tussen 10 en 20% van de stemmen.

De partijtop ontving uit de gewesten waarschuwingen niet opnieuw tot polarisatie over te gaan. Ook in het partijbestuur en de Tweede- Kamerfractie zelf overheerste de opvatting dat niet als paniekreactie tot scherpe koerswijzigingen moest worden besloten. Kok had al op de vooravond van de verkiezingen te kennen gegeven dat men de uitgezette koers nu als een marathonloper moest blijven volhouden. Ook partijvoorzitter Sint wilde vasthouden aan het gekozen beleid, dat echter wel duidelijker uitgedragen kon worden.

Lage opkomstcijfers verklaarden anderhalf tot twee procent van het verlies, volgens Sint. Maar in steden als Amsterdam, Apeldoorn,Arnhem, Enschede en Winschoten bleef de traditionele PvdA-kiezer bewust thuis uit afkeer van het beleid van de plaatselijke sociaal-democratische bestuurders in de afgelopen vier jaar. Sint erkende dat ruiterlijk. Toch was voor Sint de voornaamste factor voor de nederlaag er één van landelijke aard, want ook waar het lokale bestuur goed functioneerde, verloor de PvdA. De partij was onvoldoende in staat zichtbaar te maken dat ze signalen uit haar achterban niet alleen opving, maar ook serieus nam en er iets mee deed.

Collegeonderhandelingen

In Amsterdam ontstonden verwikkelingen rond de persoon van W. Etty, de wethouder van financiën, die had gezegd op te zullen stappen als de uitslagen van de raadsverkiezingen voor de PvdA tegen zouden vallen. Toen de PvdA met een desastreus verlies uit de bus kwam (van 21 naar 12 zetels), moest het gewest maar een beslissing nemen over zijn positie, vond Etty. Kort daarna deelde hij op een persconferentie mee, dat hij toch voor de verkiezingsnederlaag wilde bloeden: hij zag af van een wethouderspost, maar ging de fractie aanvoeren in de nieuwe raad bij de collegeonderhandelingen. Nog geen week later kwam Etty op zijn besluit terug in een brief aan het gewest Amsterdam, waarin hij liet weten alleen als wethouder te willen terugkeren. Het gewest accepteerde zijn opstelling echter niet langer en sloot hem uit van een plaats in het college.

In Leiden en Nijmegen nam de PvdA snel na de verkiezingen het initiatief tot de vorming van colleges van B en W waarbij D66 respectievelijk het CDA buiten spel kwamen te staan. Partijvoorzitter Sint vond een dergelijke manier van doen niet verdedigbaar en schadelijk voor de PvdA als geheel. De indruk werd gewekt alsof het in alle gemeenten zo zou gaan. PvdA-leider Kok deelde de kritiek van partijvoorzitter Sint op lokale PvdA-bestuurders. De ledenvergadering van de PvdA-afdeling Nijmegen was ‘uiterst verontwaardigd’ over de inmenging van Sint bij de lokale college-onderhandelingen. Hieraan werd lucht gegeven in een motie ‘Geef Sint de roe’, die vrijwel unaniem werd aanvaard. De PvdA in Leiden kreeg ook stevige kritiek van de landelijke PvdA-top wegens haar houding ten opzichte van D66. De afdeling zette niettemin de onderhandelingen voor een college zonder de Democraten voort.

In Utrecht was het dagelijks bestuur van de federatie van de PvdA in Utrecht afgetreden als gevolg van een conflict met de gemeenteraadsfractie over de invulling van een derde wethouderspost. Er werd een commissie ingesteld die zou proberen de ruzie bij te leggen. In Den Haag ontstonden eveneens problemen over de personen die namens de PvdA tot het college zouden mogen toetreden. De fractie gaf de voorkeur aan een vrouwelijk raadslid boven een zittende wethouder en kreeg het daardoor zwaar te verduren op een gewestelijke vergadering.

Partijraden

De partijraad kwam dit jaar drie keer bijeen. Op 10 februari stond naast de sociale vernieuwing de partijvernieuwing op de agenda.

Op 15 en 16 juni kwamen vooral huishoudelijke zaken aan de orde. Besloten werd het blad Voorwaarts op te heffen omdat het met de kwaliteit van het blad ‘droevig gesteld’ zou zijn. Het tweewekelijkse opinieblad zou worden geïntegreerd met De Toekomst, het maandelijkse ledenblad van de partij. Ook het periodiek Lokaal Bestuur, bestemd voor staten- en gemeenteraadsleden van de partij, stond op de nominatie hierin op te gaan. De redactie van het nieuwe blad zou verantwoording schuldig zijn aan het partijbestuur. Fractievoorzitter Wöltgens zei tijdens de partijraad dat de ‘wittebroodsweken’ van het kabinet voorbij waren en dat nu ‘fase twee’ was begonnen. Partijvoorzitter Sint waarschuwde dat de PvdA de collectieve lastendruk mogelijk zou willen verhogen als het CDA de afspraak over koppeling tussen lonen en uitkeringen los zou laten. Op de tweede dag bracht ANC-leider Nelson Mandela een bezoek aan de partijraad. Vice-premier Kok had hier persoonlijk voor gezorgd. Mandela dankte de Europese landen - en Nederland in het bijzonder - voor hun steun.

De partijraad kwam op 29 september opnieuw bijeen om te reageren op de eerste Miljoenennota van PvdA-leider en minister van financiën, Kok. De partijraad was het met het partijbestuur eens dat deze begroting ‘een hoog PvdA-gehalte’ had en steunde ook de uitspraak dat de inkomensverschillen in deze kabinetsperiode in ieder geval niet vergroot mochten worden.

Midden-Oosten

In mei verscheen het rapport Israël en de Palestijnen, geschreven door de Midden-Oosten commissie van de PvdA. Volgens de voorzitter van deze commissie, oud-minister van buitenlandse zaken M. van der Stoel, was het Internationale klimaat rijp voor een actievere rol van Nederland en de Europese Gemeenschap bij het vredesproces in het Midden-Oosten. De PLO zou bij onderhandelingen betrokken moeten worden. De presentatie van het rapport vond plaats op het moment dat een delegatie van drie leden van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, onder leiding van fractievoorzitter Wöltgens, voor een bezoek naar Israël was vertrokken. Een PvdA-delegatie onder leiding van partijvoorzitter Sint bracht kort daarna een bezoek aan Yasser Arafat, leider van de Palestijnse bevrijdingsorganisatie PLO. Een foto van eenlachende partijvoorzitter die Arafat de hand drukte bracht enige onrust teweeg onder de achterban. In een speciaal belegde bijeenkomst met de verontruste leden poogde Sint deze onrust weg te nemen.

Verwante instellingen en publikaties

Zoals reeds vermeld richtte de PvdA in januari de Alfred Mozer Stichting op, die zich eveneens onder leiding van Van der Stoel bezig zou houden met de ontwikkelingen in Oost-Europa. Begin juni organiseerde deze stichting haar eerste conferentie over de veiligheid in het nieuwe Europa. Op de conferentie in Utrecht uitte de vertegenwoordiger van de Westduitse zusterpartij (SPD), W. Biermann zijn verbazing over de uiterst positieve houding van de PvdA tegenover de NAVO. Hij refereerde daarbij aan een rapport, getiteld Een verenigd Duitsland en de toekomst van Europa, waarin de PvdA het principe van een verenigd Duitsland aanvaardde dat lid diende te zijn van de NAVO. Een werkgroep onder leiding van oud-Kamerlid Kombrink, gaf in het rapport Oost-Europa in economisch perspectief: een sociaal-democratische visie, een aantal aanbevelingen over de rol die West-Europa kan spelen bij de economische ontwikkeling van het Oostblok.

De Rooie Vrouwen in de PvdA hielden 10 maart een congres in Utrecht. Zij bepleitten een 32-urige werkweek voor iedereen vanaf 18 jaar. PvdA-leider Kok zei er te hopen dat in de jaren negentig een nieuwe emancipatiegolf Nederland zou overspoelen.

De Wiardi Beckmanstichting publiceerde in mei een discussienota over hoger onderwijs en in december een nota over milieupolitiek, getiteld De ecologische kwestie. Op het partijcongres in februari 1991 zou deze nota besproken worden.

Personalia

J. Schaefer vertrok in januari om gezondheidsredenen uit de Tweede Kamer, na bijna twintig jaar actief te zijn geweest als staatssecretaris, wethouder en Kamerlid. Zijn opvolger in de Tweede Kamer werd E.C.M. Jurgens, die van 1972 tot 1975 voor de PPR in de Tweede Kamer zitting had.

J.H. Lamberts, oud-lid van de Eerste Kamer, de Tweede Kamer en het Europees Parlement voor de PvdA, overleed half februari op 78-jarige leeftijd. In 1970 trachtte hij met zijn partijgenoot Roethof tevergeefs abortuswetgeving tot stand te brengen.

J.C. Kombrink werd directeur-generaal economie en financiën op het ministerie van defensie. Kombrink was sinds december 1972 Tweede Kamerlid geweest. In zijn nieuwe functie volgde hij zijn partijgenoot R. Meijerink op, die benoemd was tot secretaris-generaal op het departement van onderwijs en wetenschappen.

F.J. Goedhart, oprichter van de illegale krant het Parool en oud-lid van de Tweede Kamer, overleed begin maart op 86-jarige leeftijd. Van 1946 tot 1970 had hij zitting in de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer, daarna nog twee jaar voor DS’70.

Op 1 september werd mevr. E.L. Herfkens benoemd tot Nederlands ver­te­genwoordiger in de raad van bewindvoerders van de Wereldbank. Zij was van 1981 tot 1990 lid van de Tweede Kamer.

Laatst gewijzigd:11 april 2023 11:22