Skip to ContentSkip to Navigation
About usFaculty of Behavioural and Social SciencesLerarenopleiding

Omgaan met verschillen in de klas werkt. Maar hoe?

25 november 2019
Annemieke Smale-Jacobse
Annemieke Smale-Jacobse

In de serie ‘Onderzoek & Onderwijs’ bespreken onderzoekers van de Lerarenopleiding van de RUG wat hun onderzoek betekent voor de onderwijspraktijk. Deze week verscheen een review study van Annemieke Smale-Jacobse, Anna Meijer, Michelle Helms-Lorenz en Ridwan Maulana naar de effecten van differentiatie in de les. Annemieke Smale-Jacobse bespreekt de resultaten.

Inspectie, schoolleiders, wettelijke bekwaamheidseisen: iedereen zegt dat leraren moeten differentiëren. Waarom eigenlijk?

Als we kijken naar theorieën over hoe mensen leren is het idee dat je rekening moet houden met de voorkennis of andere leerlingkenmerken niet nieuw. Zo weten we bijvoorbeeld dat je bij het aanbieden van nieuwe stof of het aanleren van nieuwe vaardigheden in de zone van naaste ontwikkeling moet gaan zitten: niet te gemakkelijk en niet te moeilijk. Dat is nu eenmaal voor elke leerling anders. Dan is het logisch dat je de instructie of opdrachten ook op verschillende manieren aanbiedt. Die gedifferentieerde instructie kan op allerlei manieren: door aanpassingen te maken in leerproces, leertijd, het product dat leerlingen moeten maken, de leeromgeving, enzovoort. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat differentiatie ook echt effect kan hebben op leerprestaties en de betrokkenheid van leerlingen. Al vonden we in een eerdere overzichtsstudie in het basisonderwijs dat de effecten verschilden voor verschillende aanpakken.

Nu heb je een review study gedaan naar de effecten van differentiatie in het voortgezet onderwijs. Werkt het daar net zo goed als in het basisonderwijs?

Er was tot op heden weinig up-to-date informatie over wat er bekend is over gedifferentieerde instructie in het voortgezet onderwijs. Dus hebben we de wetenschappelijke literatuur tussen 2006 en 2016 systematisch doorzocht om hier meer over te weten te komen. We hebben gekeken naar kwantitatieve empirische studies waarin het effect van gedifferentieerde instructie op leerlingprestaties werd onderzocht. We hebben 1400 studies bekeken, en uiteindelijk waren er maar 14 artikelen over 12 studies die aan de criteria voldeden. Dat zijn er dus eigenlijk heel weinig. Er is wel veel beschrijvend onderzoek, case studies, of onderzoeken waarin geen effecten bij leerlingen worden gemeten, maar het onderzoek naar differentiatie in het VO zit nog in de ontwikkelfase.

In die studies die wel voldeden vinden we bijna altijd positieve effecten van gedifferentieerde instructie op leerlingprestaties, maar de grootte van het effect wisselt sterk. Ook de manier waarop differentiatie werd aangepakt wisselde. Soms werden bijvoorbeeld gedifferentieerde materialen ontwikkeld, soms omvatte de interventie meer algemene professionalisering van docenten, en andere keren bevatte het slechts beperkte extra uitleg voor leerlingen die meer hulp nodig hadden. Er is nog meer onderzoek nodig om te weten te komen welke aanpak precies werkt binnen welke context.

Heeft het dan wel zin om te differentiëren?

De boodschap is denk ik niet dat differentiatie geen zin heeft; in bijna alle studies was er sprake van een positief effect. Wel moeten we nog veel beter onderzoeken hoe je differentiatie in kunt zetten in de klas. Het is natuurlijk ook niet zo dat je altijd moet differentiëren; het moet wel bij je lesdoelen passen en bij de kenmerken van de leerlingen en de context waarin je lesgeeft.

Wat zou er in de gereedschapskist van elke docent moeten zitten?

Je ziet dat in Nederland – vooral in het basisonderwijs - relatief vaak gebruik wordt gemaakt van ‘ability grouping’: het apart instructie geven aan groepjes van verschillende niveaus. Dat kan goed werken, mits het flexibel wordt ingezet – varieer de groeperingsvormen dus regelmatig: homogene groepjes, heterogene groepjes, groeperen naar niveau, groeperen naar interesse. Wat leraren vaker kunnen toepassen is ‘tiering’: dezelfde opdracht aanbieden, maar de opdracht uitwerken op meerdere niveaus. Wat ook goed werkt is een focus op ‘mastery learning’. Je kunt dit al best simpel doen door aan het einde van een les of korte lessenserie een formatief toetsje te geven. Op basis van de uitkomst van die toets biedt je ofwel verdiepende stof aan, ofwel extra instructie en oefening. Dit herhaalt zich tot alle leerlingen een voldoende niveau behalen om door te gaan naar het volgende onderwerp. Een geïndividualiseerde aanpak in de klas bleek lastig in ons onderzoek, misschien kan ICT daar een rol in spelen.

[Tekst gaat door onder de video]

Is het niet te veel werk om gedifferentieerde opdrachten te maken?

Differentiatie kost natuurlijk tijd. Je moet daarom niet in één keer overal willen differentiëren. Tomlinson spreekt daarom van ‘low-prep’-differentiatie (kleine aanpassingen die je makkelijk kunt inzetten) en ‘high-prep’-differentiatie (gedifferentieerde aanpakken waar je wat meer voorbereidingstijd voor nodig hebt). Probeer ‘low-prep’ vaak toe te passen, en ontwikkel samen met collega’s bijvoorbeeld één keer per periode een ‘high-prep’-opdracht. Dan heb je na verloop van tijd een aantal opdrachten liggen die je kunt inzetten.

Ten slotte: is differentiatie een onderwijshype die weer overgaat?

Het is in die zin een hype dat er erg veel over gepraat wordt op studiedagen en cursussen. Maar dat is niet per se slecht. Als je er als docent en schoolleider maar kritisch op bent en altijd in de gaten houdt: hoe kan ik dit toepassen in mijn specifieke onderwijscontext. Kijk vooral naar de behoefte van je leerlingen, en houd je leerdoelen in de gaten. Ik denk dat als je goed zicht krijgt op het leren van leerlingen, je vanzelfsprekend zult merken dat ze verschillen in leerbehoeften. Gedifferentieerde instructie (of andere adaptieve aanpakken) toepassen volgt in die zin logisch voort uit de wens je leerlingen zo goed mogelijk te bedienen.

Laatst gewijzigd:27 november 2019 10:11

Meer nieuws