Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFaculteit RechtsgeleerdheidActueelNieuwsarchief

RUG-onderzoekers pleiten voor codificatie van bestaande voorwaarden voor erkenning van buitenlandse vonnissen

23 januari 2018

In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie hebben drie onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), te weten prof. mr. dr. M.H. ten Wolde, mr. J.G. Knot en mr. K.C. Henckel, onderzoek gedaan naar de werking van artikel 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij pleiten voor codificatie van de bestaande voorwaarden voor erkenning van buitenlandse vonnissen en geven de wetgever invoering van het exequaturstelsel in overweging.

Het onderzoek

Op grond van het bepaalde in artikel 431 Rv kunnen buitenlandse civielrechtelijke vonnissen in Nederland niet ten uitvoer worden gelegd als er geen verordening of verdrag van toepassing is. De praktijk is echter anders. De Hoge Raad heeft in 2014 nog weer eens bevestigd dat erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing in Nederland onder voorwaarden wel degelijk kan plaatsvinden, ook als er geen verdrag of verordening geldt. Als de buitenlandse beslissing aan een viertal (zorgvuldigheids)voorwaarden voldoet, kan deze in een Nederlandse rechterlijke beslissing worden overgenomen en deze kan vervolgens ten uitvoer worden gelegd.

Rechtszekerheid

De onderzoekers hebben de Nederlandse praktijk tegen het licht gehouden en deze vergeleken met de wijze waarop in het buitenland met de erkenning en ten uitvoerlegging van vreemde vonnissen wordt omgegaan. Ook interviewden zij advocaten en leden van de rechterlijke macht met het oog op hun praktijkervaring met artikel 431 Rv. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat het Nederlandse systeem rechtsvergelijkend niet uit de toon valt, maar dat het op een aantal punten wel verduidelijking en vereenvoudiging verdient. Zo moet in de eerste plaats duidelijk zijn wanneer de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om op een verzoek tot erkenning te beslissen. Daarvoor zou de verzoeker een zeker belang aannemelijk moeten kunnen maken. Ook moeten de huidige erkenningsvoorwaarden, die nu slechts kenbaar zijn uit de rechtspraak, in een nieuw artikel 431 Rv worden gecodificeerd. Dat bevordert de rechtszekerheid. Bovendien moet de wetgever duidelijker instructies geven over de mate waarin en de wijze waarop de rechter een buitenlands vonnis dient te toetsten indien er een vermoeden is van fraude in de buitenlandse procedure.

Nieuwe systematiek?

De onderzoekers adviseren de wetgever daarnaast om het huidige systeem, waarin de buitenlandse beslissing wordt overgenomen in een Nederlandse beslissing, los te laten en om te vormen in een exequatursysteem. In dat systeem kan de buitenlandse beslissing zelf – nadat deze door de Nederlandse rechter zorgvuldig is getoetst en daarvoor door de rechter verlof (exequatur) is verleend – in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Veel andere landen hanteren reeds zonder problemen een exequatursysteem en dit systeem is ook in verdragen en verordeningen neergelegd.

Conclusie

Eindconclusie van de onderzoekers is dat aanpassing van artikel 431 Rv dringend is gewenst. De huidige tekst van artikel 431 Rv is in tegenspraak met de praktijk, hetgeen gemakkelijk tot misverstanden kan leiden. Bovendien verdient de praktijk van erkenning en tenuitvoerlegging op een aantal punten, waaronder de indringendheid van de rechterlijke toetsing in geval van fraude, nadere duidelijkheid. Ten slotte adviseren de onderzoekers over te gaan tot invoering van een exequatursysteem.

Prof. mr.dr. Mathijs ten Wolde
Prof. mr.dr. Mathijs ten Wolde
Mr. Jan-Ger Knot
Mr. Jan-Ger Knot
Mr. Kirsten Henckel
Mr. Kirsten Henckel

Dit bericht is geplaatst door de Faculteit Rechtsgeleerdheid.

Laatst gewijzigd:24 januari 2018 09:30

Meer nieuws