Negatieve oordelen spelen grote rol in leven van bijstandsgerechtigden

Het negatieve oordeel over bijstandsgerechtigden is hardnekkig en vindt plaats in het openbaar én in de privésfeer. Veel bijstandsgerechtigden nemen de negatieve stereotypen uiteindelijk over in hun eigen zelfbeeld. Dat blijkt uit onderzoek van Amber Vellinga-Dings, waarop zij 1 oktober promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Het huidige beleid ondermijnt juist de zelfredzaamheid bij bijstandsgerechtigden die het wil bevorderen.’
Mensen die langdurig van een bijstandsuitkering leven, bevinden zich vaak in moeilijke omstandigheden. Vellinga-Dings heeft onderzocht hoe mensen in de langdurige bijstand het ervaren om bijstandsgerechtigde te zijn en met welke uitdagingen zij in het dagelijks leven te maken krijgen. Ook onderzocht ze of een groepscursus hun zelfbewustzijn en welbevinden kan ondersteunen.
Negatief zelfbeeld
Vellinga-Dings: ‘In onze samenleving heerst vaak een negatief beeld van mensen die een bijstandsuitkering ontvangen. Zij worden als lui of onbekwaam gezien. Deze negatieve vooroordelen noemen we ook wel ‘uitkeringsstigma’.’ Uit het onderzoek blijkt dat negatieve vooroordelen zowel in het openbaar als in de privésfeer voorkomen. Veel bijstandsgerechtigden nemen deze negatieve stereotypen over in hun eigen zelfbeeld. ‘De deelnemers aan het onderzoek hadden zelf ook een negatief beeld van bijstandsgerechtigden, vóórdat zij zelf in de bijstand terechtkwamen. Op het moment dat ze zelf in die situatie komen, krijgen ze al snel een negatief zelfbeeld.’ Ze hebben het gevoel tekort te schieten of een mislukkeling te zijn. Dit kan resulteren in gevoelens van schaamte, stress, eenzaamheid en soms destructief gedrag, zoals sociale isolatie, extreem drankgebruik of eetverslaving.
Opeenstapeling problemen
Bijstandsgerechtigden hebben naast de arbeidsmarktproblemen en financiële uitdagingen vaak ook gezondheidsproblemen, uitdagingen in het sociale netwerk en binnen het gezin, moeite met het huishouden, administratie en algemene dagelijkse handelingen. De ondersteuning die volgens Vellinga-Dings nodig is moet zich richten op een beter algeheel welbevinden, een sterker sociaal netwerk en op vaardigheden die mensen helpen meer controle over hun eigen leven te ervaren.

Oog voor waardevolle bijdrage
Om de negatieve gevoelens te doorbreken is het essentieel dat zowel bijstandsgerechtigden zelf als hun omgeving oog krijgen voor de waarde van wat zij wél doen en voor de rollen die zij vervullen in periodes zonder betaald werk. Vellinga-Dings: ‘Dat kan al op een heel laagdrempelige manier. Werkcoaches kunnen bijvoorbeeld bewust stilstaan bij de betekenisvolle rollen die iemand vervult – als ouder, kind, vrijwilliger, mantelzorger of buurtgenoot – en deze duidelijk benoemen en erkennen.’
Hoe dan wel?
Het onderzoek van Vellinga-Dings laat zien dat de GRIP&GLANS-groepscursus, ontwikkeld door RUG-hoogleraar Steverink, veelbelovende resultaten oplevert voor deze doelgroep. Zowel het gevoel van eigen regie en het welbevinden neemt toe, gevoelens van eenzaamheid en stress nemen af. Vellinga-Dings: ‘Dit is op individueel niveau waardevol, maar blijvende verbetering vraagt om bredere maatschappelijke veranderingen. Sociaal beleid dat participatie centraal stelt, maar voorbijgaat aan welbevinden, identiteit en stigma, ondermijnt juist de zelfredzaamheid bij bijstandsgerechtigden die het wil bevorderen. In media, podcasts en journalistiek zijn verhalen nodig die het stereotype beeld van ‘de uitkeringstrekker’ doorbreken, die de waarde van onbetaald werk zichtbaarder maken. Politici en beleidsmakers kunnen zulke perspectieven actiever uitdragen. Het mag wel duidelijker worden dat het krijgen van een uitkering geen persoonlijk falen is, maar een risico dat iedereen kan treffen.’
Meer informatie
Meer nieuws
-
24 augustus 2026
Social media: Zwemmen of verdrinken?