Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

‘Ingrijpende verandering nodig in jeugdzorg’

08 oktober 2012

Seksueel misbruik is inherent aan de manier waarop instellingen voor Jeugdzorg werken. De groepsgewijze plaatsing van kinderen en jongeren, het relatief grote aantal van deze jongeren met een verleden van seksueel misbruik, en de complexe taak van de groepsleiding maken dat er een verhoogd risico in de residentiële jeugdzorg bestaat op seksueel misbruik en seksueel overschrijdend gedrag. Dat concludeert de Groningse hoogleraar jeugdsociologie Greetje Timmerman. Zij en haar collega’s deden onderzoek naar misbruik in instellingen voor jeugdzorg voor de commissie Samson, die eerder vandaag haar conclusies bekendmaakte.

De commissie Samson kreeg in 2011 de opdracht om onafhankelijk onderzoek te verrichten naar seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in instellingen of pleeggezinnen zijn geplaatst. Dat onderzoek is uitgevoerd door wetenschappers, onder wie naast Timmerman ook prof. dr. Hans Grietens en prof. dr. Jeroen Dekker van de Rijksuniversiteit Groningen (zie onder). Timmerman kreeg als opdracht in kaart te brengen hoe vaak seksueel misbruik voorkwam in de residentiële zorg in de periode vanaf 1945.

Structureel

‘De commissie wilde weten of het misbruik incidenteel was of structureel. En hoe vaak het precies voorkwam’, zegt Timmerman. Exacte getallen zijn over zo’n lange periode natuurlijk niet te geven. Via een enquête onder 354 medewerkers van de Jeugdzorg is er wel een schatting over recent misbruik in de afgelopen 15 jaar. Gemiddeld kwamen deze medewerkers eens in de vijf jaar een geval van seksueel misbruik tegen. De helft vond plaats tussen pupillen onderling, in 35 procent ging het om een begeleider die zich aan een pupil vergreep. In de overige gevallen vond het misbruik buiten de instelling plaats, bijvoorbeeld bij familie. De cijfers komen overeen met wat in de internationale literatuur wordt gerapporteerd.

Via verschillende methoden heeft Timmerman onderzocht hoe algemeen misbruik in het verdere verleden was. ‘We hebben verschillende technieken gebruikt, die allemaal dezelfde richting uit wijzen: seksueel misbruik was zeker niet incidenteel.’ De groep van Timmerman onderzocht archieven van kindertehuizen, sprak met oud-cliënten en oud-medewerkers, interviewde diverse sleutelfiguren uit de jeugdzorg, hield focusgroepen met gezinsvoogden, kinderrechters en medewerkers van Bureaus Jeugdzorg en bestudeerde (internationale) literatuur over seksueel misbruik. ‘Mijn overtuiging is dat de manier waarop de jeugdzorg was en is georganiseerd het misbruik mede in de hand werkten.’

Spanningsveld

Timmerman wijst drie hoofdoorzaken aan. Allereerst de groepsgewijze plaatsing van kinderen. ‘Zo’n groep met meestal tien tot vijftien kinderen, jongens en meisjes door elkaar, vaak met gedragsproblematiek, krijgt z’n eigen dynamiek.’ Daarnaast hebben veel kinderen in de jeugdzorg een geschiedenis van seksueel misbruik (als slachtoffer én/of als dader) of prostitutie. Ten slotte zijn er de groepsleiders. ‘Die moeten pedagogische veiligheid bieden, maar mogen weer geen té hechte binding aangaan. Dat geeft een spanningsveld.’

Voeg daaraan toe dat groepsleiders soms maar een paar jaar ouder zijn dan de cliënten en het is duidelijk dat het risico op onprofessionele relaties groot is. ‘Typische gevallen zijn een meisje van 15 tot 18 jaar, die een seksuele relatie heeft met een groepsleider van in de twintig.’ Een relatie die buiten de instelling heel gewoon zou zijn.

Tijdgeest

Als misbruik inherent was aan de jeugdzorg, waarom kwam dit dan nooit naar buiten? Voor een antwoord op die vraag onderzocht Timmerman de ‘tijdgeest’. ‘Je hebt te maken met een veranderende houding ten opzichte van seksualiteit’, legt Timmerman uit. Tussen 1945 en 1965 werd er nauwelijks gesproken over seksualiteit. ‘In de instellingen was seksuele problematiek aan de orde van de dag, maar dit werd vooral gezien als een probleem ván de pupillen vóór de groepsleiding. Misbruik kwam incidenteel wel voor, maar er bestond veel begrip voor de groepsleider die dat ‘overkwam’.

Daarna volgde de seksuele revolutie. Tussen 1965 en 1990 was seks bespreekbaar, maar het mocht vooral geen probleem meer zijn. ‘Een nieuwe, jonge generatie groepsleiders nam de nieuwe, vrije seksuele moraal mee naar de groepen. Seks was iets leuks, het moest vooral kunnen.’ De jongeren in de instellingen wilden zelf ook meer vrijheid. In die situatie werden meisjes die klaagden over handtastelijkheden of ernstiger seksueel misbruik niet serieus genomen.

In de periode vanaf 1990 kwam er dankzij de vrouwenbeweging meer aandacht voor seksuele intimidatie en seksueel misbruik. Daarnaast sloeg de vergaande liberale houding tegenover pedofilie radicaal om. ‘Dat alles zorgde weer voor een verkramping in instellingen voor jeugdzorg. Maar nog steeds werd seksueel misbruik gezien als een probleem van de kinderen zelf. Het is verbazend en moeilijk te begrijpen dat er nu pas politieke aandacht voor dit misbruik is gekomen.’

Niet geloofd

Tot de jaren negentig werden signalen van misbruik stelselmatig genegeerd, ontdekte Timmerman. Als voorbeeld noemt ze de archieven van de commissie-Dijkhuis, die in de jaren zeventig misbruik bij de Heldringstichting in Zetten onderzocht. ‘Uit bewaarde gespreksnotities blijkt dat sommige geïnterviewde meisjes expliciet vertelden over misbruik door geneesheer-directeur psychiater Theo Finkensieper. Maar die verklaringen zijn nooit in de stukken opgenomen, omdat de interviewers ze niet geloofden, ze afdeden als fantasie.’ Hierdoor kon het misbruik doorgaan tot in de jaren tachtig. Pas in 1989 werd Finkensieper ontslagen, in 1992 volgde een veroordeling voor seksueel misbruik.

Aanbeveling

De commissie Samson heeft aanbevelingen opgesteld naar aanleiding van het totale onderzoek. Op basis van haar eigen bevindingen denkt Timmerman dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn in de residentiële jeugdzorg. ‘Je zult rekening moeten houden met de groepsdynamiek. Daar is nog nauwelijks iets over bekend. En verdere professionalisering van de zorg is nodig. Groepsleiders moeten elkaar in de spiegel laten kijken om te voorkomen dat iemand onbewust een te hechte relatie opbouwt met een cliënt.

Het onderzoeksrapport Aard en omvang van seksueel misbruik in de residentiële zorg is te downloaden via http://www.rug.nl/staff/m.c.timmerman/research

Noot voor pers

Meer informatie: prof. dr. M.C. Timmerman

Deelonderzoeken

Naast het onderzoek van prof. dr. Timmerman zijn er nog twee deelonderzoeken in opdracht van de commissie Samson aan de Rijksuniversiteit Groningen uitgevoerd. Deze staan hieronder kort beschreven.

Misbruik in de pleegzorg

- Seksueel misbruik van kinderen in pleegzorg. Aard en omvang van seksueel misbruik in de pleegzorg en de reactie op signalen.

Onderzoeksleider prof. dr. Hans Grieten s, hoogleraar Orthopedagogiek

Dit deelonderzoek had betrekking op de periode 1945-2007. De centrale vraag was hoe seksueel misbruik van kinderen in pleegzorg mogelijk was. Op basis van gegevens uit een landelijke survey naar incidenten, een analyse van meldingen die bij de commissie Samson binnenkwamen en gesprekken met slachtoffers en professionals, werd getracht een beeld te verkrijgen over hoe dit probleem kon ontstaan en welke de reacties waren op signalen.

De onderzoekers stelden vast dat seksueel misbruik van pleegkinderen niet zelden een zeer ernstig karakter. Kinderen die al eerder slachtoffer waren geweest van misbruik en kinderen die vaak werden verplaatst in de zorg, waren zeer kwetsbaar. Klachten werden niet naar buiten gebracht uit schrik, schaamte of onwetendheid en wanneer dit toch gebeurde, werd er vaak geen of nauwelijks geloof aan gehecht.

Conclusie van dit onderzoek is dat seksueel misbruik van kinderen in pleegzorg mogelijk was door een samenspel van factoren bij kinderen (zoals gedragsproblemen na eerder misbruik), pleeggezinnen (zoals sociale isolatie), zorgverleners (zoals gebrek aan professionalisering) en de hele samenleving (zoals sociale uitsluiting).

Het onderzoeksrapport is te downloaden via http://www.rug.nl/staff/h.grietens/projects

Toezicht op de jeugdzorg

- Jeugdzorg in Nederland, 1945-2010. Resultaten van deelonderzoek 1 van de Commissie-Samson: Historische schets van de institutionele ontwikkeling van de jeugdsector vanuit het perspectief van het kind en de aan hem/haar verleende zorg.

- Overheid en gedwongen jeugdzorg: een nader onderzoek naar toezicht en inspectie in de periode na de Tweede Wereldoorlog tot midden jaren tachtig.

Onderzoeksleider van beide projecten is prof. dr. Jeroen J.H. Dekker , hoogleraar Grondslagen van de Pedagogiek

Er zijn vier thema’s onderzocht: het systeem van instellingen, de pedagogische cultuur, het kindperspectief en toezicht en inspectie.

De kinderbescherming begon als verzuild systeem. Door de ontzuiling en de mondigheidsrevolutie van de jaren 60 kwam ze in een legitimiteitscrisis. Het aantal kinderbeschermingsmaatregelen en uithuisplaatsingen daalde daardoor scherp. Vanaf begin jaren 80 herstelde de kinderbescherming zich en vernieuwde radicaal. Ze werd kleinschaliger, kindgerichter, meer gericht op pleegzorg en op behandeling in plaats van op verzorging en heropvoeding. Ze werd professioneler en kwam onder invloed van protocollering en marktdenken. En de naam veranderde: van kinderbescherming naar jeugdzorg. Deze vernieuwing betekende niet automatisch dat de jeugdzorg veiliger werd. Oud-pupillen hadden veel kritiek op de tehuizen en ook op de pleegzorg. Voor de meesten gold niettemin: alles liever dan in een tehuis. Er bestond allerlei toezicht op de jeugdzorg, maar overheidsinspectie was tot in de jaren tachtig beperkt. Media publiceerden ook over de jeugdzorg, vooral over mistoestanden. Als zelfbenoemde maatschappelijke toezichthouders konden ze soms grote invloed uitoefenen.

De onderzoeksrapporten zijn te downloaden via http://www.rug.nl/staff//j.j.h.dekker/research

Laatst gewijzigd:27 juni 2016 13:01

Meer nieuws