Skip to ContentSkip to Navigation
OnderwijsOpleidingenAndere studiemogelijkhedenCursusinformatie stralingsbeschermingNiveau 4

Proefexamen niveau 4AB #2

Cursusmateriaal stralingsbescherming

Bij elk van de de volgende vragen moet het juiste antwoord worden aangekruist. Per vraag is maar één antwoord juist. De goede antwoorden vindt u hier. Het examen is gebaseerd op de leerstof behandeld in de syllabus Stralingsbescherming Deskundigheidsniveau 4 van de Arbo- en Milieudienst / SBE (Rijksuniversiteit Groningen, 2013).

  1. Wat zijn isobaren?
    1. nucliden met verschillende Z en gelijke N
    2. nucliden met gelijke Z en verschillende N
    3. nucliden met verschillende Z en verschillende N
    4. nucliden waarvoor Z/N een vaste verhouding heeft
  2. Wat zijn Auger-elektronen?
    1. mono-energetische elektronen die worden uitgezonden door een atoomkern
    2. elektronen die worden vrijgemaakt door absorptie van een γ-foton
    3. mono-energetische elektronen die ontstaan als alternatief voor röntgenprocessen in de elektronenwolk
    4. elektronen die worden uitgezonden bij het ontstaan van remstraling
  3. Met het woord dragervrij bedoelt men dat een radionuclide niet vermengd is met stabiele isotopen.
    Vul de zin aan: De activiteit van 1 gram van een dragervrij radionuclide is...
    1. evenredig met het massagetal en omgekeerd evenredig met de halveringstijd
    2. evenredig met de halveringstijd en omgekeerd evenredig met het massagetal
    3. evenredig met het massagetal en evenredig met de halveringstijd
    4. omgekeerd evenredig met het massagetal en omgekeerd evenredig met de halveringstijd
verval Al26
  1. Hierboven staat het vervalschema van 26Al. Welke is de maximale energie van de uitgezonden β2 +-deeltjes?
    1. 1,177 MeV
    2. 1,809 MeV
    3. 2,199 MeV
    4. 4,008 MeV
  2. Hoe groot is de maximale dracht van β-deeltjes met een energie Eβ,max = 1,8 MeV volgens de gebruikelijke vuistregel?
    1. ongeveer 1,8 g/cm2
    2. ongeveer 0,9 g/cm2
    3. ongeveer 0,9 mg/cm2
    4. ongeveer 1,8 mg/cm2
  3. Welke van de onderstaande grafieken beschrijft het beste de transmissie van γ-straling als functie van de absorberdikte?
transmissie
  1. Vul de zin aan: Voor γ-energieën waarbij het Compton-effect overheerst, is de massaverzwakkingscoëfficiënt voor een smalle bundel fotonen bij benadering...
    1. omgekeerd evenredig met de dichtheid van het materiaal
    2. nagenoeg onafhankelijk van het atoomnummer Z van het materiaal
    3. evenredig met het atoomnummer Z van het materiaal
    4. omgekeerd evenredig met het atoomnummer Z van het materiaal
  2. Wat heeft GEEN invloed op de dosisopbouwfactor voor brede bundels γ-straling?
    1. de absorberdikte
    2. het aantal opvallende γ-fotonen
    3. de soortelijke massa van het afschermingsmateriaal
    4. de γ-energie
  3. Bij elke wisselwerking van ioniserende straling met het gas in een proportionele telbuis ontstaat er aan de uitgang van de detector een elektronisch signaal.
    Vul de zin aan: Bij een vaste instelling van de apparatuur is de grootte van dat signaal evenredig met...
    1. de hoogspanning
    2. de gasdruk
    3. de afgegeven energie
    4. het aantal opvallende deeltjes
  4. Aan het telgas van een Geiger-Müllerbuis wordt gewoonlijk een doofgas toegevoegd. Om welke reden wordt dat gedaan?
    1. om de gasversterking te verhogen
    2. om de gasversterking te verlagen
    3. om de dode tijd te verkleinen
    4. om te voorkomen dat secundaire elektronen worden gevormd als ionen op de kathode botsen
  5. Tot welke groep van detectoren behoort een thermoluminescentiedetector (TLD) zoals LiF ?
    1. vaste-stofscintillatoren
    2. vloeibare scintillatoren
    3. ionisatiedetectoren
    4. halfgeleiderdetectoren
  6. Bij welke soort meting wordt NOOIT gebruik gemaakt van een veelkanaalsanalysator?
    1. activiteitsmeting
    2. dosistempometing
    3. besmettingsmeting
    4. γ-spectrometrie
  7. Wat is exposie?
    1. hoeveelheid geabsorbeerde energie per eenheid van massa
    2. hoeveelheid ionisatielading per eenheid van massa
    3. fluxdichtheid van de invallende deeltjes
    4. stralingsintensiteit in de meest brede zin
  8. Wat is het verschil tussen effectieve dosis en equivalente orgaandosis?
    1. bij de effectieve dosis wordt wel rekening gehouden met de stralingsweegfactor en bij de equivalente orgaandosis wordt dit niet gedaan
    2. bij de effectieve dosis wordt geen rekening gehouden met de stralingsweegfactor en bij de equivalente orgaandosis wordt dit wel gedaan
    3. bij de effectieve dosis wordt wel rekening gehouden met de weefselweegfactor en bij de equivalente orgaandosis wordt dit niet gedaan
    4. bij de effectieve dosis wordt geen rekening gehouden met de weefselweegfactor en bij de equivalente orgaandosis wordt dit wel gedaan
  9. Welke weefsels zijn in het algemeen het meest stralingsgevoelig?
    1. weefsels die de meeste straling ontvangen
    2. weefsels waarvan de cellen veelvuldig delen
    3. weefsels die gelegen zijn in de buikholte
    4. weefsels waarvan de cellen niet meer delen
  10. Welk stralingssyndroom overheerst na een totale lichaamsbestraling met 2 Sv ?
    1. hersensyndroom
    2. darmsyndroom
    3. beenmergsyndroom
    4. leversyndroom
  11. Vul de zin aan: De direkte effecten als gevolg van een geabsorbeerde dosis ioniserende straling van 5 Gy zijn...
    1. het kleinst als deze dosis ontvangen is in een korte tijd
    2. het kleinst als deze dosis ontvangen is in kleine fracties met tussenpozen van ongeveer een dag
    3. kleiner in tumorweefsel dan in het aangrenzende gezonde weefsel
    4. kleiner na een bestraling met neutronen dan na een bestraling met γ-straling
  12. Welke aandoening kan NIET als een stochastisch effect worden aangemerkt?
    1. troebeling van de ooglens
    2. kanker
    3. leukemie
    4. genetische afwijkingen
  13. Hoe groot is volgens publicatie ICRP-60 het overlijdensrisico als gevolg van blootstelling aan ioniserende straling?
    1. 0,05% per mSv
    2. 0,05% per Sv
    3. 5% per mSv
    4. 5% per Sv
  14. Het door de ICRP aanbevolen beschermingskader bij handelingen bevat een aantal uitgangspunten en oogmerken. Welke behoort daar NIET toe?
    1. de toepassing moet gerechtvaardigd zijn, dat wil zeggen dat de resultaten nuttig zijn en opwegen tegen de nadelen
    2. de resulterende stralingsdosis moet zo laag mogelijk worden gehouden
    3. er mogen geen dosislimieten worden overschreden
    4. alle alternatieve mogelijkheden waarbij geen straling wordt toegepast genieten zonder meer de voorkeur
  15. Welke is de wettelijk jaarlimiet voor handen en huid van blootgestelde werknemers?
    1. 20 mSv
    2. 50 mSv
    3. 200 mSv
    4. 500 mSv
  16. Op wiens naam moet de kernenergiewetvergunning voor een bedrijf of instelling staan?
    1. bedrijf of instelling als rechtspersoon
    2. stralingsdeskundige die in de vergunning wordt genoemd
    3. bedrijfsarts van het bedrijf of de instelling
    4. hoofd van de bedrijfsveiligheidsdienst van het bedrijf of de instelling
  17. Volgens het Besluit Stralingsbescherming moeten blootgestelde werknemers jaarlijkse medisch worden onderzocht als de effectieve jaardosis boven een bepaalde grenswaarde kan komen. Welke is deze grenswaarde?
    1. 1 mSv
    2. 6 mSv
    3. 20 mSv
    4. 200 mSv
  18. Vul de zin aan: Het dragen van een persoonlijk dosisregistratiemiddel (bijvoorbeeld een TLD-badge) door een blootgestelde werknemer...
    1. is zinloos omdat de dosis er niet door verminderd wordt
    2. is zinvol omdat dit het beroepsrisico verlaagt
    3. wordt aanbevolen door het Besluit Stralingsbescherming
    4. wordt verplicht gesteld door het Besluit Stralingsbescherming
  19. Waartegen bieden de drie gouden regels (te weten: snel werken, afstand houden en afschermen) bescherming?
    1. uitwendige bestraling
    2. inwendige bestraling
    3. zowel uitwendige als inwendige bestraling
    4. medische bestraling
  20. Welke maatregel leidt tot de grootste afname van het dosistempo ?
    1. de activiteit met een factor 3 verminderen
    2. de werktijd met een factor 3 verkorten
    3. de activiteit met een factor 3 verminderen en tevens de werktijd met een factor 3 verkorten
    4. de werkafstand met een factor 2 vergroten
  21. Welke maatregel(en) moet men nemen om te voorkomen dat een radioactieve bron zoekraakt?
    1. registratie van het gebruik van alle bronnen
    2. plaatsing van een waarschuwingsbord tijdens het gebruik van een bron
    3. opslag in de kluis na het gebruik van een bron
    4. alle onder [a] tot en met [c] genoemde maatregelen
  22. Door welk materiaal worden neutronen het minst goed afgeschermd?
    1. water
    2. polyetheen
    3. paraffine
    4. lood

    De vragen 29 tot en met 33 zijn alleen voor deskundigheidsniveau 4A.
  23. Vul de zin aan: Een röntgentoestel mag zonder vergunning worden gebruikt mits het...
    1. voor therapeutische doeleinden wordt gebruikt en de maximale buisspanning minder is dan 100 kV
    2. voor diagnostische doeleinden wordt gebruikt en de maximale buisspanning minder is dan 100 kV
    3. voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt en de maximale buisspanning minder is dan 100 kV
    4. bij de Arbeidsinspectie is gemeld
  24. Vul de zin aan: De maximale energie van de fotonen die door een röntgenbuis worden uitgezonden, hangt af van...
    1. de anodespanning
    2. de anodestroom
    3. het anodemateriaal
    4. elk van de onder [a] tot en met [c] genoemde grootheden
  25. De halveringsdikte (HVD) is de hoeveelheid materiaal die het dosistempo met een factor twee vermindert. Welke eigenschap geldt voor de straling die door een röntgenbuis wordt uitgezonden?
    1. de HVD wordt groter als de belichtingsduur toeneemt
    2. de HVD wordt kleiner als de belichtingsduur toeneemt
    3. de HVD vóór verstrooiing van de straling is groter dan de HVD ná verstrooiing
    4. de HVD vóór verstrooiing van de straling is kleiner dan de HVD ná verstrooiing
  26. Wat bepaalt voornamelijk de stralingsdosis die een interventieradioloog oploopt als hij tijdens de doorlichting vlakbij zijn patiënt zit?
    1. directe straling
    2. lekstraling
    3. strooistraling
    4. natuurlijke straling
  27. Om welke reden moet een röntgentoestel voorzien zijn van een sleutelschakelaar?
    1. om te voorkomen dat de beveiligingen worden overbrugd
    2. om te voorkomen dat het toestel door onbevoegden wordt gebruikt
    3. om te voorkomen dat de dosislimieten worden overschreden
    4. om te voorkomen dat het toestel wordt ontvreemd

    De vragen 34 tot en met 38 zijn alleen voor deskundigheidsniveau 4B.
  28. Wie is bevoegd om een bepaald radionuclidenlaboratorium op D-niveau in een ziekenhuis daadwerkelijk te beheren?
    1. de geneesheer-directeur van het ziekenhuis mits dit over een passende kernenergiewetvergunning beschikt
    2. elke medische specialist die geregistreerd is als nucleair geneeskundige
    3. elke stralingsdeskundige niveau 4B
    4. uitsluitend de stralingsdeskundige die in de betreffende kernenergiewetvergunning wordt genoemd
  29. Welke maatregel is specifiek bedoeld om het ontstaan en verspreiden van radioactieve besmettingen in het radionuclidenlaboratorium te voorkomen?
    1. gebruik van een morsbak
    2. dragen van een persoonsdosismeter
    3. goede ventilatie
    4. goed decontamineerbare vloeren en wanden
  30. Welke eigenschap is noodzakelijk voor een goede werking van de zuurkast?
    1. de vrije doorstroming van lucht wordt niet belemmerd
    2. de zuurkast is goed decontamineerbaar
    3. het raam van de kast kan volledig worden gesloten
    4. het raam van de kast kan volledig worden geopend
  31. Voor welke stralingssoort(en) is het bronorgaan meestal tevens het enige doelorgaan?
    1. uitsluitend α-straling
    2. uitsluitend zachte β-straling
    3. zowel α-straling als zachte β-straling
    4. geen enkele stralingssoort
  32. Hoe groot is de fractie van de gedeponeerde activiteit die vanuit het compartiment ET1 via het transfer compartiment wordt afgevoerd?
    1. 0%
    2. 1%
    3. 10%
    4. afhankelijk van het oplosbaarheidstype (F, M of S)
Laatst gewijzigd:10 juni 2016 16:10