Skip to ContentSkip to Navigation
OnderwijsOpleidingenAndere studiemogelijkhedenStralingsbeschermingCursusinformatie stralingsbeschermingNiveau 4

Proefexamen niveau 4AB #1

Cursusmateriaal stralingsbescherming

Bij elk van de de volgende vragen moet het juiste antwoord worden aangekruist. Per vraag is maar één antwoord juist. De goede antwoorden vindt u hier. Het examen is gebaseerd op de leerstof behandeld in de syllabus Stralingsbescherming Deskundigheidsniveau 4 van de Arbo- en Milieudienst / SBE (Rijksuniversiteit Groningen, 2013).

  1. Vul de zin aan: De twee nucliden 23Na en 23Ne zijn...
    1. isomeren
    2. isotonen
    3. isobaren
    4. isotopen
  2. Wat gebeurt er bij elektronvangst?
    1. er wordt energie van de kern overgedragen aan een baanelektron
    2. er wordt een baanelektron opgenomen in de atoomkern
    3. er wordt een positron ingevangen door een elektron
    4. er wordt geen secundaire straling uitgezonden
  3. Wat gebeurt er bij interne conversie?
    1. er wordt energie van de kern overgedragen aan een baanelektron
    2. er wordt een baanelektron opgenomen in de atoomkern
    3. er wordt een positron ingevangen door een elektron
    4. er wordt geen secundaire straling uitgezonden
  4. Wanneer zijn twee opeenvolgende radionucliden uit een natuurlijke radioactieve reeks met elkaar in evenwicht?
    1. als hun halfwaardetijden gelijk zijn
    2. als de aantallen kernen van beide nucliden gelijk zijn
    3. als hun desintegratieconstanten gelijk zijn
    4. als hun activiteiten gelijk zijn
  5. Welke van de onderstaande grafieken beschrijft het beste de transmissie van β-deeltjes als functie van de absorber dikte?
transmissie
  1. Van welke orde van grootte is de dracht van 5 MeV α-deeltjes in lucht?
    1. micrometers
    2. millimeters
    3. centimeters
    4. meters
  2. Vul de zin aan: De bijdrage van het Compton-effect tot de massaverzwakkingscoëfficiënt voor γ-straling is bij benadering...
    1. evenredig met het atoomnummer Z van het materiaal
    2. evenredig met de vijfde macht van het atoomnummer Z van het materiaal
    3. omgekeerd evenredig met het atoomnummer Z van het materiaal
    4. onafhankelijk van het atoomnummer Z van het materiaal
  3. Waarvan hangt de massaverzwakkingscoëfficiënt voor γ-straling af?
    1. de dikte van de absorberende laag
    2. de soortelijke massa van het absorberende materiaal
    3. het aantal opvallende γ-fotonen
    4. de γ-energie
  4. De dode tijd van een Geiger-Müllerbuis is 200 μs, waardoor een fout van 20% in de bepaling van het  teltempo is opgetreden. Hoe groot was dat gemeten teltempo?
    1. 103 deeltjes per seconde
    2. 104 deeltjes per seconde
    3. 105 deeltjes per seconde
    4. 106 deeltjes per seconde
  5. Wat is het belangrijkste voordeel van een Ge-detector ten opzichte van een NaI-detector voor het detecteren van γ-straling?
    1. grote lichtopbrengst
    2. grote energieresolutie
    3. groot telrendement
    4. elk van de onder [a] tot en met [c] genoemde eigenschappen
  6. Vul de zin aan: Een goede besmettingsmonitor is zo geconstrueerd dat hij...
    1. een laag exposietempo kan meten
    2. een grote gevoeligheid heeft voor de te detecteren straling
    3. een laag nuleffect heeft
    4. beide onder [b] en [c] genoemde eigenschappen bezit
  7. Het telrendement wordt door een aantal verschillende factoren bepaald. Welke factor bepaalt de kans dat de door een kern uitgezonden straling daadwerkelijk in het detectormateriaal terecht komt?
    1. de zelfabsorptiefactor
    2. de geometriefactor
    3. de absorptiefactor
    4. het product van de onder [a] tot en met [c] genoemde factoren
  8. In welke eenheid kan men het exposietempo uitdrukken?
    1. gray per uur
    2. röntgen
    3. picoampere per kilogram
    4. coulomb per kilogram
  9. Ten gevolge van een medische behandeling ontvangt een patiënt equivalente orgaandoses van 30 mSv op de longen en 20 mSv op de schildklier. De weefselweegfactoren zijn wlongen = 0,12 respectievelijk wschildklier = 0,05. Hoe groot is de effectieve dosis van de patiënt ten gevolge van deze behandeling?
    1. 2,3 mSv
    2. 4,6 mSv
    3. 25 mSv
    4. 50 mSv
  10. Vul de zin aan: Functionerende cellen zijn...
    1. niet resistent voor bestraling omdat zij nog delen
    2. gevoelig voor straling vanwege mitosedood
    3. gevoelig voor straling door verbindweefseling
    4. resistent voor een relatief hoge dosis straling omdat zij niet meer delen
  11. De LD50 is de dosis die bij 50% van de individuen de dood veroorzaakt. Hoe groot is de LD50 bij een totale lichaamsbestraling van de mens?
    1. tussen 0,1 - 0,5 Gy
    2. tussen 0,5 - 2 Gy
    3. tussen 2 - 10 Gy
    4. tussen 10 - 50 Gy
  12. Welke van de onderstaande uitspraken betreffende de biologische gevolgen van straling is NIET juist?
    1. voor stochastische effecten neemt de ernst van de ziekteverschijnselen toe als de dosis groter wordt
    2. deterministische effecten kennen een drempeldosis
    3. somatische effecten zijn te onderscheiden in stochastische effecten en deterministische effecten
    4. genetische effecten zijn stochastisch van aard
  13. Tijdens welke fase van de zwangerschap kan bestraling aanleiding geven tot een aangeboren misvorming?
    1. eerste trimester
    2. tweede trimester
    3. derde trimester
    4. gehele zwangerschap
  14. Hoe groot is de gemiddelde jaarlijkse stralingsbelasting van de Nederlandse bevolking ten gevolge van natuurlijke bronnen?
    1. ongeveer 0,1 mSv
    2. ongeveer 0,5 mSv
    3. ongeveer 2 mSv
    4. ongeveer 5 mSv
  15. Welke is de wettelijke jaarlimiet voor de ooglens van blootgestelde werknemers?
    1. 20 mSv
    2. 50 mSv
    3. 150 mSv
    4. 500 mSv
  16. Een beroepsmilitair is tijdens een operationele actie langdurig blootgesteld geweest aan lucht met een aanzienlijke concentratie uraniumoxide. Door middel van een meting wordt vastgesteld dat de man 30 Bq verarmd uranium heeft ingeademd. Voor uranium in deze vorm geldt e(50)inh = 5,7×10-6 Sv/Bq. Hoe groot is de opgelopen effectieve volgdosis?
    1. 0,02 mSv
    2. 0,2 mSv
    3. 2 mSv
    4. 20 mSv
  17. Volgens het Besluit Stralingsbescherming moeten blootgestelde werknemers jaarlijks medisch worden onderzocht als de effectieve jaardosis boven een bepaalde grenswaarde kan komen. Welke is deze grenswaarde?
    1. de jaarlimiet voor blootgestelde werknemers
    2. 1/20 van de jaarlimiet voor blootgestelde werknemers
    3. 1/10 van de jaarlimiet voor blootgestelde werknemers
    4. 3/10 van de jaarlimiet voor blootgestelde werknemers
  18. Volgens het Besluit Stralingsbescherming moeten blootgestelde werknemers ingedeeld worden in categorie B als de effectieve jaardosis NIET boven een bepaalde grenswaarde kan komen. Welke is deze grenswaarde?
    1. 1 mSv
    2. 2 mSv
    3. 6 mSv
    4. 20 mSv
  19. Vul de zin aan: Het dragen van een direct afleesbare pendosismeter is...
    1. gewenst in plaats van een TLD-badge tijdens het werken bij een hoog dosistempo
    2. gewenst naast een TLD-badge tijdens het werken bij een hoog dosistempo
    3. verplicht tijdens het werken bij een hoog dosistempo
    4. wettelijk verplicht als het dosistempo hoger is of kan zijn dan 1 μSv/h
  20. Welke maatregel leidt tot de grootste afname van de dosis?
    1. activiteit met een factor 3 verminderen
    2. werktijd met een factor 3 verkorten
    3. werktijd met een factor 6 verkorten
    4. werkafstand met een factor 3 vergroten
  21. Een niet afgeschermde radioactieve bron zendt per desintegratie één β-deeltje (Eβ,max = 1 MeV) en één γ-foton (Eγ = 1 MeV) uit. Waardoor wordt de geabsorbeerde dosis op 10 cm afstand van de bron bepaald?
    1. in ongeveer gelijke mate door β- en γ-straling
    2. uitsluitend door de β-straling
    3. voor meer dan 90% door de β-straling
    4. voor meer dan 90% door de γ-straling
  22. Een stralingsdeskundige wil een gesloten 137Cs-bron in een pakket versturen. Wat is het maximaal toegestane equivalente dosistempo op het oppervlak van dit pakket?
    1. 1 μSv per uur
    2. 100 μSv per uur
    3. 1 mSv per uur
    4. 2 mSv per uur
  23. Wat is het voornaamste mechanisme waardoor snelle neutronen hun energie verliezen?
    1. elastische botsingen met atoomkernen
    2. ionisaties
    3. neutronvangst
    4. kernsplijting

    De vragen 29 tot en met 33 zijn alleen voor deskundigheidsniveau 4A.
  24. Welke persoon is bevoegd om een bepaald röntgentoestel daadwerkelijk te beheren en te gebruiken?
    1. elke stralingsdeskundige niveau 4A
    2. elke stralingsdeskundige niveau 4A met twee jaar werkervaring
    3. elke directeur van een bedrijf mits dit over een passende kernenergiewetvergunning beschikt
    4. uitsluitend de stralingsdeskundige die in de betreffende kernenergiewetvergunning wordt genoemd
  25. Bij een röntgentoestel wordt de buisspanning verlaagd. Verder worden de instellingen van het toestel niet gewijzigd. Wat is het gevolg van deze verlaging?
    1. de energie van de karakteristieke straling neemt af
    2. de energie van de karakteristieke straling neemt toe
    3. de intensiteit van de straling neemt af
    4. de intensiteit van de straling neemt toe
  26. Bij welke combinatie van buisstroom en belichtingstijd levert een röntgentoestel de grootste dosis?
    1. 1 mA gedurende 5 seconden
    2. 2 mA gedurende 4 seconden
    3. 3 mA gedurende 3 seconden
    4. 4 mA gedurende 2 seconden
  27. Om welke reden diafragmeert men de directe bundel bij het maken van een röntgenfoto van het kniegewricht?
    1. om de stralingsbelasting voor de patiënt zoveel mogelijk te beperken
    2. om de strooistraling zoveel mogelijk te beperken
    3. om beide onder [a] en [b] genoemde redenen
    4. om een andere dan de onder [a] en [b] genoemde redenen
  28. Röntgentoestellen voor diagnostisch gebruik moeten voldoen aan de eis dat het dosistempo op 1 meter afstand van het focus bij gesloten diafragma een bepaalde grenswaarde niet overschrijdt. Welke is deze grenswaarde?
    1. 10 μSv/uur
    2. 100 μSv/uur
    3. 1 mSv/uur
    4. 10 mSv/uur

    De vragen 34 tot en met 38 zijn alleen voor deskundigheidsniveau 4B.
  29. De vrijstellingsgrenzen voor activiteits concentratie en activiteit van 3H zijn 1 MBq/g respectievelijk 1 GBq. Onder welke voorwaarden is GEEN vergunning nodig voor het bezitten van en het werken met 3H ?
    1. de activiteits concentratie is 2 MBq/g en de activiteit is 0,5 GBq
    2. de activiteits concentratie is 0,5 MBq/g en de activiteit is 2 GBq
    3. de activiteits concentratie is 0,5 MBq/g en de activiteit is 0,5 GBq
    4. alle onder [a] tot en met [c] gegeven antwoorden zijn juist
  30. Bij welke handeling kan gemakkelijk besmetting ten gevolge van aërosolvorming optreden?
    1. leegblazen van een injectiespuit in een bekerglas
    2. rustig laten bezinken van neerslag in een bekerglas
    3. elk van de onder [a] en [b] genoemde handelingen
    4. geen van de onder [a] en [b] genoemde handelingen
  31. De halveringsdikte voor γ-straling uitgezonden door 125I bedraagt 2 mm in water en 0,3 mm in glas. Waarom gaat het labelen met 125I gepaard met extra risico's?
    1. omdat het radiotoxiciteitsequivalent van jodiumverbindingen zeer groot is
    2. omdat de energie van de uitgezonden γ-straling zeer groot is
    3. omdat gemakkelijk vluchtig jodium kan ontstaan
    4. wegens elk van de onder [a] tot en met [c] genoemde eigenschappen
  32. Wat wordt met transfer compartiment bedoeld?
    1. maag-darmkanaal
    2. luchtpijp en zijn vertakkingen
    3. bloed en de overige lichaamsvochten
    4. spierweefsel
  33. Een werknemer heeft een radioactieve stof ingeslikt. Het betreft een verbinding waarvoor f1 = 1 en een nuclide dat uitsluitend β-deeltjes uitzendt.
    Vul de zin aan: De stralingsdosis in de dikke darm is...
    1. vrijwel nul
    2. afhankelijk van de verdeling van het radionuclide over de rest van het lichaam
    3. afhankelijk van de β-energie
    4. afhankelijk van de verblijftijd van het radionuclide in de dikke darm
Laatst gewijzigd:10 juni 2016 16:09