Van profielwerkstuk naar de landbouw van morgen
Hoe ziet de landbouw van de toekomst eruit? Voor de meeste havoleerlingen is dat een ver van hun bed show. Dat gold niet voor de 17-jarige Daan. Voor zijn profielwerkstuk onderzocht hij met een klasgenoot hoe verschillende landbouwsystemen het bodemleven beïnvloeden. Inmiddels past hij de inzichten uit hun onderzoek toe op zijn eigen perceel en in september startte hij aan de opleiding Innovatieve Plantenteelt aan de Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden. Zijn verhaal laat zien hoe nieuwsgierigheid, praktijkonderzoek en een passie voor landbouw samenkomen in de volgende generatie boeren.

Dat Daan later de landbouw in zou willen, was niet vanzelfsprekend. Zijn ouders hebben geen agrarisch bedrijf. Toch groeide zijn interesse al op jonge leeftijd, simpelweg doordat hij opgroeide tussen de boerenbedrijven.
‘Als klein jochie zie je op een gegeven moment trekkers voorbijrijden en denk je: dat ziet er allemaal leuk uit. Op een dag mag je een keertje mee op zo’n trekker, in de melkput staan, helpen met koeien voeren, het veld in of op een aardappelrooier staan. En dat vond ik ontzettend leuk.’
Die nieuwsgierigheid groeide uit tot een serieuze interesse in de bodem onder onze voeten. Want volgens Daan begint duurzame landbouw daar. ‘Zonder een goed bodemleven heb je niks.’
Bodemleven zichtbaar maken
Voor zijn profielwerkstuk onderzocht Daan samen met een klasgenoot hoe drie landbouwsystemen - regulier, biologisch en regeneratief - verschillen in hun invloed op het bodemleven. Op drie percelen in de omgeving begroeven zij katoenen doeken. Hoe verder de doeken na twee maanden waren afgebroken, hoe actiever het bodemleven stelde hun onderzoekstheorie.
De hoofdvraag van het onderzoek was: Hoe verschilt de activiteit van het bodemleven tussen percelen waar reguliere landbouw, biologische landbouw en regeneratieve landbouw plaatsvindt? ‘Je hebt reguliere landbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van bestrijdingsmiddelen, kunstmest en diepe grondbewerking. Heeft dat invloed op het bodemleven ten opzichte van biologische landbouw, waarbij geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt? En hoe zit dit dan ten opzichte van regeneratieve landbouw, waar niet kerende grondbewerking en geen bestrijdingsmiddelen worden toegepast?’
De resultaten uit hun onderzoek waren duidelijk. Het afbraakpercentage van de katoenen doeken bij drie regeneratieve percelen liep op tot 80%, in een van de percelen werden slechts een aantal fladders katoen teruggevonden. Bij het biologische perceel werd zo’n 50% van het katoenen doek afgebroken en bij het reguliere perceel slechts 5%. ‘Daar kunnen we dus de conclusie uit trekken dat regeneratieve landbouw echt een positief effect heeft op het bodemleven ten opzichte van biologische en al helemaal ten opzichte van reguliere landbouw.’
Een onderzoek dat ook zijn eigen blik veranderde
Misschien wel de belangrijkste uitkomst van het profielwerkstuk was niet het experiment zelf, maar het effect op Daans visie. Hij ging met een open blik het onderzoek in en kwam tot nieuwe inzichten. ‘Ik kende regeneratieve landbouw eigenlijk helemaal niet.’ Hij had weleens gehoord dat een buurman regeneratief boerde, maar wat het inhield wist hij niet. ‘Ik ben ook een beetje van de oude garde op dat gebied: gewoon ploegen en gaan.’
Na het onderzoek kijkt hij daar anders tegenaan: ‘Ik denk dat het echt effect heeft als je het bodemleven met rust laat. En dat het terugbetaalt.’
Ik denk dat het echt effect heeft als je het bodemleven met rust laat. En dat het terugbetaalt.
Die nieuwe kennis blijft niet op papier staan. Op zijn eigen perceel experimenteert Daan inmiddels met compost in plaats van vaste mest en kiest hij ervoor te frezen in plaats van diepere grondbewerking toe te passen. Daarbij accepteert hij dat een iets lagere opbrengst op korte termijn kan bijdragen aan een gezondere bodem op de lange termijn.
‘Je kunt nog zo lang zoveel mogelijk kunstmest strooien en de hoogst mogelijke opbrengst halen, maar over 10 tot 15 jaar is die grond niks meer waard. Als je het regeneratief doet, maak je de grond juist toekomstbestendig. Dan kun je daar over 100 jaar nog steeds net zo veel van oogsten als nu.’

Bewijzen dat het werkt
Volgens Daan is kennis delen minstens zo belangrijk als nieuwe kennis ontwikkelen. Hij merkt dat regeneratieve landbouw nog niet overal vanzelfsprekend is. ‘Als ik nu bij een reguliere boer begin over regeneratief boeren, dan hoor ik: “Nee, dat werkt allemaal niet.” Het is gewoon nog niet bekend genoeg.’
Zijn oplossing is eenvoudig: bewijzen dat het werkt. Hij gelooft dat praktijkvoorbeelden uiteindelijk meer overtuigen dan welke discussie ook. ‘Pak drie percelen op dezelfde grondsoort. Eén regulier, één biologisch en de andere regeneratief. Ga er met ze langs en laat zien: het werkt wel.’
Tegelijkertijd begrijpt hij dat boeren alleen kunnen investeren als daar voldoende toekomstperspectief tegenover staat. ‘Het is wel een dure investering. Als je bijvoorbeeld met strokenlandbouw aan de slag wilt en je wilt alleen stroken van drie meter gaan maken, dan moet je je machinepark daar ook op aanpassen. Om dat te doen moet je wel toekomstperspectief hebben, het moet rendabel zijn.’
Een toekomstvisie die verder kijkt dan één perceel
Inmiddels is Daan geslaagd voor zijn havo-diploma en na de zomer begint hij aan de opleiding Innovatieve Plantenteelt aan de Hogeschool Van Hall Larenstein. Zijn droom is uiteindelijk een eigen landbouwbedrijf waarin bodemleven, kringlopen en biodiversiteit centraal staan. Een bedrijf met verschillende gewassen, dieren die reststromen benutten en zo min mogelijk afhankelijkheid van externe grondstoffen.
‘Dat heeft volgens mij wel de toekomst. Want dat scheelt ook veel logistiek als je je eigen mest ook op je eigen land kan afzetten, de producten die je zelf maakt ook zelf weer verbruikt en deels verkoopt. Dan heb je daarmee de cirkel rond. Volgens mij moet je daarmee de toekomst ingaan.’
Ook strokenteelt ziet hij als een belangrijk onderdeel van die toekomst, waarbij verschillende gewassen elkaar versterken en ziekten zich minder snel verspreiden. Zijn blik is daarbij opvallend genuanceerd. Niet alles kan volgens hem volledig biologisch en sommige uitdagingen vragen om nieuwe innovaties. Maar één wens voor de landbouw van de toekomst staat voor hem vast. ‘Ik hoop dat een groot deel van de akkerbouwers, maar ook melkveehouders, actief bezig zijn met hun bodemleven. De kunstmest en de bestrijdingsmiddelen blijven tegen die tijd achterwege en we zijn bezig met dat bodemleven monitoren.’
Het antwoord op de vraag of Daan op zijn boerderij ook het bodemleven zou testen met katoenen lappen is hij duidelijk. ‘Nee, daar is deze test wat te oppervlakkig voor. Ik zou wel bodemtesten doen om de voedingsstoffen in de bodem inzichtelijk te maken, kijken naar welke organismen aanwezig zijn of testen of er genoeg waterdoorlaatbaarheid is. Daarna kun je kijken hoe je eventuele tekorten kunt gaan aanvullen en gerichtere gewaskeuzes maken om de bodem gezond te houden’.
De volgende generatie
De vragen die Daan en zijn klasgenoot zichzelf tijdens het profielwerkstuk stelden, raken aan thema's waar ook het Centrum voor Duurzame Landbouw Transitie dagelijks aan werkt. Hoe maken we landbouw ecologisch veerkrachtiger, economisch rendabel en sociaal toekomstbestendig? Hoe zorgen we dat nieuwe kennis niet op papier blijft staan, maar ook op het land wordt toegepast?
Het verhaal van Daan laat zien dat de landbouwtransitie niet alleen wordt vormgegeven door onderzoekers en boeren van nu. Ook de volgende generatie denkt al kritisch na over de toekomst van ons voedselsysteem, stelt vragen, doet onderzoek en durft bestaande werkwijzen ter discussie te stellen. Precies die nieuwsgierigheid en onderzoekende houding zijn onmisbaar om samen te bouwen aan de landbouw van morgen.