De openbare ruimte is van iedereen

Hoe richt je de openbare ruimte dusdanig in dat deze veilig, toegankelijk en uitnodigend is voor iedereen? Geograaf Gerd Weitkamp bestudeert hoe mensen zich door hun leefomgeving bewegen, maar ook hoe ze die beleven. Vooral wat dat betekent voor hun gezondheid, welzijn en sociale participatie. ‘Als je de omgeving veilig maakt bijvoorbeeld voor een achtjarig kind of toegankelijk voor ouderen, wordt zij dat voor iedereen.’
Tekst: Gert Gritter, Corporate Communicatie RUG / Foto’s: Henk Veenstra
Activity space
Belangrijk in zijn werk is het begrip ‘activity space’, zegt Weitkamp, universitair hoofddocent bij de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen. ‘Dat is het geheel van plekken waar iemand zich in het dagelijks leven begeeft: thuis, de winkel, de huisarts, een park, familiebezoek of de sportclub. Zo’n activiteitenruimte zegt veel over iemands kwaliteit van leven. Hoe toegankelijker die ruimte, hoe meer mogelijkheden iemand heeft om mee te doen in de samenleving. We hebben het dan over het gemak waarmee ouderen de supermarkt kunnen bereiken of de invloed van een druk kruispunt op de veiligheid. En de inrichting van een stad bepaalt of mensen actief en sociaal blijven. Maar die ruimte is niet voor iedereen gelijk. Ongelijkheid is er bijvoorbeeld op het vlak van mobiliteit, vooral bij mensen in kwetsbare situaties, zoals ouderen met dementie en personen met een handicap. Waar vallen zij buiten de boot? Uiteindelijk gaat het ons om de mogelijkheden, zeg maar vrijheden, die iemand heeft om een leven te leiden dat bij hem of haar past. Mobiliteit is geen doel op zich, maar een voorwaarde voor participatie en welzijn. Als bij de inrichting van de omgeving óók rekening wordt gehouden met kwetsbare groepen, krijg je vanzelf een inclusievere samenleving.’
Nabijheid van voorzieningen
‘Ook schaal heeft een belangrijke rol in mijn onderzoek. De vraag hoe ruimte gezondheid beïnvloedt, speelt op heel verschillende niveaus tegelijk. Op de straathoek, waar een oudere bewoner aarzelt om over te steken. In de buurt, waar het verschil tussen wel of geen supermarkt om de hoek meetbaar is. In de regio, waar het platteland en de stad functioneel met elkaar verbonden zijn, of juist niet. En uiteindelijk op landelijke en internationale schaal, waar de verdeling van zorgvoorzieningen bepaalt of mensen toegang hebben tot de zorg die ze nodig hebben.’ Samen met collega’s onderzocht Weitkamp hoe de nabijheid van dagelijkse voorzieningen samenhangt met gezondheid onder ouderen. Daarbij werd gebruikgemaakt van gegevens van meer dan zevenduizend deelnemers aan de LifeLines-studie. De resultaten waren opvallend. Ouderen die dichter bij zorgvoorzieningen woonden, beoordeelden hun gezondheid vaak beter. Maar bij supermarkten bleek het verband minder vanzelfsprekend: mensen die verder van een supermarkt woonden, rapporteerden soms juist een betere gezondheid. Dat laat zien dat gezondheid niet simpelweg afhangt van afstand alleen. Ook inkomen, opleiding, werk, sociale contacten en de kwaliteit van de leefomgeving spelen een belangrijke rol.

GPS-tracking
Weitkamp en zijn collega’s maken veel gebruik van ‘geospatial technology’, zoals GIS (Geografisch Informatiesystemen). Veel data komen van deelnemers aan een onderzoek, die zijn uitgerust met bijvoorbeeld stappentellers, GPS-trackers en apps op mobiele telefoons om mobiliteitspatronen in kaart te brengen. Van belang hierbij is het begrip ‘collateral mobilities’: een combinatie van ruimtelijke en lichamelijke bewegingen. Niet alleen de afstand die iemand aflegt is belangrijk, maar ook wat iemand onderweg en op locaties doet, inclusief de momenten van rust daartussen. Uit het onderzoek bleek bijvoorbeeld dat mensen met een grote activiteitenruimte soms juist minder lichamelijk actief zijn. Iemand kan grote afstanden afleggen met de auto, maar weinig bewegen. Tegelijkertijd vindt veel lichamelijke activiteit juist plaats op plekken waar mensen langere tijd verblijven, bijvoorbeeld tijdens het boodschappen doen, tuinieren of sociaal contact. Volgens Weitkamp is mobiliteit daarom veel meer dan verplaatsing alleen: het gaat om de manier waarop mensen hun omgeving beleven en gebruiken.

Speed pedelec
Kwantitatieve data vertellen nooit het hele verhaal. ‘Voor de een zijn bijvoorbeeld schakels naar buitenwijken, zoals fietstunneltjes, gewoon handige verbindingen. Maar het zijn plekken die vrouwen ’s nachts liever vermijden. Situaties kunnen ongevaarlijk zijn voor de meeste weggebruikers, maar tegelijkertijd onveilig voor kinderen, ouderen en rolstoelgebruikers. Soms gaat het om kleine aantallen, maar hun bezwaren kunnen niet worden weggewuifd. Want iedereen moet veilig kunnen zijn.’ Voor Weitkamp zelf was de verhuizing naar het platteland een eyeopener. ‘We gingen buiten de stad Groningen wonen, maar niet verder weg dan dat ik binnen een half uur op de fiets op mijn werk kon zijn, zodat ik niet afhankelijk was van de auto. Dat is ons gelukt en ik gebruik nu een speed pedelec. Maar het wonen op het platteland hielp me wel door andermans ogen te kijken en in te zien dat fietsen voor anderen geen reële optie is. Sommigen kunnen en willen echt niet zonder hun auto, omdat ze bijvoorbeeld in ploegendienst werken, fysieke beperkingen hebben of alternatief vervoer voor hen niet plezierig of veilig is.’

Fotografie
Behalve als geograaf is Weitkamp actief als fotograaf. ‘Ook als fotograaf ben ik geïnteresseerd in de wijze waarop mensen verbonden zijn met hun omgeving en hoe plekken en mensen elkaar beïnvloeden. Mijn favoriete plekken zijn publieke buitenruimtes waar je iedereen kunt tegenkomen: straten, pleinen, parken, of bijvoorbeeld het busstation. Als fotograaf leg ik het samenspel tussen mensen en hun omgeving vast, waarbij ik grenzen tussen ruimtes verken, zoals de wisselwerking tussen publieke ruimte en persoonlijke ruimte. Voor mijn foto’s kies ik vaak zorgvuldig de plekken die ik fotografeer, en het tijdstip waarop ik dit doe. Wanneer ik de plek en het tijdstip heb gekozen, wacht ik geduldig en laat me verrassen door wat en wie ik tegenkom om dat ene korte moment vast te leggen. Als fotograaf observeer ik anders dan als geograaf. Je moet er meer tijd voor nemen en andere dingen gaan je opvallen. En door mijn manier van fotograferen ben ik participant in de situatie, terwijl ik als wetenschapper afstand moet houden. Als fotograaf heb ik de vrijheid om de werkelijkheid naar mijn hand te zetten. Ik kan de uitkomst regisseren en daarna loslaten. Dat is in de wetenschap wel anders...’