Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsWaar vindt u onsdr. A.M. (Aurora Marijke) Martin

dr. A.M. Martin

Universitair Hoofddocent

Opleiding

Kunstgeschiedenis en Archeologie (RuG, 1986)

Promotie bij Prof. dr. E.R.M. Taverne aan de RuG met proefschrift ‘Tussen traditie en vernieuwing. Ruimtelijke transformaties van Maastricht 1650-1905’ (1997).

 

Eerdere functies :

· Onderzoeker bij architect/onderzoeker Bruno Fortier aan het Institut Français d’Architecture in Parijs (1985-1986 en 1987-1988) in het kader van de Atlas van Parijs, een getekend onderzoek naar de transformaties van Parijs sinds 1800.

· AiO in het project ‘Historische Structuuranalyse Maastricht (Technische Universiteit Delft, RdMZ, Rijksuniversiteit Groningen, Gemeente Maastricht), gedetacheerd bij de dienst Stadsontwikkeling in Maastricht (1988-1992).

 

(Bestuurs)functies buiten de universiteit .

Momenteel bestuurslid Stichting Architecturalia (initiëring en financiering architectuurhistorische publicaties); lid adviesraad Platform GRAS (architectuurcentrum Groningen); jurylid Karel van Mander prijs 2007; jurylid (secretaris) van architectuurprijsvraag Smallingerland; en participerend in diverse overlegstructuren met andere opleidingen (afd. Architectuur van de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de UGent, diverse afdelingen van de faculteit Bouwkunde van de TUDelft, The Berlage Institute Rotterdam, universiteiten in Bogotá , Latin America Studies van Georgetown University Washington DC etc.), instanties (Nederlands Architectuurinstituut, diverse diensten Stadsontwikkeling, ARchitectuur Centrum Amsterdam, Icomos, Museo de Bogotá etc) en gerenommeerde architectenbureaus in binnen-en buitenland met het oog op uitwiseling en samenwerking op niveau van beleid, onderwijs en onderzoek.

Specialisme

Het thema ‘ Ethiek vs. esthetiek ’ loopt als een rode draad door onderwijs en onderzoek. Het richt zich allereerst, en in de meest brede zin, op de vraag naar de motivaties achter architectuur en stedenbouw, en op de context (sociaal-maatschappelijk, beleidsmatig, ideehistorisch) waarbinnen theoriën, visies en concepten tot stand komen en eventueel gerealiseerd cq. gebouwd worden. Publicaties als die over de geleidelijke stadswording van Maastricht, over architecten als Abe Bonnema, Wiel Arets of John Hejduk, en die over het Groninger Museum zijn hiervoor illustratief (zie publicatielijst).

 

Met betrekking tot de context waarbinnen architectuur en stedenbouw ontworpen en gebouwd worden, staan het spanningsveld tussen conceptualisering (in materiële en niet-materiële vorm) en productie (opdrachtgever, financiering, uitvoering) centraal. Daarnaast is aandacht voor de programma’s cq. de functies waarvoor ontworpen wordt. De publicatie ‘Schiphol, eindstation van de Nederlandse plannningstraditie?’ en ook de tentoonstellingen die door studenten over thema’s als ‘Airportcity Schiphol’ en ‘SALE, de architectuur van het winkelen’ werden gemaakt sluiten hierbij aan.

In hoeverre is in die gewijzigde context (nog) sprake van een relatief autonome positie van de architectuur en/of in hoeverre wordt ze een steeds kleinere schakel in een steeds complexer spel met een voortdurend toenemend aantal actoren? Gezien de opmerkelijke verschuivingen, de afgelopen decennia, op het vlak van opdrachtgevers en programma’s, en tegen de achtergrond van terugtredende overheden en een sterke individualisering én mediatisering van de samenleving, lijkt het erop dat steeds meer een appel op de esthetische, iconologische kant van de architectuur gedaan wordt. Architecten lijken daarbij vooral aangesproken te worden op hun capaciteiten een verleidelijk én onderscheidend beeld te ontwerpen waarmee steden, wijken en bedrijven zich onderling kunnen onderscheiden. Dit suggereert dat de motivatie achter architectuur en stedenbouw minder voortkomt uit een ‘ethisch’ of ideologisch getinte visie op samenleving en burger, alswel uit de noodzaak om aan de behoeften van (particuliere) opdrachtgever en consument tegemoet te komen.

 

In dit kader past het onderzoek dat Martin momenteel uitvoert binnen het Grondslagenprogramma van de afdeling Geesteswetenschappen van NWO (2005-2009) onder de titel ‘Changed conditions: an inquiry into the disappearance of ‘Bildung’ from Architecture since the 1960s’. Daarin staat de vraag centraal naar de vermeende verdwijning van Bildung uit de theorie en de praktijk van de architectuur sinds de jaren zestig van de vorige eeuw. Bildung moet in dit verband begrepen worden als de vooral in de loop van de 19de eeuw via onderwijs en praktijk verbreidde opvatting dat architectuur en stedenbouw in staat zouden zijn mens en samenleving te verheffen cq. een menswaardiger bestaan en een betere toekomst te verschaffen. Het betreffende onderzoek vertrekt vanuit de veronderstelling dat die visie op architectuur vanaf de jaren 1960 aan belang inboet ten gunste van de overtuiging dat niet alleen de architectuur minder elitair en betuttelend zou moeten worden, maar dat ook de burger zelf heel goed in staat is concepten en vormen voor zijn eigen huisvesting te bedenken en zelfs te realiseren. Een recent artikel ‘Het ongrijpbare alledaagse’ probeert dit proces te beschrijven vanuit de toenemende aandacht onder architecten, in de na-oorlogse periode, voor het gewone, dagelijkse leven én de aangeboren creativiteit van de burger, ondermeer als reactie tegen de als hoogdravend en elitair ervaren visies die eerder, ondermeer door het Modernisme en vanuit een sterke verheffingsgedachte werden geformuleerd. De huidige tendens waarbij het individuele opdrachtgeverschap hoogtij viert lijkt uit deze tendens indirect te zijn voortgekomen.

Doordat voornoemd NWO-onderzoek ook zicht probeert te krijgen op de motieven en beweegredenen die sindsdien voor ‘Bildung’ in de plaats gekomen zijn, leent het zich voor een breed scala aan thema’s dat in het onderwijs aan de orde gesteld wordt.

Ten slotte gaat het erom hoe een veranderende context van, en andere motivaties achter de architectuur hun weg vinden in de wijze waarop de geschiedenis van de architectuur gestalte krijgt en/of hoe erop wordt gereflecteerd: door wie, via welke media en vanuit welk perpectief?. Dit sluit aan bij de bedoeling om zowel in onderzoek als onderwijs aandacht te besteden aan het gegeven dat de gangbare architectuurgeschiedenis vooral aandacht heeft voor de ‘hogere’ Architectuur, terwijl slechts een fractie van de gebouwde omgeving daarvan het resultaat is (geweest).

 

Recentelijk heeft binnen onderwijs en onderzoek van Martin een verbreding plaats gevonden in de richting van niet-Westerse regio’s (waaronder Colombia, Democratische Republiek Congo, Zuid Afrika). Grotendeels vertrekkend vanuit eerder genoemde vragen, is die verbreding gestimuleerd door de noodzaak een aantal opvallende lacunes in de bestaande moderne architectuurgeschiedenis op te vullen, en om met andere, vaak juist sterk ideologisch en/of politiek getinte opvattingen over de gebouwde opgeving (inclusief die van het culturele erfgoed) in aanraking te komen. De vraag is daarbij minder gericht op de (doorgaans centraal staande) wijze waarop westelijke modellen, vaak al sinds de koloniale tijd, naar dit soort regio’s zijn geëxporteerd (grid-structuren, Hausmann-boulevards, tuinsteden, Modernisme, meer algemeen ‘hogere’ Architectuur), alswel op de manier waarop architectuur en stedenbouw binnen afwijkende politiek-historische en cultureel-maatschappelijke contexten functioneren en bij de recente ‘wederopbouw’ (post-koloniaal, post-Apartheid, post-conflictsituaties) worden ingezet. Thema’s als burgercultuur en bestuurlijk commitment spelen daarbinnen een cruciale rol; thema’s die op hun beurt in de huidige Nederlandse (cq.Westerse) discussie over wijkvernieuwing, burgerparticipatie etc. aan belang lijken te winnen.

Het onderzoek naar voornoemde thematiek in Bogotá leidde, in een samenwerking tussen onze afdeling en universiteiten en instanties in Bogotá en het Colombia Program van de Georgetown University in Washington DC tot de tentoonstelling ‘Bogotá, the proud Renaissance of a City’. Daarin wordt de opmerkelijke revival van een stad van bijna 7 miljoen inwoners getoond nadat die, nog geen vijftien jaar eerder op de rand van de afgrond balanceerde en in de greep was van geweld, illegale annexatie van vrijwel alle openbare ruimte en corrupt bestuur. Deze tentoonstellinge vormde de officiële Colombiaanse inzending op de Architectuur Biennale in Venetië (september-november 2006) en maakt sindsdien een rondreis langs diverse steden (Interamerican Development Bank en Georgetown Univerisity in Washington). Op23 november 2007 werd de expositie bij ARCAM in Amsterdam geopend door de Colombiaanse architect Daniel Bermudez. Daarna zal hij ondermeer naar Parijs en waarschijnlijk Berlijn doorreizen. Artikelen als ‘De schizofrene stad’ en ‘La Ciudad como Construcción Fisica y Mental: Bogotá’ proberen de recente ontwikkelen in Bogotá in een (idee)historisch perspectief te plaatsen.

Samen met Auke van der Woud (beoogd promotor) is Martin als beoogd co-promotor en dagelijks begeleider betrokken bij het dissertatieonderzoek door ir. Luce Beeckmans naar het concept van de moderne stad in Afrika en Latijns Amerika (2006-2010).

Op het terrein van de niet-Westerse architectuur en stedenbouw wordt nauw samengewerkt met de afdeling Architectuur van de faculteit voor Toegepaste Wetenschappen van de Universiteit van Gent waar belangrijke expertise bestaat met betrekking tot de voormalige Belgische Kongo (Ir. Johan Lagae). Ten behoeve van het onderwijs vertaalt die samenwerking zich in het verzorgen van gastcolleges over en weer.

 

(selectie)

 

* Mendini! Starck!De Lucchi!Himmelb(l)au! in Groningen!, Ghent 1995.

*‘The city: a never-ending story’, in: M. Casciato (ed), Learning from Groningen, Rome 1998, 8-16.

* ‘An Acropolis for Groningen: the Mendinis’ design for the Groninger Museum’, in: M. Casciato (ed), Learning from Groningen, Rome 1998, 24-30.

* Abe Bonnema Architect, Uitgeverij 010 Rotterdam 1998 (228 pgs)

* Stad vol gedachten, Maarten Schmitt, stadsontwerper van Groningen, Stichting Noorderbreedte, Groningen 1998 (96 pgs).

* 'Ivo Nio, Arnold Reijndorp, Groeten uit Zoetermeer. Stedebouw in discussie', recensie in: De Architect, 1998/5, 83-84.

* 'Generator van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Filmpaleis van Coöp Himmelb(1)au in Dresden', in: De Architect, 1998/10, 80-86.

* 'Het universitaire landschap. De fysieke verschijning van de universiteit in de stad', in: K. van Berkel en F.R.H. Smit, Een universiteit in de twintigste eeuw, opstellen over de Rijksuniversiteit Groningen 1914-1999, RUG 1999, 113-145.

* Opkomst van de moderne stad. Ruimtelijke veranderingen in Maastricht 1660-1905, Waanders Uitgevers, Zwolle 2000 (288 pgs).

* 'Projet pour un nouveau musée à Groningue', in: Architecture et musée. Actes du colloque organisé au Musée royal de Mariemont (1998), Tournai 2001, 163-195.

* ‘Tussen stilstand en reizen’ in: Marijke Martin en Judith Smals, Wall House #2, John Hejduk , Historische Uitgeverij Groningen, Groningen 2001, 13-78.

* 'Hejduk’s Wall House # 2 realised in Groningen’, in: Architecture + Urbanism, 2001:12, nr. 375, Tokyo 2001, 102-110.

* 'The Citadel Parc: Secret Garden or Urban Nucleus?', in: Xavier Costa, Jaime Coll, Ivan Blasy (red), Parc dela Ciutadella, Strange conditions, Mies van der Rohe Chair 2000, Barcelona 2001, 26-33.

* 'Schiphol, eindstation van de Nederlandse planningstraditie', in: Victor M. Schmidt, Henk van Veen (eindred), Polytptiek. Een veelluik van Groninger bijdragen aan de kunstgeschiedenis, Waanders Uitgevers, Zwolle 2002, 195-209.

* ‘Wiel Arets. Live/Life’ en ‘Progetti/Projects’, in: Massimo Faiferri, Wiel Arets Live/life, Logos, Modena 2002, pp.6-32, 34-59.

*‘De schizofrene stad’, in: Mieke Dings (red), De Stad, 010 Uitgevers Rotterdam 2006, pp. 331-349.

*‘Bogotá: From Chaos to Meta-City’, in: Fondazione La Biennale (prod), Cities, Architecture and Society; Participating countries, 10th Mostra Internazionale di Architecttura/La Biennale di Venezia, Marsilio Editori, Venice 2006, pp. 58-59.

*‘Het ongrijpbare alledaagse', in: S&RO 3/2007, jaargang 88, nr. 3, 2007, pp. 12-23.

* ‘La Ciudad como Construcción Fisica y Mental: Bogotá’, in: Gerard Martin, Alberto Escovar, Marijke Martin, Maarten Goossens (eds), Bogotá, El Renacimiento de una Ciudad, El Planeta Bogotá, Bogotá 2007, pp. 19 – 34.

* Publicatie als resultaat van NOW onderzoek ‘Changed Conditions: An Inquiry into the Disappereance of ‘Bildung’ from Architecture since the 1960s’, 2009 (ca. 200 pgs).

Laatst gewijzigd:06 november 2012 01:33

Contactgegevens

Architectuur- en Stedenbouwgeschiedenis

Kamer:
1126.0303
Telefoon: