Skip to ContentSkip to Navigation
TalencentrumOnderdeel van Rijksuniversiteit Groningen

Talencentrum

Express yourself <> understand the world
TalencentrumCommunicatietrainingAcademische vaardighedenHandboekSchriftelijk: studentenStijl

Wetenschappelijk of populariserend

Aanbevelingen

Schrijven voor vakgenoten

  • Wees zo volledig en controleerbaar mogelijk: je schrijft voor vakgenoten die details willen weten over je onderzoek, je methode en je resultaten. Verantwoord al je keuzes, en noem je bronnen als je naar het werk van anderen verwijst (zie ook citeren parafraseren). Herhaling van woorden is in wetenschappelijke genres geen taboe; integendeel. Je kunt er misverstanden mee voorkomen.
  • Wees voorzichtig en precies in je uitspraken: trek alleen conclusies als ze overduidelijk uit onderzoeksgegevens blijken. Doe geen ongemotiveerde uitspraken, en besef dat nauwkeurigheid zwaarder weegt dan levendigheid.
  • Wees niet bang voor abstracties, generalisaties en jargon: het beschrijven van theorieën, processen en factoren brengt dit nu eenmaal met zich mee, en onder vakgenoten vormen vaktermen en -begrippen nu eenmaal een handig middel om efficiënt te communiceren.

Schrijven voor niet-vakgenoten

  • Kies een menselijke, persoonlijke benadering: vertel anekdotes, gebruik citaten, gebruik persoonlijke voornaamwoorden (ik, wij), spreek de lezer aan, sluit aan bij de kennis van de lezer, laat je als schrijver eventueel ook van een meer persoonlijke kant zien (beschrijf bijvoorbeeld je onderzoek als een spannende zoektocht)
  • Schrijf beeldend: kies sprekende voorbeelden, illustraties, leg uit met vergelijkingen, wees origineel (naarmate de koppeling van beeld en onderwerp minder bekend is, werkt het beeld verrassender). Vermijd echter overbekende beeldspraak.
  • Wees stellig: benadruk resultaten en grote lijnen. Leken hebben niet altijd belangstelling voor de finesses van je methode. Voor een uitzondering hierop, zie het voorbeeld over onderzoek als speurtocht hieronder.
  • Vermijd vaktaal; vertaal ‘moeilijke’ woorden naar gewone mensentaal of leg ze uit.

Voorbeelden

abstract: De variatie in het taalgebruik wordt bepaald door persoonlijke, situationele en groepsgebonden factoren. (manuscript van wetenschappelijke tekst)

concreet: Niet iedereen spreekt hetzelfde Nederlands. Groningers spreken anders dan Gentenaars, niet alleen als ze hun eigen dialect gebruiken, maar ook als ze zich van het ABN bedienen. De voorzitter van een vakvereniging spreekt stakers anders toe dan de directieleden met wie hij onderhandelt. Jongeren gebruiken woorden die ouderen niet kennen. (gepopulariseerde versie in Jan de Vries, Rob Willemijns en Peter Burger, Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands. Amsterdam: Prometheus, 1993)

toelichting: De ‘wetenschappelijke’ versie laat zien hoe je in weinig, precies geformuleerde woorden een grote hoeveelheid verschijnselen onder 1 noemer kunt brengen. Voor de gepopulariseerde versie zijn juist de verschijnselen in de vorm van voorbeelden concreet gemaakt; ook heeft de schrijver hiervan de lijdende vorm omgezet in actieve vormen, wat bijdraagt aan de concreetheid van de tekst.

abstract: Hoewel kinderen geen positieve evidentie krijgen voor bijvoorbeeld /pw/- en /tl/-clusters, komen ze in kindertaaldata veel voor. Het is een taalspecifieke eigenschap van het Nederlands dat twee medeklinkers in een onsetcluster niet dezelfde articulatieplaats mogen hebben. Kinderen hebben juist een voorkeur voor clusters met 1 articulatieplaats. Op basis van negatieve evidentie, dat wil zeggen, het ontbreken van /tl/- en /pw/-clusters in het taalaanbod, moet het kind leren dat /tl/- en /pw/-clusters uitgesloten zijn in het Nederlands. (Paula Fikkert, On the acquisition of prosodic structure [S.l.: s.n.] Diss. Ru Leiden 1994)

concreet: Kinderen gaan nu ook woorden produceren die met pw- en tl- beginnen. Dat dat in het Nederlands onmogelijke combinaties zijn, leren ze doordat ze hun ouders zulke woorden nooit horen gebruiken. Behalve wat wel mag, moeten kinderen dus ook leren wat niet mag. (Peter Burger, ‘Honftelang. Het proefschrift van Paula Fikkert.’ Onze Taal september 1994)

toelichting: De schrijfster van de wetenschappelijke versie gaat uit van een publiek dat het jargon kent, terwijl de schrijver van het Onze Taal-artikel de wetenschappelijke woorden en formuleringen omzet naar – minder precieze, maar wel begrijpelijker taal.


Onderzoek als speurtocht

In het onderstaande voorbeeld (geciteerd uit Burger en De Jong), zie je dat je een onderzoeksmethode ook voor een breed publiek interessant kunt maken.

Bron: Peter Burger, ‘Monkey soap.’ VU-magazine november 1991.

Chimpansees zijn geboren toneelspelers. Toen een chimpanseemannetje in Burgers Dierenpark door een rivaal gebeten was, buitte hij dat acteertalent uit door een week lang kreupelheid te simuleren. Maar dat deed hij alleen wanneer hij degene passeerde die hem kort daarvoor gebeten had. De chimpansee wist dat zijn rivaal hem daardoor een tijdlang zou ontzien.

De apenonderzoekers Richard Byrne en Andrew Whiten verzamelden in hun boek Machiavellian Intelligence een groot aantal van zulke staaltjes van chimpansees in het wild en in gevangenschap. Dergelijk gedrag lijkt te bewijzen dat chimpansees net als mensen de bedoelingen van anderen kunnen doorzien en die van zichzelf kunnen verbergen.

Maar een verzameling anekdotes is nog geen wetenschappelijk bewijs. Hebben die chimpansees wel de bedoeling te bedriegen? Beschikken ze echt over zoveel sociaal inzicht, of is het allemaal een kwestie van conditionering, een mechanische opeenvolging van stimulus en respons? Je kunt het ze niet vragen.

De Amerikaanse psycholoog Premack verzon een experiment om op gecontroleerde, ondubbelzinnige manier het inzicht van chimpansees te peilen. Hij liet zijn proefdieren videoclips van tien seconden zien waarin een menselijke acteur vergeefs een bepaald doel trachtte te bereiken. Zo zagen de apen een man aan een hek rukken waarachter een tros bananen lag, of omhoog springen naar een tros bananen die net buiten zijn bereik hing.

Daarna kregen de chimpansees foto’s te zien van een blikopener, een sleutel en andere voorwerpen. En zonder daarvoor beloond te worden, kozen ze voor de man achter het hek de sleutel, en voor de man onder de tros bananen een blok om op te staan.

Had Premack nu bewezen dat de chimpansees reageerden op de bedoelingen die ze toeschreven aan de man in de video? Sceptici konden nog steeds zeggen dat de dieren niet meer deden dan het voorwerp kiezen dat ze associëren met de situatie: bij een hek denken ze automatisch aan een sleutel, omdat ze als laboratoriumbewoners vertrouwd zijn met het verband tussen hekken en sleutels.

Om die mogelijkheid uit te sluiten, deed Premack een nieuw experiment, met twee proefpersonen: een man die de chimpansees graag mochten, omdat hij elke dag lekkers bracht, en een man die hen bij de eerste ontmoeting aan het schrikken had gemaakt.

Opnieuw werd een video vertoond: een man wil een hek openen omdat er twee dobermann-pinschers op hem afkomen. En opnieuw werden de foto’s gepresenteerd. Maar nu kozen de chimpansees voor hun populaire verzorger de sleutel en voor de antipathieke schreeuwer een blikopener of een ander nutteloos voorwerp. Waarmee Premack bewezen had dat zijn chimpansees de bedoelingen van de acteur onderkenden en daar weloverwogen op reageerden.

Literatuur

  • Burger, P. & de Jong, J. (1997). Handboek Stijl. Adviezen voor aantrekkelijk schrijven. Groningen: Martinus Nijhoff.  

© 2002 | RUG, Faculteit der Letteren, project Communicatieve Vaardigheden

Laatst gewijzigd:15 september 2017 21:01