Skip to ContentSkip to Navigation
EducationProgrammesOther study opportunitiesGroningen Academy for Radiation ProtectionRadiation protection

Proefexamen #2

Toezichthouder VRS-C
Bij elk van de de volgende vragen moet het juiste antwoord worden aangekruist. Per vraag is maar één antwoord juist. De goede antwoorden vindt u hier . Het examen is gebaseerd op de leerstof behandeld in de Syllabus Coördinerend Stralingsbeschermingsdeskundige (Rijksuniversiteit Groningen /Arbo, Milieu en Duurzaamheid / GARP) en de bijbehorende leeswijzer .

  1. Wat zijn isobaren?
    1. nucliden met verschillende Z en gelijke N
    2. nucliden met gelijke Z en verschillende N
    3. nucliden met verschillende Z en verschillende N
    4. nucliden waarvoor Z/N een vaste verhouding heeft

    Met het woord dragervrij bedoelt men dat een radionuclide niet vermengd is met stabiele isotopen.

  2. Vul de zin aan: De activiteit van 1 gram van een dragervrij radionuclide is...
    1. evenredig met het massagetal en omgekeerd evenredig met de halveringstijd
    2. evenredig met de halveringstijd en omgekeerd evenredig met het massagetal
    3. evenredig met het massagetal en evenredig met de halveringstijd
    4. omgekeerd evenredig met het massagetal en omgekeerd evenredig met de halveringstijd
  3. Bij welk fysisch proces ontstaat dezelfde eindkern als bij emissie van een β+-deeltje?
    1. β--verval
    2. γ-verval
    3. elektronvangst
    4. annihilatie
verval Al26
  1. Hierboven staat het vervalschema van 26Al. Wat is de maximale energie van de uitgezonden β2 +-deeltjes?
    1. 1,177 MeV
    2. 1,809 MeV
    3. 2,199 MeV
    4. 4,008 MeV
  2. Vul de zin aan: In materie is het energieverlies van een α-deeltje per eenheid van lengte...
    1. maximaal aan het begin van de baan
    2. maximaal halverwege de baan
    3. maximaal aan het eind van de baan
    4. nagenoeg constant langs de gehele baan
  3. Wat is het voornaamste fysische proces waardoor ß-deeltjes energie verliezen in materie?
    1. emissie van remstraling
    2. botsingen met atoomkernen
    3. botsingen met elektronen
    4. kernreacties
  4. Vul de zin aan: Voor γ-energieën waarbij het Compton-effect overheerst, is de massaverzwakkingscoëfficiënt voor een smalle bundel fotonen bij benadering...
    1. omgekeerd evenredig met de dichtheid van het materiaal
    2. nagenoeg onafhankelijk van het atoomnummer Z van het materiaal
    3. evenredig met het atoomnummer Z van het materiaal
    4. omgekeerd evenredig met het atoomnummer Z van het materiaal
  5. Welke van de onderstaande splijtingsreacties is mogelijk?
    1. 235U + n —› 88Rb + 143Cs + 3n
    2. 235U + n —› 88Rb + 144Cs + 3n
    3. 235U + n —› 88Rb + 145Cs + 3n
    4. 235U + n —› 88Rb + 146Cs + 3n
  6. Wat is exposie?
    1. hoeveelheid geabsorbeerde energie per eenheid van massa
    2. hoeveelheid ionisatielading per eenheid van massa
    3. fluxdichtheid van de invallende deeltjes
    4. stralingsintensiteit in de meest brede zin
  7. Wat is het verschil tussen effectieve dosis en equivalente dosis?
    1. bij de effectieve dosis wordt wel rekening gehouden met de stralingsweegfactor en bij de equivalente dosis wordt dit niet gedaan
    2. bij de effectieve dosis wordt geen rekening gehouden met de stralingsweegfactor en bij de equivalente dosis wordt dit wel gedaan
    3. bij de effectieve dosis wordt wel rekening gehouden met de weefselweegfactor en bij de equivalente dosis wordt dit niet gedaan
    4. bij de effectieve dosis wordt geen rekening gehouden met de weefselweegfactor en bij de equivalente dosis wordt dit wel gedaan
  8. Welke weefsels zijn in het algemeen het meest stralingsgevoelig?
    1. weefsels die de meeste straling ontvangen
    2. weefsels waarvan de cellen snel delen
    3. weefsels die gelegen zijn in de buikholte
    4. weefsels waarvan de cellen niet meer delen
  9. Welk stralingssyndroom overheerst na een totale lichaamsbestraling met 2 Sv ?
    1. hersensyndroom
    2. darmsyndroom
    3. beenmergsyndroom
    4. leversyndroom
  10. Welke aandoening kan NIET als een stochastisch effect worden aangemerkt?
    1. troebeling van de ooglens
    2. kanker
    3. leukemie
    4. genetische afwijking

    De onderbuik van een zwangere vrouw ontvangt een equivalente dosis van 300 mSv in de eerste week na de conceptie.

  11. Wat is het meest waarschijnlijke postnatale gevolg voor het kind?
    1. geen enkel gevolg
    2. misvorming van een orgaan
    3. verlaging van het intelligentiequotiënt
    4. kanker in de vroege jeugd
  12. Voor welke stralingssoort(en) is het bronorgaan meestal het enige doelorgaan?
    1. uitsluitend α-straling
    2. uitsluitend zachte β-straling
    3. zowel α-straling als zachte β-straling
    4. geen enkele stralingssoort
  13. Hoe groot is de fractie van de gedeponeerde activiteit die vanuit het compartiment ET1 via het transfer compartiment wordt afgevoerd?
    1. 0%
    2. 1%
    3. 10%
    4. de fractie is afhankelijk van het oplosbaarheidstype (F, M of S)

    Aan het telgas van een Geiger-Müllerbuis wordt gewoonlijk een doofgas toegevoegd.

  14. Om welke reden wordt dit gedaan?
    1. om de gasversterking te verhogen
    2. om de gasversterking te verlagen
    3. om de dode tijd te verkleinen
    4. om te voorkomen dat er secundaire elektronen worden gevormd als ionen op de kathode botsen
  15. Tot welke groep van detectoren behoort een thermoluminescentiedetector (TLD) zoals LiF ?
    1. vaste-stofscintillatoren
    2. vloeibare scintillatoren
    3. ionisatiedetectoren
    4. halfgeleiderdetectoren
  16. Welk instrument is aan te raden voor een nauwkeurige meting van het exposietempo van röntgenstraling met een maximale energie van 100 kV ?
    1. Geiger-Müllerbuis
    2. luchtequivalente ionisatiekamer met een dun venster
    3. NaI-detector
    4. Ge-detector
  17. Bij welke soort meting wordt NOOIT gebruik gemaakt van een veelkanaalsanalysator?
    1. activiteitsmeting
    2. dosistempometing
    3. besmettingsmeting
    4. γ-spectrometrie
  18. Door welk materiaal worden neutronen het minst goed afgeschermd?
    1. water
    2. polyetheen
    3. paraffine
    4. lood
  19. Hoe groot is het overlijdensrisico als gevolg van blootstelling aan ioniserende straling?
    1. 0,05% per mSv
    2. 0,05% per Sv
    3. 5% per mSv
    4. 5% per Sv
  20. Welke persoon is bevoegd om radioactieve stoffen daadwerkelijk te beheren en te gebruiken?
    1. elke stralingsbeschermingsdeskundige
    2. de directeur van het bedrijf mits dit over een passende kernenergiewetvergunning beschikt
    3. uitsluitend de stralingsbeschermingsdeskundige die in de betreffende kernenergiewetvergunning wordt genoemd
    4. elke medische specialist die geregistreerd is als nucleair geneeskundige

    Het door de ICRP aanbevolen beschermingskader bij handelingen bevat een aantal uitgangspunten en oogmerken.

  21. Welk uitgangspunt hoort daar NIET bij?
    1. de toepassing moet gerechtvaardigd zijn, dat wil zeggen dat de resultaten nuttig zijn en opwegen tegen de nadelen
    2. de resulterende stralingsdosis moet zo laag mogelijk worden gehouden
    3. er mogen geen dosislimieten worden overschreden
    4. alle alternatieve mogelijkheden waarbij geen straling wordt toegepast genieten zonder meer de voorkeur
  22. Wat is de wettelijk jaarlimiet voor handen en huid van blootgestelde A-werknemers?
    1. 20 mSv
    2. 50 mSv
    3. 200 mSv
    4. 500 mSv

    Volgens het Besluit Basisveiligheidsnormen Stralingsbescherming moeten blootgestelde werknemers jaarlijks medisch worden onderzocht als de effectieve jaardosis boven een bepaalde grenswaarde kan komen.

  23. Wat is deze grenswaarde?
    1. 1 mSv
    2. 6 mSv
    3. 20 mSv
    4. 200 mSv

    De vrijstellingsgrenzen voor de activiteit en de activiteitsconcentratie voor matige hoeveelheden van 3H zijn 1 GBq respectievelijk 1 MBq/g.

  24. Welke van de onderstaande radioactieve stoffen, elk minder dan 1000 kg, is vrijgesteld?
    1. 3,7 TBq 3H met een activiteitsconcentratie van 3,7 MBq/g
    2. 10 TBq 3H met een activiteitsconcentratie van 1014 Bq/g
    3. 20 TBq 3H met een activiteitsconcentratie van 20 MBq/g
    4. 370 TBq 3H met een activiteitsconcentratie van 37 kBq/g

    Het ISO-getal van een niet al te grote ingekapselde bron bestaat uit de letter C gevolgd door vijf cijfers. Deze cijfers representeren de zwaarte van de test die de betreffende bron heeft ondergaan op achtereenvolgens de volgende onderdelen: temperatuur, druk, slag, vibratie en puntbelasting.

  25. Vul de zin aan: Een ingekapselde 252Cf-bron ten behoeve van boorgatanalyse met ISO-getal C56522 is getest op...
    1. alle onderdelen
    2. alle onderdelen met uitzondering van vibratie en puntbelasting
    3. alle onderdelen met uitzondering van druk
    4. geen enkel onderdeel

    De drie gouden regels zijn: (1) snel werken, (2) afstand houden en (3) afschermen.

  26. Waartegen bieden deze regels bescherming?
    1. uitwendige bestraling
    2. inwendige bestraling
    3. zowel uitwendige als inwendige bestraling
    4. medische bestraling
  27. Welke maatregel(en) moet men nemen om te voorkomen dat een radioactieve bron zoekraakt? Kies het beste en/of meest volledige antwoord.
    1. registratie van het gebruik van alle bronnen
    2. plaatsing van een waarschuwingsbord tijdens het gebruik van een bron
    3. opslag in de kluis na het gebruik van een bron
    4. alle onder [a] tot en met [c] genoemde maatregelen

    In de zuurkast van het C-laboratorium wordt poedervormig, met 32P gelabeld fosfaat gemalen. De zuurkast voldoet aan de norm NEN-EN 14175. De dosisconversiecoëfficiënt van 32P is e(50)inhalatie = 2,9x10-9 Sv/Bq. Maak bij de beantwoording van de volgende vraag gebruik van de p-, q- en r-waarden in figuur A .

  28. Wat is de maximale activiteit waarmee in deze situatie per keer mag worden gewerkt?
    1. 7 GBq
    2. 0,7 GBq
    3. 70 MBq
    4. 7 MBq
  29. Welke eigenschap is noodzakelijk voor een goede werking van de zuurkast?
    1. de vrije doorstroming van lucht wordt niet belemmerd
    2. de zuurkast is goed decontamineerbaar
    3. het raam van de kast kan volledig worden gesloten
    4. het raam van de kast kan volledig worden geopend
  30. Hoeveel draagt de achtergrondstraling in Nederland per dag bij tot de effectieve dosis van de bevolking?
    1. ongeveer 0,5 µSv
    2. ongeveer 5 µSv
    3. ongeveer 50 µSv
    4. ongeveer 500 µSv
Laatst gewijzigd:07 februari 2019 13:54