Skip to ContentSkip to Navigation
OnderwijsOpleidingenAndere studiemogelijkhedenGroningen Academy for Radiation ProtectionStralingsbescherming

Proefexamen #1

Toezichthouder VRS-C

Bij elk van de de volgende vragen moet het juiste antwoord worden aangekruist. Per vraag is maar één antwoord juist. De goede antwoorden vindt u hier . Het examen is gebaseerd op de leerstof behandeld in de Syllabus Coördinerend Stralingsbeschermingsdeskundige (Rijksuniversiteit Groningen /Arbo, Milieu en Duurzaamheid / GARP) en de bijbehorende leeswijzer .

  1. Vul de zin aan: De twee nucliden 18F en 19F zijn...
    1. isomeren
    2. isotopen
    3. isotonen
    4. isobaren
  2. Bij welk verval ontstaat dezelfde eindkern als bij elektronvangst?
    1. α-verval
    2. β+-verval
    3. β--verval
    4. γ-verval
  3. Wat gebeurt er bij interne conversie?
    1. er wordt energie van de kern overgedragen aan een elektron
    2. er wordt een elektron opgenomen in de atoomkern
    3. er wordt een positron ingevangen door een elektron
    4. er wordt geen secundaire straling uitgezonden
  4. Wanneer zijn twee opeenvolgende radionucliden uit een natuurlijke radioactieve reeks met elkaar in evenwicht?
    1. als hun halfveringstijden gelijk zijn
    2. als hun activiteiten gelijk zijn
    3. als de aantallen kernen van beide nucliden gelijk zijn
    4. als hun varvalconstanten gelijk zijn
  5. Van welke orde van grootte is de lineïeke dracht van 5 MeV α-deeltjes in lucht?
    1. micrometers
    2. millimeters
    3. centimeters
    4. meters
  6. Van welke orde van grootte is de maximale lineïeke dracht van 2 MeV β-deeltjes in lucht?.
    1. 0,1 m
    2. 1 m
    3. 10 m
    4. 100 m
  7. Waarvan hangt de massaverzwakkingscoëfficiënt voor γ-straling af?
    1. de dikte van de absorberende laag
    2. de soortelijke massa van het absorberende materiaal
    3. het aantal opvallende γ-fotonen
    4. de γ-energie
  8. Wat is het voornaamste mechanisme waardoor snelle neutronen hun energie verliezen?
    1. elastische botsingen met atoomkernen
    2. ionisaties
    3. neutronvangst
    4. kernsplijting
  9. In welke eenheid kan men het exposietempo uitdrukken?
    1. gray per uur
    2. röntgen
    3. picoampere per kilogram
    4. coulomb per kilogram

    Ten gevolge van een medische behandeling ontvangt een patiënt equivalente orgaandoses van 30 mSv op de longen en 20 mSv op de schildklier. De weefselweegfactoren zijn wlongen = 0,12 respectievelijk wschildklier = 0,04.

  10. Hoe groot is de effectieve dosis van de patiënt ten gevolge van deze behandeling?
    1. 2,2 mSv
    2. 4,4 mSv
    3. 25 mSv
    4. 50 mSv
  11. Vul de zin aan: Functionerende cellen zijn...
    1. niet resistent voor bestraling omdat zij nog delen
    2. gevoelig voor straling vanwege mitosedood
    3. gevoelig voor straling door verbindweefseling
    4. resistent voor een relatief hoge dosis straling omdat zij niet meer delen

    De LD50 is de dosis die bij 50% van de bestraalde individuen de dood veroorzaakt.

  12. Hoe groot is de LD50 bij een totale lichaamsbestraling van de mens?
    1. tussen 0,1 - 0,5 Gy
    2. tussen 0,5 - 2 Gy
    3. tussen 2 - 10 Gy
    4. tussen 10 - 50 Gy
  13. Welke uitspraak betreffende de biologische gevolgen van straling is NIET juist?
    1. voor stochastische effecten neemt de ernst van de ziekteverschijnselen toe als de dosis groter wordt
    2. weefselreacties kennen een drempeldosis
    3. somatische effecten zijn te onderscheiden in stochastische effecten en weefselreacties
    4. genetische effecten zijn stochastisch van aard
  14. Tijdens welke fase van de zwangerschap kan bestraling aanleiding geven tot een aangeboren misvorming?
    1. eerste trimester
    2. tweede trimester
    3. derde trimester
    4. gehele zwangerschap
  15. Wat wordt met transfer compartiment bedoeld?
    1. maag-darmkanaal
    2. luchtpijp en zijn vertakkingen
    3. bloed en de overige lichaamsvochten
    4. spierweefsel

    Een werknemer heeft een radioactieve stof ingeslikt. Het betreft een verbinding waarvoor f1 = 1 en een nuclide dat uitsluitend β-deeltjes uitzendt.

  16. Vul de zin aan: De stralingsdosis in de dikke darm is...
    1. vrijwel nul
    2. afhankelijk van de verdeling van het radionuclide over de rest van het lichaam
    3. afhankelijk van de β-energie
    4. afhankelijk van de verblijftijd van het radionuclide in de dikke darm

    De dode tijd van een Geiger-Müllerbuis is 200 μs, waardoor een fout van 20% in de bepaling van het teltempo is opgetreden.

  17. Hoe groot was dat gemeten teltempo?
    1. 103 telpulsen per seconde
    2. 104 telpulsen per seconde
    3. 105 telpulsen per seconde
    4. 106 telpulsen per seconde
  18. Welke eigenschap heeft een vloeistofscintillatiedetector?
    1. goede energieresolutie
    2. geringe dikte van het venster
    3. geometrisch rendement van 50% (2π-geometrie)
    4. geometrisch rendement van 100% (4π-geometrie)
  19. Vul de zin aan: Een goede besmettingsmonitor is zo geconstrueerd dat hij...
    1. een laag exposietempo kan meten
    2. een grote gevoeligheid heeft voor de straling die men wil detecteren
    3. een laag nuleffect heeft
    4. beide onder [b] en [c] genoemde eigenschappen bezit
  20. Het telrendement wordt door een aantal verschillende factoren bepaald. Welke factor bepaalt de kans dat de door een kern uitgezonden straling daadwerkelijk in het detectormateriaal terecht komt? Geef het beste en/of meest volledige antwoord
    1. de zelfabsorptiefactor
    2. de geometriefactor
    3. de absorptiefactor van het materiaal tussen bron en detector
    4. het product van de onder [a] tot en met [c] genoemde factoren
  21. Met welk materiaal schermt men bij voorkeur hoogenergetische β-deeltjes af?
    1. chloorvrij plastic
    2. glas
    3. ijzer
    4. lood
  22. Hoe groot is het overlijdensrisico bij de gemiddelde mens ten gevolge van stochastische effecten na blootstelling aan ioniserende straling?
    1. ongeveer 0,01 per sievert
    2. ongeveer 0,02 per sievert
    3. ongeveer 0,05 per sievert
    4. ongeveer 0,10 per sievert
  23. Op wiens naam moet de kernenergiewetvergunning voor een bedrijf of instelling staan?.
    1. stralingsbeschermingsdeskundige die in de vergunning wordt genoemd
    2. bedrijf of instelling als rechtspersoon
    3. bedrijfsarts van het bedrijf of de instelling
    4. hoofd van de bedrijfsveiligheidsdienst van het bedrijf of de instelling
  24. Op welke blootstelling zijn de dosislimieten van toepassing?
    1. uitsluitend blootstelling van patiënten als gevolg van medische verrichtingen
    2. uitsluitend blootstelling als gevolg van uitwendige bestraling
    3. uitsluitend blootstelling als gevolg van inwendige bestraling
    4. blootstelling als gevolg van uitwendige en inwendige bestraling tezamen
  25. Wat is de wettelijke jaarlimiet voor de ooglens van blootgestelde A-werknemers?
    1. 20 mSv
    2. 50 mSv
    3. 150 mSv
    4. 500 mSv

    Volgens het Besluit Basisveiligheidsnormen Stralingsbescherming moeten blootgestelde werknemers ingedeeld worden in categorie B als de effectieve jaardosis NIET boven een bepaalde grenswaarde kan komen.

  26. Wat is deze grenswaarde?
    1. 1 mSv
    2. 2mSv
    3. 6mSv
    4. 20mSv
  27. Voor welke toepassing van radioactieve stoffen is een vergunning verplicht? Kies het beste en/of meest volledige antwoord.
    1. toedienen van stoffen aan dieren voor diagnostisch onderzoek
    2. toedienen van stoffen aan mensen voor diagnostisch onderzoek
    3. aanwenden van stoffen voor onderwijsdoeleinden
    4. elk van de onder [a] tot en met [c] genoemde toepassingen
  28. De toezichthouder wil een gesloten 137Cs-bron in een pakket versturen. Wat is de maximaal toegestane waarde van H*(10) op het oppervlak van dit pakket?
    1. 1 μSv per uur
    2. 100 μSv per uur
    3. 1 mSv per uur
    4. 2 mSv per uur
  29. Welke maatregel leidt tot de grootste afname van de dosis?
    1. activiteit met een factor 3 verminderen
    2. werkafstand met een factor 3 vergroten
    3. werktijd met een factor 3 verkorten
    4. werktijd met een factor 6 verkorten

    Een niet afgeschermde radioactieve bron zendt per desintegratie één β-deeltje (Eβ,max = 1 MeV) en één γ-foton (Eγ = 1 MeV) uit.

  30. Waardoor wordt de geabsorbeerde dosis op 10 cm van deze bron bepaald?
    1. in ongeveer gelijke mate door β- en γ-straling
    2. uitsluitend door de β-straling
    3. voor meer dan 90% door de β-straling
    4. voor meer dan 90% door de γ-straling
  31. Bij welke handeling kan gemakkelijk besmetting ten gevolge van aërosolvorming optreden?
    1. leegdrukken van een injectiespuit in een bekerglas
    2. rustig laten bezinken van neerslag in een bekerglas
    3. elk van de onder [a] en [b] genoemde handelingen
    4. geen van de onder [a] en [b] genoemde handelingen

    De halveringsdikte voor γ-straling uitgezonden door 125I bedraagt 2 mm in water en 0,3 mm in glas.

  32. Waarom gaat het labelen met 125I vergezeld van extra risico's?
    1. omdat het radiotoxiciteitsequivalent van jodiumverbindingen zeer groot is
    2. omdat gemakkelijk vluchtig jodium kan ontstaan
    3. omdat de energie van de uitgezonden γ-straling zeer groot is
    4. wegens elk van de onder [a] tot en met [c] genoemde eigenschappen
  33. Hoe groot is de gemiddelde jaarlijkse stralingsbelasting van de Nederlandse bevolking ten gevolge van natuurlijke bronnen?
    1. ongeveer 0,1 mSv
    2. ongeveer 0,5 mSv
    3. ongeveer 2 mSv
    4. ongeveer 5 mSv
Laatst gewijzigd:07 februari 2019 13:54