Skip to ContentSkip to Navigation
breed in kennis  -  sterk in techniek
Over ons Campus Fryslân Onderzoek Centrum voor Duurzame Landbouw Transitie

Insecten tegen invasieve planten: wat kunnen bioagents in de praktijk betekenen?

decoratieve afbeelding

Stel: langs een sloot op je bedrijf verschijnt ineens een plant die je daar liever niet hebt. Je haalt hem weg, maar een paar weken later staat hij er opnieuw. Of een sloot raakt steeds verder dichtgegroeid, waardoor water minder goed kan worden afgevoerd. Voor boeren en terreinbeheerders zijn invasieve planten niet alleen een natuurprobleem. Ze kunnen ook extra werk, kosten en problemen met waterbeheer opleveren.

Een voorbeeld is Japanse duizendknoop. Deze plant kan langs sloten, oevers en perceelranden dichte begroeiingen vormen en andere planten verdringen. De sterke wortelstokken maken de plant bovendien lastig te verwijderen. Kleine stukjes wortel of stengel kunnen al uitgroeien tot een nieuwe plant. Op dijken en taluds kan de soort bovendien de bestaande vegetatie verdringen en daarmee de stabiliteit van de begroeiing beïnvloeden.

Ook grote waternavel en watercrassula kunnen voor problemen zorgen. Deze waterplanten kunnen sloten en watergangen dichtgroeien, waardoor de aanvoer en afvoer van water wordt belemmerd. Voor een agrarisch bedrijf waar een goede waterhuishouding belangrijk is, kan dat een heel concreet probleem zijn. Op dit moment zijn het vooral waterschappen die veel ervaring hebben met deze soorten en met de bestrijding ervan.

De natuur als bondgenoot

Veel invasieve planten komen oorspronkelijk uit een ander deel van de wereld. In hun oorspronkelijke verspreidingsgebied worden ze gegeten door insecten en mijten die zich in de loop van de evolutie aan de plant hebben aangepast. Wanneer zo'n plant hier terecht komt, laat hij een deel van zijn natuurlijke vijanden achter. Dat kan bijdragen aan het succes waarmee sommige uitheemse soorten zich verspreiden.

Bij biologische bestrijding wordt geprobeerd een deel van die ecologische relatie terug te brengen. Dat gebeurt niet zomaar. Een potentiële bioagent moet zeer specifiek zijn voor de doelplant. Voordat een soort in Nederland mag worden uitgezet, wordt daarom uitgebreid onderzocht of het dier ook andere, inheemse planten kan aantasten. Voor de biologische bestrijders binnen het Nederlandse BioCops onderzoek zijn dergelijke veiligheidstests uitgevoerd en zijn inmiddels vergunningen verleend.

Van bladvlo tot snuitkever

Binnen BioCops wordt momenteel met drie natuurlijke vijanden gewerkt. Voor Aziatische duizendknopen, waaronder Japanse duizendknoop, wordt de Japanse bladvlo Aphalara itadori onderzocht. De bladvlo zuigt aan jonge scheuten en bladeren en kan de groei van de plant afremmen.

Voor grote waternavel wordt gewerkt met een gespecialiseerde snuitkever, Listronotus elongatus. De kever voedt zich met de plant en moet ervoor zorgen dat de groei en verspreiding van grote waternavel worden geremd. Tegen watercrassula wordt een gespecialiseerde galmijt ingezet. Deze is zo klein dat hij niet zelfstandig wordt uitgezet. De mijten worden op planten naar de proeflocatie gebracht, waarna ze zich over andere watercrassulaplanten kunnen verspreiden.

De eerste veldproeven met de snuitkever en galmijt zijn in 2025 gestart. De proeven moeten onder andere duidelijk maken of de soorten zich in Nederland kunnen handhaven, voortplanten en verspreiden en of ze daadwerkelijk effect hebben op hun doelplant.

Wat heb je daar als boer aan?

Het belangrijkste is misschien wel dat een bioagent geen wondermiddel hoeft te zijn. Het doel is meestal niet om een plek binnen één seizoen volledig vrij te maken van een invasieve plant. Het gaat erom de plant langdurig te verzwakken.

Dat kan bijvoorbeeld interessant zijn bij een sloot of perceelrand waar Japanse duizendknoop ieder jaar terugkomt. Steeds opnieuw verwijderen kost tijd en voorkomt niet altijd dat de plant opnieuw uitloopt. Als een natuurlijke vijand de plant structureel verzwakt, kan dat ervoor zorgen dat andere maatregelen beter gaan werken.

Daarmee past biologische bestrijding binnen een bredere aanpak. Eerst voorkom je verspreiding en breng je in kaart waar de plant voorkomt. Vervolgens kunnen mechanische maatregelen worden ingezet. Een bioagent kan daar op termijn een extra laag aan toevoegen door de groeikracht van de plant te verminderen.

Bij Japanse duizendknoop wordt bijvoorbeeld onderzocht of de bladvlo juist kan helpen in de nazorg nadat planten eerst mechanisch zijn verwijderd of verzwakt. Het idee is dan niet dat het insect al het werk overneemt, maar dat het helpt om hergroei onder controle te houden.

Kun je zelf insecten uitzetten?

Nee, voorlopig niet. De bioagents uit het BioCops onderzoek zijn geen bestrijdingsmiddelen die je als boer kunt bestellen en zelf in een sloot of perceel kunt uitzetten. Het uitzetten van deze organismen in de natuur is vergunningplichtig en gebeurt binnen gecontroleerde onderzoeks- en monitoringsprogramma's. De huidige vergunningen zijn gekoppeld aan het onderzoek naar de betreffende soorten.

Dat betekent niet dat je als boer niets kunt doen. Heb je bijvoorbeeld Japanse duizendknoop op je bedrijf, of heb je te maken met een sloot die dichtgroeit met grote waternavel of watercrassula? Dan kan het interessant zijn om eerst vast te stellen om welke soort het gaat en welke maatregelen al worden toegepast.

Voor informatie over het huidige Nederlandse onderzoek kun je contact opnemen met STOWA. Daar loopt het BioCops-project en wordt samengewerkt met onder andere CABI, Koppert en Universiteit Leiden. De contactpersoon voor het project is Tessa van der Wijngaart.

Een concrete eerste stap is daarom: maak een foto van de plant, noteer waar hij groeit en hoe groot de groeiplek ongeveer is. Bespreek dit vervolgens met je waterschap of met STOWA. Zij kunnen aangeven of het probleem aansluit bij lopend onderzoek of dat er andere geschikte maatregelen zijn.

Geen wondermiddel, wel een extra instrument

Voor boeren zal een bioagent dus niet morgen het verschil maken tussen wel of geen invasieve planten op het bedrijf. De huidige toepassingen zijn nog volop in onderzoek en zijn vooral gericht op soorten waar waterschappen en terreinbeheerders veel problemen mee ervaren.

Toch is de ontwikkeling interessant. Waar bestrijding vooral bestaat uit steeds opnieuw verwijderen, kan een natuurlijke vijand op termijn helpen om een invasieve plant structureel zwakker te maken.

De kracht zit daarom waarschijnlijk niet in één insect dat het probleem oplost, maar in het combineren van verschillende maatregelen. Preventie, monitoring, mechanische bestrijding en waar mogelijk natuurlijke vijanden kunnen samen zorgen voor een aanpak waarbij invasieve planten niet per se volledig verdwijnen, maar wel beheersbaar worden.


Voor het Centrum voor Duurzame Landbouw Transitie past deze ontwikkeling in een bredere zoektocht naar landbouwmethoden die minder belastend zijn voor de omgeving. Bioagents zijn daarbij geen vervanging van bestaande maatregelen, maar een mogelijke aanvulling die op termijn kan bijdragen aan een duurzamere manier van omgaan met invasieve planten op en rond het boerenbedrijf.

Dit artikel is geschreven door Joost Besijn, sr. praktijkonderzoeker bij CDLT. Voordat hij bij CDLT ging werken, was hij acht jaar betrokken bij een programma gericht op de bestrijding van invasieve soorten, waarbij de inzet van bioagents een van de onderzochte methoden was.

Laatst gewijzigd:21 september 2026 14:54
View this page in: English