‘Haal sekswerkers uit het verdomhoekje’

Misstanden in de prostitutie en mensenhandel moeten streng worden bestreden. Maar wat is de beste manier? De aanpak verschilt per land: van legalisatie met regulering tot beperking van sekswerk, door het aanbod of de vraag tegen te gaan. Voor haar promotieonderzoek vergelijkt Lisa Hoekman de wetgeving en het effect daarvan in landen als België, Nederland, Zweden, Frankrijk en Duitsland. Zij constateert: ‘Sekswerkers die vrijwillig voor het beroep kiezen, zijn snel de dupe.’
Tekst: Gert Gritter, Corporate Communicatie RUG / Foto’s: Henk Veenstra
Prostitutiemodellen
Er zijn opmerkelijke verschillen in het beleid tegen seksuele uitbuiting en mensenhandel per Europees land. Onderzoekers onderscheiden grofweg drie categorieën van zogeheten prostitutiemodellen: criminalisering, regulering-legalisering en decriminalisering. Allereerst is er het Nordic Model (of het End Demand Model) in bijvoorbeeld Zweden, Noorwegen, Canada en Frankrijk. Het afnemen van sekswerkdiensten is illegaal en daarom riskeren kopers van seks straf. Landen als Nederland en Duitsland hebben gekozen voor regulering-legalisering. Sekswerk wordt als legaal beschouwd, mits er aan voorwaarden en regels wordt voldaan.
Als laatste is er decriminalisering: het sekswerk wordt vrijgelaten en behandeld als ander werk. Dat is in slechts twee landen het geval: Nieuw-Zeeland en België. In Nieuw-Zeeland lijkt dat al twintig jaar gunstig uit te werken, met de aantekening dat mensenhandel minder voorkomt vanwege geografische isolatie. Interessant is daarom België, waar het model kortgeleden is ingevoerd. Hoekman, tevens universitair docent, werkt vaak vanuit Gent, om onder meer te onderzoeken hoe de situatie zich in Vlaanderen ontwikkelt.

Stigmastress
In zowel het Nordic Model als bij regulering-legalisering zijn er nadelen voor sekswerkers. Op het oog lijken ze in beide gevallen goed beschermd door de wet, maar in de praktijk pakt dat vaak anders uit. Criminalisering van prostitutie leidt er niet toe dat sekswerk ophoudt. Het blijft gewoon bestaan, maar dan clandestien, wat controle en handhaving bemoeilijkt. Bovendien kunnen sekswerkers dan geen aanspraak maken op verschillende (arbeidsrechtelijke) vrijheden en rechten. Ook regulering-legalisering is niet ideaal, omdat bepalingen zoals verplichte registratie sekswerkers soms (indirect) dwingen tot geheimhouding, omdat ze er bang voor zijn dat hun persoonlijke gegevens worden misbruikt.
Hoekman: ‘In al deze gevallen wordt sekswerk gezien als een abnormaal beroep, waarvoor andere normen en regels gelden. Het beroep heeft een stigma, dat uitstraalt op de beroepsgroep. Sekswerkers worden door instanties als belastingdienst, woningcorporaties en banken met argwaan behandeld. Het is bijvoorbeeld lastig een bankrekening te openen, een hypotheek of lening te krijgen of zich in te schrijven als woningzoekende. De tegenwerking en afkeuring door de maatschappij veroorzaken permanente stress. Mogelijk ziekmakende stress, zowel fysiek als mentaal. Dat geldt ook voor de speciale categorie van seksuele-dienstverleners: dat zijn sekswerkers – ofwel: sekszorgers – die zich richten op bijvoorbeeld mensen met een handicap of een autistische stoornis.’

Openheid
Hoekman is zeker niet blind voor de misstanden van seksuele uitbuiting. ‘Er is verschrikkelijk veel doffe ellende.’ Ook vindt ze dat alles gedaan moet worden om ertegen op te treden en sekswerkers te beschermen. ‘Het is vooral de vraag hoe je dat het beste realiseert. Is dat het geval wanneer sekswerk zich in de schaduw en in het geniep afspeelt? Of wanneer het goed zichtbaar en in alle openheid gebeurt? Inspectie, toezicht en controle zouden vooral moeten dienen om sekswerkers te beschermen, niet om hun werk moeilijker te maken.’
‘Openheid zou het ook makkelijker maken om de wet te handhaven en in te grijpen bij overtredingen, waardoor het veiliger zou zijn. Verder zou de aangiftebereidheid toenemen en de positie van de pooier verzwakken, met minder kans op afpersing, bedreiging en dwang. Als sekswerk meer gezien wordt als andere beroepen en minder gecriminaliseerd, zou dat het respect voor het oudste beroep ter wereld, dat nog steeds vaak als “sletterig” wordt gezien, verhogen. En daarmee het stigma verlagen en positief werken. Het zou sekswerkers uit het verdomhoekje halen. Om te beginnen zou het al helpen als er meer naar hen geluisterd wordt.’
Principekwestie
Het promotieonderzoek van Hoekman is nog niet is afgerond, maar het is denkbaar dat de conclusie zal zijn dat decriminalisering van prostitutie beter is voor de mensen die daarin werkzaam zijn. Voor Hoekman heeft dat ook een principieel aspect. ‘Het is zeker zo dat veel mensen tegen hun zin en soms met grof geweld tot prostitutie worden gedwongen. Maar we moeten onze ogen er óók niet voor sluiten dat er sekswerkers zijn die het vrijwillig en met plezier doen. Het moet ook om hún rechten gaan. Er komt er iets opstandigs in mij opzetten als op de vrijheid van zo’n groep, die vaak in de positie van underdogs zit, wordt ingebeukt. Sekswerk kan ook iets moois hebben en persoonlijk vind ik dat iemand dat beroep moet kunnen uitoefenen, als het echt een vrije keuze is. De overheid mag niet het recht van burgers inperken om zelfstandig en zelfredzaam hun eigen leven in te richten. Dat is betutteling of zelfs paternalisme.’

Verjaardagvraag
Hoekman is eraan gewend dat haar onderzoek op onbegrip stuit en dat veel mensen hun (morele) oordeel al klaar hebben. ‘Onder juristen spreken we onderling wel van de “verjaardagvraag”. Als bijvoorbeeld strafadvocaten in informeel gezelschap zeggen wat hun werk is, krijgen ze de vraag: “Hoe kun je in vredesnaam moordenaars verdedigen?” Iets dergelijks maak ik mee, als ik uitleg dat ik opkom voor het recht van sekswerkers om hun beroep vrijwillig en in vrijheid uit te oefenen. Een veelgehoorde vraag in deze context is: “Zou je willen dat je éigen dochter een prostituee is?” Maar dat is de verkeerde vraag. Hij zou moeten luiden: “Als je eigen dochter sekswerker is, zou je dan willen dat ze optimaal beschermd wordt?” Soms is de kritiek ook wel vermoeiend en lastig. De eerste keer dat ik deelnam aan een internationaal congres - in Florence - kreeg ik het verwijt “dat ik onderdeel van het probleem was”. Maar na afloop kwam een deelnemer op mij af om mij te bedanken voor mijn lezing. Zij was zelf sekswerker in Nieuw-Zeeland geweest en nu wetenschappelijk onderzoeker.’