The postcolonial present

Oorlogsgeweld, racisme en migratie beïnvloeden Indisch-Nederlandse gemeenschap generaties lang
Julia Doornbos onderzocht de Indisch-Nederlandse gemeenschap in Nederland: de afstammelingen van relaties tussen Europese (voornamelijk Nederlandse) mannen en Indonesische vrouwen ten tijde van de 350 jaar van Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indonesië. Deze gemeenschap is de grootste ‘etnische minderheidsgroep’ die zich in Nederland heeft gevestigd. Doornbos wilde begrijpen hoe koloniale familiegeschiedenissen de alledaagse ervaringen van drie Indische generaties beïnvloeden, en hoe deze familiegeschiedenissen van generatie op generatie worden overgedragen.
In de eerste plaats benadrukken de bevindingen van Doornbos hoe ervaringen van oorlogsgeweld, racisme en migratie generaties invloedrijk blijven, door individuele en collectieve herinneringen die overgedragen worden. In sommige gezinnen werd dit bewust gedaan, terwijl bij andere gezinnen deze herinneringen gepaard gingen met stiltes. In deze gezinnen werden nauwelijks herinneringen gedeeld over het verleden of juist alleen maar nostalgische verhalen gedeeld. Ondanks ‘Indisch zwijgen’ kregen tweede en derde generaties de traumatische ervaringen van hun familieleden vaak wel degelijk mee. Zij merkten vaak dat deze geschiedenissen haar sporen heeft achtergelaten binnen hun familie (bijvoorbeeld in de thuisomgeving), maar ook dat deze niet besproken konden worden.
In haar ‘levensloop’-interviews hoorde Doornbos veel over de tussenpositie van Indische-Nederlanders in zowel de koloniale periode als in de hedendaagse tijd. Door hun ambigue positie en patronen van zwijgen en aanpassen hadden participanten aan het onderzoek vaak het gevoel ontworteld te zijn. Vaak werden reizen naar Indonesië aangehaald als manier waarop men onderzoek deed naar hun identiteit. Voor de eerste generaties was een bezoek aan Indonesië vaak een terugkomst met gemengde gevoelens, gevormd door hun oorlogservaringen en gevoelens van verlies. Voor anderen was het een mogelijkheid om traumatische ervaringen een plek te geven of te verwerken.
De identiteiten van verschillende generaties worden in meer of mindere mate gevormd door familiegeschiedenissen, concludeert Doornbos. Zowel in de koloniale tijd als in Nederland na repatriatie stond voor Indische Nederlanders vaak aanpassen en ‘zo Nederlands mogelijk’ centraal, om zo te bewegen binnen de samenleving en de maatschappelijke ladder te beklimmen. ‘Zo Nederlands mogelijk’ zijn was iets wat vaak binnen de opvoeding werd aangeleerd en doorgegeven. Die inspanningen werden echter niet altijd als zodanig erkend door bijvoorbeeld klasgenoten of buurtbewoners. Verschillende deelnemers omschreven plekken en situaties, vooral kort na repatriatie maar ook in hedendaagse situaties, waarin ze werden aangesproken op hun achtergrond en gezien werden als ‘anders’. De tussenpositie en het ambivalente gevoel was een terugkomend thema voor meerdere generaties.
Tot benadrukt Doornbos dat identiteit een vloeiend en dynamisch concept is: in verschillende levensfases en situaties kunnen verschillende onderdelen van een identiteit de bovenhand hebben. Vaak kwam naar voren hoe voor de eerste en tweede generaties weinig vrijheid ervoeren om tussen identiteiten te bewegen en ‘anders’ te zijn door druk vanuit de Nederlandse samenleving, leeftijdsgenoten of ouders. Deelnemers van de derde generatie voelden vaker meer vrijheid en tolerantie. Voor die generatie was er vaak een besef van de gewortelde geschiedenis in Indië, maar zijzelf voelde vaak wat meer afstand tot deze geschiedenis. Zowel passend bij een veranderende tijdsgeest als wellicht de meer gevoelde afstand, is deze generatie soms ook kritischer op de koloniale geschiedenis en ongelijke verhoudingen in de koloniale en hedendaagse samenleving.