Skip to ContentSkip to Navigation
How to find us mr. P.A.J. (Peter) van den Berg

mr. P.A.J. van den Berg

universitair hoofddocent
mr. P.A.J. van den Berg
E-mail:
p.a.j.van.den.berg rug.nl

 

1   De internationale tabaksindustrie in de verdediging

 

Roken is zeer ongezond en leidt daardoor tot grote schade, onder meer in de vorm van ziektekosten. Het is dan ook nauwelijks verwonderlijk dat al geruime tijd naarstige pogingen worden ondernomen om die aan roken gerelateerde schade op de internationale tabaksindustrie te verhalen. Juridische stappen tegen de tabaksindustrie werden voor het eerst in de Verenigde Staten gezet - reeds in de jaren vijftig van de vorige eeuw - maar tegenwoordig is de tobacco litigation over de hele wereld verspreid.

     Ook in Nederland zijn de eerste claims van ziek geworden rokers tegen de Nederlandse tabaksindustrie ingesteld. In dat kader hebben de eerste voorlopige getuigenverhoren plaats gevonden. Maar de civiele procesvoering tegen de tabaksindustrie staat hier nog in de kinderschoenen. Het echte startschot voor een eerste rechtszaak, te weten de dagvaarding, laat zelfs nog op zich wachten. Wellicht staat men in het nuchtere Nederland wat sceptisch tegenover de kansen op succes in een dergelijke procedure. Toch is het niet geheel denkbeeldig dat de tabaksindustrie ook hier te lande aansprakelijk kan worden gesteld. In Frankrijk is namelijk op 8 december 1999, voor het eerst in Europa, een toewijzend vonnis tegen een tabaksfabrikant gewezen op basis van artikel 1382 Code civil (Cc), vergelijkbaar met ons artikel 6:162 BW. Dit vonnis, dat in eerste aanleg is gewezen in de zaak Gourlain versus SEITA door het Tribunal de Grande Instance de Montargis, is weliswaar onlangs in hoger beroep vernietigd door het Cour d’Appel d’Orléans, maar dat zou verklaard kunnen worden vanuit de specifieke situatie waarin de Franse tabaksindustrie zich bevond. In dit artikel wordt ingegaan op deze beide uitspraken en op het belang ervan voor de rechtszaken die in Nederland tegen de tabaksfabrikanten zullen worden gevoerd.

 

7   Afsluiting: Franse lessen

 

De eerste les uit de behandelde rechterlijke uitspraken moet zijn dat, hoewel de publieke opinie de neiging heeft om alle verantwoordelijkheid bij de roker te leggen, aansprakelijkheid van de Nederlandse tabaksfabrikanten voor de schade als gevolg van het roken bepaald niet denkbeeldig is. Het Tribunal heeft op genuanceerde wijze een oordeel gegeven over de vraag wie nu eigenlijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor het roken en de daaruit voortgevloeide gezondheidsproblemen. Het heeft enerzijds een schending van de informatieplicht door de tabaksindustrie geconstateerd, maar tevens duidelijk gemaakt dat ook de roker zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen. Daarbij neemt het Tribunal vooral de jonge, beginnende roker, die gemakkelijk te beïnvloeden is, in bescherming. Daarnaast geeft het Tribunal een aanzet voor de oplossing van de causaliteitsproblematiek en dan in het bijzonder voor een antwoord op de vraag welk deel van de schade uiteindelijk door de tabaksfabrikant zal moeten worden gedragen. Van belang bij deze eerste les is verder dat ook in hoger beroep geen fundamentele vraagtekens worden geplaatst bij de zienswijze van het Tribunal.

De tweede les ziet op de specifieke productaansprakelijkheid. Zowel het Tribunal als het Cour d’Appel merken de Gauloise sigaret niet aan als een gebrekkig product. Ook in de Nederlandse literatuur is verdedigd dat de schadelijke gevolgen van het gebruik van tabak zogenaamde systeemschade betreft, waarvoor productaansprakelijkheid ontbreekt. Het zou hier gaan om schade die het onvermijdelijk gevolg is van het gebruik van het product, hetgeen aan het grote publiek bekend is en naar maatschappelijke opvattingen pleegt te worden aanvaard. Dit ‘moeder natuur verweer’ in samenhang met het argument dat de eigenschappen van tabak van algemene bekendheid zijn, zou wel eens aan kracht kunnen inboeten als, bijvoorbeeld, blijkt dat het tabaksproduct op heimelijke wijze is gemanipuleerd. Maar dan zal men, anders dan de familie Gourlain heeft gedaan, tijdens de procedure wel moeten stellen en bewijzen dat er onnodig schadelijke stoffen zijn toegevoegd die men in tabaksproducten niet hoeft te verwachten, of dat de tabaksindustrie bewust geen betere, minder schadelijke sigaretten op de markt heeft gebracht. Overigens zal, indien er al van dergelijke manipulaties sprake is in de Nederlandse situatie, het achterhalen van gegevens omtrent productie en marketing van tabaksproducten niet eenvoudig zijn.

De derde les betreft de rol die de overheid heeft gespeeld bij de productie en verkoop van tabaksproducten en de gevolgen hiervan voor de aansprakelijkheid van de tabaksproducenten. In hoger beroep voor het Cour d’Appel bleek die rol, en dan vooral de verhouding tussen SEITA en de overheid van doorslaggevend belang te zijn. Het Cour d’Appel was namelijk, anders dan het Tribunal, van mening dat SEITA als staatsbedrijf onder strikt toezicht stond van de overheid en daarom niet de vrijheid had om te voldoen aan haar informatieplicht. Afgezien van de kanttekeningen die bij de uitspraak van het Cour d’Appel geplaatst kunnen worden, zal een dergelijk beroep de Nederlandse tabaksindustrie niet baten. Er zijn weliswaar parallellen met Nederland, waar de financieel-economische belangen van de staat bij het tabaksgebruik ook tot een moeizame verhouding leidden tussen enerzijds de ministers van financiën en economische zaken, en anderzijds de minister van volksgezondheid. Maar van een zo nauwe band als in Frankrijk was in Nederland geen sprake. Ons land heeft nooit een staatsmonopolie op tabaksproducten gekend en de tabaksfabrikanten hebben dus te allen tijde de vrijheid gehad om meer en duidelijker informatie over de gevaren van roken naar buiten te brengen. Dat roken maatschappelijk aanvaard is en het gedrags- en beleidspatroon van de overheid in deze te wensen over laat, betekent niet dat de tabaksfabrikant mag afzien van het treffen van maatregelen die met het oog op aan hem bekende gevaren geboden zijn. De tabaksfabrikanten mogen gewaarschuwd zijn. Nu de rokers nog.

Laatst gewijzigd:06 november 2012 01:28

Contact information

Oude Kijk in 't Jatstraat 26
9712 EK Groningen
The Netherlands

Turftorenstraat 21, 9712 BM Groningen

Room:
T 293