Skip to ContentSkip to Navigation
About us How to find us mr. P.A.J. (Peter) van den Berg

mr. P.A.J. van den Berg

universitair hoofddocent
mr. P.A.J. van den Berg
E-mail:
p.a.j.van.den.berg rug.nl

 

                                                                                            The rule, like the magnetic needle,

                                                                                            points at the law, but does not settle it

                                                                                                                               Francis Bacon

 

1 Natuurrecht: meester of dienaar der codificatie

Het is een gangbare opvatting dat het succes van het codificatiestreven in landen als Frankrijk, Oostenrijk en Duitsland te danken is aan het binnen de continentale rechtswetenschap overheersend geworden natuurrechtelijke gedachtegoed. Deze opvatting, die ik aan zal duiden als de ‘natuurrechtsthese’, heeft een belangrijk nadeel. Zij ontneemt namelijk het zicht op een veel belangrijkere, politieke verklaring van dat succes, te weten het staatsbelang. Ook bij een zoektocht naar de oorzaak voor het ontbreken van een codificatie in Groot-Brittannië loopt men, wanneer men deze opvatting overneemt, het risico blind te zijn voor de raison d’état bij de pogingen om tot een codificatie van het recht te komen. Het is daarom noodzakelijk te beginnen met een beschrijving en evaluatie van deze ‘natuurrechtsthese’, waarin het natuurrecht gezien wordt als de meester van de codificatie.

Het is niet verwonderlijk, dat de natuurrechtsthese vooral in Duitsland tot ontwikkeling is gebracht. Daar heeft immers Hegels notie van de Geist als uiteindelijke beweger van de waarneembare wereld (te) veel navolging gevonden. De politieke machteloosheid van de Duitse intellectuelen in de negentiende eeuw heeft onder invloed van die notie geleid tot een schromelijke overwaardering van de invloed van ideeën op de maatschappelijke ontwikkelingen. In wezen politieke verschijnselen werden door deze intellectuelen niet meer toegeschreven aan zelfstandige beslissingen die het resultaat waren van concrete uitoefening van macht, maar aan de werking van de - uiteraard voor een belangrijk deel door henzelf bepaalde - tijdgeest.

Ook de visie van veel Duitse rechtshistorici op het verschijnsel codificatie werd beïnvloed door deze voorliefde voor de Geist als verklarende factor. ‘Das 18. Jahrhundert fand die höchste Form der Objektivation seines Geistes in der Gesetzgebung’, zo merkte Dilthey (1833-1911) al aan het begin van de twintigste eeuw op naar aanleiding van de Pruisische codificatie uit 1794, het Allgemeine Landrecht (ALR). Deze gedachte werd vervolgens opgepakt door Thieme. Deze verklaarde het ontstaan van codificaties als het ALR, het Oostenrijkse Allgemeine Bürgerliche Gesetzbuch (ABGB) en de Code civil (Cc) rond 1800 vanuit de natuurrechtelijke ideeën. Hij schetste een ontwikkeling die aanving in het midden van de zeventiende eeuw met een generatie natuurrechtsdenkers, die uit waren op een systematisering van de rechtsstof. Tot deze generatie, Thieme noemt hen de Systematiker, behoorde onder meer Pufendorf. De fakkel werd overgenomen door een tweede generatie, die zich onderscheidde van de eerste door inhoudelijke kritiek op de bestaande rechtsstof te leveren. Daarnaast ruilden de natuurrechtsdenkers van deze tweede generatie, die door Thieme worden betiteld als de Analytiker, onder invloed van de Verlichting de universele opvatting van het natuurrecht in voor een meer relatieve. Christian Thomasius (1655-1728) en, in Frankrijk, Montesquieu (1689-1755) streefden naar een regionaal natuurrecht, geldend voor een concrete, bijzondere werkelijkheid. Het in een bepaalde samenleving geldende recht moest, zo meenden zij, aangepast zijn aan de bijzondere omstandigheden van die samenleving. Tenslotte ziet Thieme nog een derde generatie, die van de Synthetiker. Hun verdienste is het dat zij de codificaties daadwerkelijk tot stand hebben gebracht, waarbij zij slechts conform de tijdgeest hoefden te handelen. ‘Denn inzwischen’, aldus Thieme, ‘ist die von jenen [de eerste twee generaties] verursachte Strömung so stark und reißend geworden, hat sie so sehr das Zeitbewußtsein mit sich fortgetragen, auch außerhalb der Jurisprudenz, daß es überall auf dem Kontinent zu einer Rechtserneuerung kommt.’

Wieacker, auteur van het gezaghebbende handboek Privatrechtsgeschichte der Neuzeit, volgde in zijn schets van de codificatiegeschiedenis in grote lijnen de visie van Thieme. Ook Wieacker verklaarde de totstandkoming van de laat-achttiende-eeuwse wetboeken vooral uit de opkomst en ontwikkeling van het natuurrechtelijke gedachtegoed. ‘Das Bündnis des Vernunftrechts mit der Aufklärung hat zunächst im Mittel- und Südeuropäischen absoluten Staaten, danach in Westeuropa, nach dem Vorgang des revolutionären Frankreich, eine erste große Welle der modernen Kodifikationen gezeitigt.’ Deze wetboeken werden, aldus Wieacker, gekenmerkt door enerzijds de systematisering van de rechtsstof en anderzijds door een inhoudelijk radicale vernieuwing ervan. Dit kan niet verbazen. De natuurrechtelijke tijdgeest die de wetboeken rond 1800 had voortgebracht, bestond nu juist uit de systematiserende bijdrage van de Systematiker en de inhoudelijk vernieuwende bijdragen van de Analytiker. Het belang dat Wieacker hechtte aan de natuurrechtelijke tijdgeest voor de codificaties was zo groot, dat hij alle rond 1800 ontstane wetboeken betitelde als ‘Naturrechtsgesetzbücher’.

Het is niet meer dan logisch, dat Duitse auteurs als Thieme en Wieacker bij hun behandeling van de codificatiegeschiedenis van Engeland ook hun toevlucht namen tot de positie en werking van het natuurrecht. Maar hun verklaringen voor de afwezigheid van een codificatie in Engeland verschillen wel enigszins. Zo was Thieme van mening, dat in Engeland, anders dan op het continent, het inhoudelijke natuurrechtelijke gedachtegoed door de rechters continu werd toegepast en daardoor al in de common law was opgenomen. Een abrupte implementatie van natuurrechtelijke ideeën door middel van een codificatie, zoals op het continent plaats zou vinden, was daarom in Engeland niet meer nodig. Wieacker gaf een andere verklaring. Hij meende wel, dat de moraliserende kracht van het natuurrecht het Engelse recht had beïnvloed. Maar volgens hem had het rationele, op systematisering gerichte element van het natuurrecht slechts geringe werking gehad. Daarom, aldus Wieacker, viel Benthams pleidooi voor een rationele codificatie in Engeland in onvruchtbare bodem.

In de jaren zeventig had de natuurrechtsthese nauwelijks aan kracht ingeboet. Teubner wijdde in 1974 een groot deel van zijn studie naar de Engelse codificatiegeschiedenis aan de vraag ‘inwieweit in England im 17. und 18. Jh. ein naturrechtlich-aufklärerisches Systemdenken entwickelt wurde (...), die zur Grundlage eines Planes zur Kodifikation des englischen Rechts hätten werden können.’ Zijn antwoord op deze vraag luidde, dat in de Engelse rechtswetenschap de ‘Vorstellung eines systematischen, deduktiven Naturrechts, aus dessen Grundprinzipien ein in sich geschlossenes Normengefüge abgeleitet werden könnte’ geen vaste voet aan de grond had gekregen. Het ontbreken van een dergelijke voorstelling had tot gevolg, dat ‘sowohl die rechtswissenschaftlichen Impulse und Voraussetzungen als auch die philosophischen Grundlagen einer naturrechtlichen Kodifikationsidee’ in Engeland geen ingang vonden. Anders dan Wieacker zag Teubner evenwel de veronderstelde afwezigheid van de ‘Systematik des römischen Rechts in Form und Denken’ niet als de enige oorzaak van het uitblijven van een Engels wetboek. Teubner gaf toe, dat een begripsmatig gesystematiseerde rechtswetenschap niet noodzakelijk leidde tot dito wetboeken. ‘Gesetzgebung ist’, zo meende hij, ‘kein wissenschaftsimmanenter Vorgang, sonder ein politischer Willensakt.’ Hij kende daarbij, conform de door het marxisme beïnvloede wetenschappelijke opvattingen van die tijd, een belangrijke rol toe aan de positie van de burgerij in de eind-achttiende eeuwse, begin negentiende-eeuwse samenleving. De burgerij op het continent was toen, aldus Teubner, uitgesloten van de werkelijke politieke macht. Om toch nog iets van het natuurrechtelijke en verlichte gedachtegoed te realiseren, moest in ieder geval de heerschappij van de staat gerationaliseerd worden. Bovendien moest de politiek machteloze burger in economisch opzicht alle ruimte krijgen, bijvoorbeeld door het invoeren van contractsvrijheid. De abstracte en systematische codificaties voorzagen hierin, zo meende Teubner. Ook in Engeland had de burgerij toen, ondanks de slechte rechtswetenschappelijke uitgangspositie, om dezelfde redenen kunnen kiezen voor een rationalisering van het recht door middel van een codificatie. De Engelse burgerij koos er echter volgens Teubner voor om werkelijke invloed op de politieke besluitvorming na te streven. Zij richtte zich op een hervorming van het Parlement en al in 1832 wierp dit streven zijn vruchten af. Daarmee was, aldsu Teubner, het project van een systematische, alles omvattende codificatie van de baan.

Het op de voorgrond plaatsen van de natuurrechtelijke, verlichte tijdgeest als bepalend voor de totstandkoming van de codificaties door Thieme, Wieacker en Teubner heeft een belangrijk bezwaar. Het ontneemt namelijk het zicht op de praktisch-politieke achtergronden ervan, hetgeen overigens niet verwonderlijk is gezien de reden, waarom de Duitse intellectuelen zich in de eerste plaats op de Geist als verklarende factor richtten. De genoemde auteurs miskennen het politieke gewicht van de enorme rechtsverscheidenheid binnen de afzonderlijke staten op het continent. Zij hebben daardoor te weinig oog voor het belang van de staat, de raison d’état om hierin door middel van een codificatie verandering aan te brengen. Het belangrijkste kenmerk van de continentale codificaties was nu eenmaal dat ze exclusieve gelding hadden, hetgeen betekende dat al het daarin niet opgenomen recht als afgeschaft werd beschouwd. De erkenning, dat de totstandkoming rond 1800 van codificaties op het continent vooral het gevolg was van een praktisch-politiek streven van de staat naar rechtseenheid biedt uitzicht op een even eenvoudige als plausibele verklaring voor het uitblijven van een codificatie in Engeland. De Engelse staat slaagde er namelijk in een vroeg stadium in de rechtspraak te centraliseren. Dit bracht een vrijwel volledige rechtseenheid met zich mee die codificatie overbodig maakte, zoals ook door verschillende auteurs wordt opgemerkt.

Daarmee is niet gezegd, dat de ontwikkelingen binnen de rechtswetenschap onder invloed van het humanisme, het natuurrecht en de Verlichting geen belangrijke rol speelden in de codificatiegeschiedenis. Vooral het streven naar systematisering is van cruciaal belang geweest voor de continentale rechtswetenschap, waarbij ik slechts hoef te verwijzen naar de overigens sterk op het Romeinse recht gerichte studie van Jean Domat (1626-1696), getiteld Les loix civiles dans leur ordre naturel (Parijs 1689-1694). Maar het is mijn overtuiging, dat die neiging tot systematisering zo dominant is geworden vanwege de rechtsversplintering binnen de continentale staten. De continentale rechtswetenschap zag zich namelijk voor een andere opgave gesteld dan de Engelse. Op het continent diende een overkoepelend subsidiair geldend rechtssysteem te worden gecreëerd, waarbinnen de lokale rechtsstelsels konden functioneren, en waaruit men ter aanvulling van die rechtsstelsels kon putten, zonder dat een hantering van wezensvreemde begrippen nodig was. Het aldus door middel van rechtsvergelijking ontwikkelde gemene recht, dat overigens per staat verschilde, diende de verschillende lokale gewoonterechtelijke rechtsregels vergelijkbaar te maken en moest zich daarom wel bedienen van abstracte begrippen. Het ius commune fungeerde als meta-taal, waarin de lokale verschillen op een hoger, meer abstract niveau werden opgeheven. In Frankrijk verrichtte François Bourjon (?-1751) met zijn Le droit commun de la France et la coutume de Paris réduits en principes (1747) in dit kader belangrijk werk, nadat Charles Dumoulin (1500-1566) al in 1539 een lans had gebroken voor de ontwikkeling van een gemeen Frans recht op basis van de eigen costumen. In Engeland ontbrak deze praktische noodzaak. Er verschenen in Engeland desondanks met een zekere regelmaat systematische beschrijvingen van het recht. Naast de meer bekende werken als Henry Bracton, De legibus et consuetudinibus Angliae (ca. 1250), Matthew Hale, The analysis of the law: being a scheme or abtract of the several titles and portions of the law of England, digested into method (1713) en William Blackstone’s Commentaries of the laws of England (1765-1769), verdient ook de onder invloed van Domat in 1720 tot stand gekomen studie van de advocaat Thomas Wood (1661-1722), An institute of the Laws of England; or the laws of England in their Natural Order, according to Common Use vermelding. Maar de impuls tot systematisering was daar meer vrijblijvend. Bovendien kregen andere, meer empirische wetenschappelijke stromingen de kans de behoefte aan systematisering af te zwakken, zoals hierna nog zal blijken bij de bespreking van de opvattingen van de beroemde jurist en filosoof Francis Bacon (1561-1626).

Toen een aantal continentale staten eind achttiende, begin negentiende eeuw de beslissing nam zag om een uniforme codificatie te realiseren, werden de codificatoren geconfronteerd met de vraag hoe die wetboeken er inhoudelijk uit dienden te zien. Gezien het feit dat het bewerken van rechtseenheid het belangrijkste doel was, is het niet verwonderlijk dat men zich op het onder invloed van de rechtswetenschap ontwikkelde, qua methode inderdaad systematische gemene recht baseerde. Maar de systematisering van het recht was als zodanig geen doel van de codificatie. Men sloot zich eenvoudigweg aan bij de stand van de rechtswetenschap van dat moment. Zo is het te verklaren, dat de mate van abstractie, van systematisering en van conceptuele coherentie nogal uiteenliep per codificatie. Het ALR was zo gedetailleerd en beschrijvend, dat het door sommigen wel wordt getypeerd als een ‘monströses, geistwidriges Unternehmen’. Maar ook het wetenschappelijke karakter van de Code civil viel wel mee, zeker in vergelijking tot het Duitse BGB uit 1900. Voor het BGB is aansluiting gezocht bij een sterk Romeinsrechtelijk georiënteerde, pandektistische rechtswetenschap die nog eens honderd jaar heeft gefunctioneerd in een door rechtsverscheidenheid gekenmerkt gebied, en die daarom verder was voortgeschreden op het pad der abstrahering en systematisering. Ook op de volgens Wieacker inhoudelijk radicale invloed van het natuurrecht op de codificaties valt wel wat af te dingen. Het natuurrecht heeft als zodanig weinig concreet-juridische inhoud en het is dan ook niet verwonderlijk, dat er zelden gesproken kan worden van directe overname uit het natuurrecht van een materieelrechtelijke oplossing. De Code civil werd inhoudelijk voor een belangrijk deel samengesteld uit het Romeinse recht en het eigen Franse droit coutumier. Maar ook in meer algemene zin moet het revolutionair-natuurrechtelijke karakter van het ALR en het ABGB, ja zelfs van de Code niet worden overdreven. Veelzeggend is in dit verband de - ik zou haast zeggen bijna Engelse - scepsis waarmee één van de redacteuren van de Code, Portalis, vernieuwingen bejegende. ‘Les théories nouvelles’, zo merkte hij op, ‘ne sont que les systèmes de quelques individus; les maximes anciennes sont l’esprit des siècles.’

Het natuurrechtelijke gedachtegoed heeft derhalve vooral op het vlak van de systematisering een - soms grotere, soms kleinere - bijdrage geleverd aan de diverse codificaties van de achttiende en negentiende eeuw, maar het deed dat slechts als dienaar. Justinianus bewees met zijn Corpus Iuris dat een codificatie ook heel goed zonder de hulp van deze dienaar tot stand kan worden gebracht.

Volgens Thieme, Wieacker en Teubner heeft het natuurrechtelijke gedachtegoed als zodanig de hoofdrol gespeeld bij de totstandkoming van de continentale codificaties. Zij miskennen daarmee het belang van de rechtsverscheidenheid, zoals die binnen de continentale staten bestond, voor zowel de succesvolle ontwikkeling van de rechtswetenschap tot een gesystematiseerd en abstract geheel, als voor het uiteindelijke besluit van de staat tot codificatie op grond van praktisch-politieke argumenten, te weten de raison d’état. Deze miskenning heeft ook gevolgen voor hun schets van de codificatiegeschiedenis van Engeland. In die schets ontbreekt namelijk iedere serieuze aandacht voor de praktisch-politieke discussie over de wenselijkheid van codificatie. Dit klemt des te meer, daar in het begin van de zeventiende eeuw Engeland en Schotland in een - zij het slechts personele - unie, Groot-Brittannië, werden samengevoegd, een staatkundig geheel waarbinnen vanaf dat moment ook rechtsverscheidenheid bestond. De eerste koning van dit nieuwe conglomeraat, de Schotse vorst James VI (1566-1625), die als James I de Engelse troon betrad, wenste onmiddellijk rechtseenheid te bewerkstelligen, onder meer door middel van een codificatie. Teubner ziet dit volledig over het hoofd. Het feit dat Teubner zo weinig oog had voor het belang van de rechtsverscheidenheid heeft hem er wellicht toe gebracht om niet de codificatiegeschiedenis van Groot-Brittannië te onderzoeken, maar zich te beperken tot die van Engeland.

In het navolgende zal een poging worden gedaan om de codificatiegeschiedenis van Groot-Brittannië te behandelen in het licht van de rechtsverscheidenheid. Daarbij zal zoveel mogelijk een vergelijkend perspectief worden aangehouden. De door de Duitse auteurs gemaakte vergelijking tussen het codificatiestreven in Engeland met dat op het continent is namelijk nuttig, juist omdat in Engeland dit streven nooit succesvol is geweest. Een vergelijkende beschrijving vereist wel dat een gelijk conceptueel instrumentarium gehanteerd wordt. Een dergelijk instrumentarium kan gevonden worden in de verschillende argumenten die ter ondersteuning van de codificatievoorstellen werden aangevoerd. Het eerste argument is praktisch-juridisch van aard. Het wordt gebruikt door degenen, die met een codificatie ten behoeve van de justitiabelen een makkelijker, goedkoper en sneller recht willen realiseren. Het tweede te onderscheiden argument is praktisch-politiek en ziet op het codificeren van het recht vanwege het belang van de staat bij vooral rechtseenheid. Zoals gezegd was deze raison d’état van groot gewicht voor het succes van het continentale codificatiestreven.

Een beperking in de tijd is wel noodzakelijk. De codificatiegeschiedenis van Groot-Brittannië kan hier niet geheel uit de doeken worden gedaan. Maar exemplarisch kan wel gekeken worden naar de periode van ruwweg 1530 tot 1625. Ten eerste zal ik aandacht besteden aan de invloed van het humanisme en het natuurrechtelijk gedachtegoed op de Engelse rechtswetenschap en de gevolgen die deze invloed had voor de opvattingen ten aanzien van codificatie. Een centrale positie zullen daarbij de rechtswetenschappelijke opvattingen van Bacon innemen. Daarna zal ik de pogingen van James VI/I beschrijven om met het oog op de raison d’état een uniforme codificatie voor de nieuwe staatkundige formatie te bewerkstelligen. Het was zijn bedoeling om de kwestie van de rechtseenheid te regelen in een nader verdrag tussen Engeland en Schotland, dat gericht was op versteviging van de nieuwe unie. Daarom zullen eerst de opvattingen over de door de vorst gewenste rechtseenheid van de twee belangrijkste leden van de commissie ter voorbereiding van dat unieverdrag, de Schotse rechtsgeleerde Thomas Craig (1538-1608) en de eerder genoemde Bacon, worden besproken. Vervolgens zal aandacht besteed worden aan een aantal tractaten, waarin gereageerd werd op de besprekingen tussen Engeland en Schotland over een unieverdrag. Tenslotte zal dan worden behandeld hoe James VI/I het Engelse Parlement van zijn codificatieplannen probeerde te overtuigen, zowel in het kader van het unieverdrag als daarbuiten. Maar voordat we toekomen aan de eigenlijke codificatiegeschiedenis is het noodzakelijk om een korte schets te geven van de rechtsbronnenleer in Groot-Brittannië en dan met name in Engeland. Vooral de bijzondere Engelse kijk op wetgeving verdient enige toelichting.

 

5. Conclusie

5.1 Codificatie en de rechtswetenschap

Volgens de in de inleiding behandelde auteurs, met name Thieme en Wieacker, waren de continentale codificaties het gevolg van het natuurrechtelijke, op systematisering en modernisering gerichte gedachtegoed. Omdat dit gedachtegoed in Engeland geen voet aan de grond heeft gekregen, bleef, zo meenden zij vervolgens, een codificatie daar uit. Uit het summiere onderzoek naar de Engelse codificatiegeschiedenis wordt duidelijk, dat via het humanisme dergelijke natuurrechtelijke opvattingen een belangrijke invloed op de Engelse rechtswetenschap hebben uitgeoefend. We hebben gezien, dat Bacon zich wel degelijk bezig hield met een meer gesystematiseerde studie van het recht. Hij stelde onder meer voor om leerboeken op te stellen, waarin het Engelse recht geordend zou worden gepresenteerd. Dergelijke studies bleven ook niet uit, zoals de werkzaamheden van Cowell aantonen. De Engelse rechtswetenschappers werden evenwel in het kader van de rechtspleging, anders dan hun continentale collega’s, niet geconfronteerd met een diversiteit van onvolkomen lokale rechtsstelsels, die aanvulling behoefden. Dit gold niet alleen voor de periode tussen 1530 en 1603, maar tevens voor het tijdvak na 1603. De Engelse en Schotse rechtspleging bleven ook na 1603 immers volledig gescheiden, terwijl met name het Engelse recht toen al goed ontwikkeld was. Er bestond in Engeland daarom geen praktische noodzaak tot een meer abstracte, de verschillende lokale rechtsstelsels overschrijdende beschrijving van het recht. Vanwege het ontbreken van die praktische noodzaak verliep de discussie over de wenselijkheid van een modern, meer gesystematiseerd recht in Engeland ook anders. Zij kon namelijk beperkt blijven tot de vraag of met die systematisering ook een beter recht bewerkstelligd zou worden. Daardoor konden andere, minstens zo moderne wetenschappelijke stromingen, zoals het empirisme, met meer kracht worden aangevoerd tegen een ver doorgevoerde systematisering van het recht. Het aantal op een meer abstracte ordening gerichte rechtswetenschappelijke werken bleef hierdoor beperkt. Bovendien verwierven die werken niet de status van hun continentale tegenhangers.

Een dergelijke scepsis ten opzichte van abstracte rechtsregels weerhield Bacon er niet van een codificatie van het recht te overwegen. Hij speelde, net als Pole, met de gedachte om een codificatie naar het voorbeeld van Justinianus op te stellen. Op die wijze kon de hoeveelheid juridisch materiaal met autoriteit worden beperkt. Toch verwierp hij uiteindelijk de uiterste consequentie van die gedachte, namelijk de keuze voor exclusiviteit van het te creëren wetboek. Dit was het gevolg van het feit dat hij slechts praktisch-juridische doeleinden nastreefde. Hij wilde alleen maar ‘codificeren’ om zo voor de justitiabelen een beter recht in het leven te roepen. Vanuit die optiek is het besluit om rigoureus alle niet door de overheid geautoriseerde rechtsbronnen af te schaffen moeilijk te verdedigen. Waarom immers zouden rechters niet langer een beroep mogen doen op dergelijke rechtsbronnen, indien dat tot een rechtvaardiger oplossing zou leiden? Binnen deze constellatie kon zelfs het natuurrecht goede diensten als argument tegen codificatie bewijzen. Het natuurrechtelijke gedachtegoed was namelijk aanzienlijk minder monolitisch, dan de in de inleiding behandelde auteurs wel doen vermoeden. Voor zover het natuurrecht werd opgevat als een hoger, niet gepositiveerd recht kon daaraan juist een argument tegen exclusiviteit worden ontleend, zoals de opvattingen van John Davies ook laten zien. Een codificatie zou, in die visie, het recht afsnijden van haar uiteindelijk bron, met desastreuze gevolgen voor de billijkheid ervan.

5.2 Codificatie en de raison d’état

De rechtsverscheidenheid binnen het in 1603 nieuw ontstane Groot-Brittannië leidde aldus om de hiervoor uiteengezette redenen niet tot een andere rechtswetenschappelijke benadering. De opvatting van Thieme cum suis dat het natuurrecht de meester is van de codificatie ontnam hen echter niet alleen het zicht op het belang van rechtsverscheidenheid voor de ontwikkeling van de rechtswetenschap. Zij miskenden ook het belang van de staat bij de opheffing van de rechtsverscheidenheid door middel van een codificatie. Ten onrechte. Uit de activiteiten van James VI/I komt immers naar voren, dat de rechtsverscheidenheid binnen de nieuwe personele unie onmiddellijk een krachtige praktisch-politieke impuls tot codificatie meebracht. De raison d’état vereiste in zijn visie het vergroten van de coherentie en de saamhorigheid binnen de nieuwe staatkundige constellatie en een uniforme codificatie van het recht was daarbij een niet te versmaden instrument. Toch was dit streven van James VI/I niet succesvol en de bovenstaande korte uitsnede uit de codificatiegeschiedenis van Groot-Brittannië maakt het mogelijk de redenen hiervoor aan te geven.

De meeste auteurs, met uitzondering van Craig, Russell en Savile, wezen op de voordelen van rechtseenheid voor de unie. Maar desondanks bestond bij de meesten van hen, een uitzondering vormt Thornborough, toch een zekere ambivalentie ten aanzien van de praktisch-politieke noodzakelijkheid van rechtseenheid voor het nieuw gevormde staatkundige verband. Hierbij moet bedacht worden, dat in de vroege zeventiende eeuw rechtseenheid binnen een staat verre van vanzelfsprekend was. Engeland kende weliswaar een uniforme common law, maar dat was niet het gevolg van een bewuste politiek. De uniformiteit vloeide eenvoudigweg voort uit een gecentraliseerde rechtspraak. Bovendien was rechtseenheid binnen een staat in Europees perspectief uitzonderlijk, een gegeven waarop door verschillende schrijvers, waaronder Bacon, Craig en Savile, werd gewezen. In deze periode werd religieuze eenheid binnen een staat minstens zo belangrijk geacht, zoals ook blijkt uit opmerkingen van Craig en Thornborough.

De tweede reden hangt eveneens samen met de vroegtijdigheid van de codificatiepoging van James VI/I. Hij wilde onmiddellijk rechtseenheid bewerkstelligen in een nog maar kort bestaande personele unie, waarin geen sprake was van ook maar enig saamhorigheidsgevoel. Integendeel, het wantrouwen en de animositeit tussen de Engelsen en de Schotten was om verklaarbare redenen bijzonder groot. Het nieuwe Groot-Brittannië bevond zich wat dit betreft in een volstrekt andere positie dan Frankrijk rond 1800. Terecht verwierpen diverse auteurs dit overhaaste streven naar rechtseenheid dan ook op basis van praktisch-politieke argumenten. Het zou, zo betoogden niet alleen Bacon en Craig, maar ook Hayward Russell en Doddridge, veel verzet tot gevolg hebben en aldus de unie veeleer in gevaar brengen.

Er is nog een reden waarom de voorstanders van rechtseenheid zich zelden uitspraken voor het codificatievoorstel van James VI/I. Er stond hen, zo leek het althans, een andere oplossing ter beschikking, die evenzeer aan het staatsbelang tegemoet kwam. De Engelse ervaring leerde, dat door een geleidelijke beïnvloeding via de rechtspraak op een veel subtielere wijze rechtseenheid kon worden bewerkstelligd. Deze methode was succesvol gebleken tijdens de vormende periode van de common law, de twaalfde eeuw, en had haar waarde opnieuw bewezen na de incorporatie van Wales in de Engelse staat. Met name vanuit Engels perspectief was deze optie zeer aantrekkelijk, omdat op die wijze de eigen common law kon worden gesauveerd. De Engelsen beschouwden Engeland namelijk - niet geheel ten onrechte - als de belangrijkste deelnemer aan de nieuwe unie en de bezwaren tegen het afstaan van zelfs maar een deel van de eigen rechtsregels ten behoeve van de unie waren dan ook bijzonder groot. Codificatie daarentegen zou ofwel de opoffering van een deel van het eigen recht met zich meebrengen, ofwel pijnlijk duidelijk maken dat het Schotse recht werd afgeschaft. Het verdere verloop van de geschiedenis zou overigens duidelijk maken, dat men zich vergiste in de toepasselijkheid van de geleidelijke methode op de nieuw ontstane situatie. Anders dan in de periode tot 1600 had men in de nieuwe unie niet te maken met een groot aantal lokale, weinig ontwikkelde en niet op schrift gestelde costumen, maar met slechts twee nationale, geïnstitutionaliseerde rechtsstelsels. De Engelse common law heeft het Schotse recht in de loop der tijd weliswaar sterk beïnvloed, maar toch kent Groot-Brittannië bijna 400 jaar na het ontstaan van de unie in 1603 nog steeds geen rechtseenheid.

Laatst gewijzigd:06 november 2012 01:28

Contact information

Oude Kijk in 't Jatstraat 26
9712 EK Groningen
The Netherlands

Turftorenstraat 21, 9712 BM Groningen

Room:
T 293