Skip to ContentSkip to Navigation
About us How to find us mr. P.A.J. (Peter) van den Berg

mr. P.A.J. van den Berg

universitair hoofddocent
mr. P.A.J. van den Berg
E-mail:
p.a.j.van.den.berg rug.nl

   

1 Inleiding

De Code civil die in 1804 in Frankrijk tot stand kwam, betekende een ingrijpende breuk met het oude situatie op het gebied van het recht. Deze codificatie had namelijk twee karakteristieke eigenschappen. Ten eerste impliceerde zij een definitieve breuk met de tot dan toe geldende rechtsbronnenleer, waarin recht dat op lokaal niveau gevormd was de hoofdrol speelde. De Franse vorst kon tot dan toe formeel niet ingrijpen in de lokale coutumes, waar het belangrijkste deel van het materiële privaatrecht was geregeld. Met de codificatie werd de oude rechtsbronnenleer vervangen door een model, waarin de rechtsvorming op centraal niveau plaatsvindt en, in de vorm van wetten, in beginsel op ieder lager niveau van kracht wordt. Hiermee is de definitie van het begrip 'codificatie' gegeven: een optekening van het recht waaraan de overheid een aan haar gezag ontleende exclusieve gelding verleent. Ten tweede bracht de Code civil rechtseenheid in geheel Frankrijk en maakte zo een einde aan de tot dan toe heersende rechtsverscheidenheid.

Het streven naar een codificatie was rond 1800 uiteraard niet nieuw: met name in ambtelijke kringen werd gespeeld met de gedachte aan een dergelijke radicale ingreep in de formele structuur van het recht. Ik noem slechts de plannen van Jean-Baptiste Colbert (1619-1683), die vanaf 1661 werkte aan de herziening van de koninklijke ordonnanties, en - ruim een eeuw later - van de kanselier René-Nicolas-Charles-Auguste Maupeou (1714-1792). Daarnaast werd codificatie - vooral in de achttiende eeuw - gepropageerd door vele natuurrechtelijk geïnspireerde auteurs, zoals Voltaire en Simon-Nicolas-Henri Linguet (1736-1794). Bovendien was er al een begin gemaakt met een materiële uniformering van het recht: nadat in de vijftiende eeuw gestart was met de optekening van de lokale coutumes, werden deze vanaf de zestiende eeuw door vele rechtsgeleerden, onder wie Charles Dumoulin (1500-1566) en Antoine Loisel (1536-1617), onderzocht en met elkaar vergeleken. Zo groeide het besef van een droit commun français. Tevens was het nationale civiele procesrecht neergelegd in de Ordonnance civile (1667). Terugblikkend ontstaat door deze lange voorgeschiedenis gemakkelijk het beeld dat de invoering van de Code civil een onvermijdelijke gebeurtenis was, een beeld dat, zoals we nog zullen zien, versterkt werd door de bekende geschriften van Van Kan over de Franse codificatiegeschiedenis. Het ligt bovendien voor de hand om de huidige status quo als vanzelfsprekend te beschouwen. Toch behoeft dit beeld nodig correctie: de idee om in Frankrijk een exclusief en uniform wetboek in te voeren was ten tijde van het Ancien Régime verre van algemeen aanvaard, zelfs niet aan de vooravond van de Revolutie. Om deze bewering te onderbouwen zal in dit artikel een nader onderzoek worden verricht naar het codificatiestreven zoals dat in de zogenaamde cahiers de doleances naar voren komt. Het door Van Kan geschetste beeld zal daarbij als vertrekpunt fungeren.

4.3 Conclusie

In de inleiding is geconstateerd dat, zeker sinds Van Kan zijn geschriften over de Franse codificatiegeschiedenis het licht heeft laten zien, het beeld overheerste dat de Code civil (1804) en de exclusiviteit en uniformiteit die hij meebracht door de meerderheid der Fransen vurig werd gewenst, zodat de invoering van de codificatie onvermijdelijk was. De juistheid van dit beeld is vervolgens aan een nader onderzoek onderworpen, hetgeen tot de volgende conclusies moet leiden.

Slechts in zeer weinige van de 522 bewaard gebleven generale cahiers, te weten 62, kwam de idee van een codificatie van het (privaat)recht aan de orde. Bovendien had men daarbij slechts zelden een uniforme codificatie op het oog: in maar acht van de 62 cahiers werd voor volledige rechtseenheid gepleit, waarbij ook alle costumen geüniformeerd zouden worden. Ook wanneer we hierbij de cahiers, waarin onder een zeker voorbehoud (gedeeltelijke) uniformering van de costumen werd voorgesteld, optellen, blijft het, gerelateerd aan het totale aantal cahiers, een kleine minderheid, te weten 26. Zelfs wanneer we de voorstellen tot het invoeren van één 'loi' meerekenen, komen we niet verder dan 39. Het streven naar een uniforme codificatie van het privaatrecht was, zo moet geconcludeerd worden, geen dringend hervormingsvoorstel voor de opstellers van de cahiers. We hebben daarnaast gezien dat voor de opstellers die een codificatie voorstelden het praktisch-juridische argument verreweg het belangrijkste was. Daarnaast werd in acht gevallen een politiek-theoretisch argument aangevoerd. In de meeste cahiers pleitte men derhalve voor een codificatie met het oog op de individuele burger. Men was erop uit diens rechtspositie te verbeteren door hem middels die codificatie zekerheid te verschaffen, hetzij jegens zijn medeburgers, hetzij jegens de overheid. Het praktisch-politieke argument speelde dus geen rol van betekenis. Er was nauwelijks sprake van een streven naar rechtseenheid in het kader van een streven naar een eenheidsstaat.

Aangezien de generale cahiers de basis vormden waarop door de Staten Generaal moest worden beraadslaagd, lag het in de lijn der verwachtingen dat de werkzaamheden aan een codificatie van het privaatrecht niet onmiddellijk ter hand werden genomen. Het aantal cahiers waarin om een codificatie werd gevraagd, was immers gering, terwijl bovendien in die cahiers het streven naar individuele vrijheid en rechtszekerheid de boventoon voerde. Dergelijke praktisch-juridische en politiek-theoretische overwegingen hebben eenvoudigweg niet voldoende politieke stootkracht om de weg voor een ingrijpende hervorming zoals een uniforme codificatie vrij te maken. Pas toen de radicale, op Rousseau voortbouwende, ideeën zoals die in het preliminiaire cahier van Vienne werden vertolkt gemeengoed werden bij de politieke elite, kreeg het codificatiestreven een krachtige impuls. De kern van die ideeën werd gevormd door het politiek-theoretische uitgangspunt van één natie met één 'volonté générale' en gekoppeld aan een étatisme, aan een als praktisch-politiek te kwalificeren streven naar een sterke staat. Deze gedachten konden evenwel in de eerste jaren van de Revolutie slechts bij enkele afgevaardigden naar de Assemblée Nationale Constituante, zoals de abbé Emmanuel Joseph Sieyès (1748-1836) en Jean-Paul Rabaut Saint-Etienne (1743-1793), worden aangetroffen. De meesten van hen waren nog tezeer verbonden met het Ancien Régime. Het is daarom goed te verklaren dat in de eerste jaren van de Revolutie niet werd begonnen met de werkzaamheden aan de codificatie, die uiteindelijk zouden uitmonden in de Code civil (1804) met de twee voor haar zo kenmerkende eigenschappen, te weten exclusiviteit en uniformiteit.

Laatst gewijzigd:06 november 2012 01:28

Contact information

Oude Kijk in 't Jatstraat 26
9712 EK Groningen
The Netherlands

Turftorenstraat 21, 9712 BM Groningen

Room:
T 293