Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

‘Overheid gaat niet over de inhoud van een demonstratie’

Onderzoek: Demonstratierecht moet op de schop
06 september 2016
Pegida-demonstratie (foto Peter Braakmann, Nationale Beeldbank)

Het recht om te demonstreren, vastgelegd in de Grondwet en nader uitgewerkt in de Wet openbare manifestaties, is op acht punten aan vernieuwing toe. De vrijheid om te betogen moet op verschillende punten verruimd worden. Daarnaast zouden demonstranten zelf mede de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de openbare orde en moeten er regelingen komen voor nieuwe vormen van demonstraties, zoals tentenkampen. En bovenal: de overheid moet verre blijven van de inhoud van de demonstratie. Dat betoogt de Groningse jurist Berend Roorda in zijn proefschrift, waarin hij het Nederlandse demonstratierecht vergelijkt met dat van Duitsland en Engeland. Zijn aanbevelingen worden inmiddels besproken op het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Het demonstratierecht is onlosmakelijk verbonden met onze democratische rechtsstaat. Er wordt dan ook veel gebruik van gemaakt. Vooral de laatste vijftien jaar is het aantal demonstraties explosief gestegen. Alleen al in ‘demonstratiehoofdstad’ Den Haag ging dat aantal van 350 in 2002 naar 1500 in vorig jaar. Aan de overheden, zowel de wetgever als de burgemeester, de taak om de demonstranten de ruimte te geven zonder dat dat al teveel ten koste gaat van anderen. De Wet openbare manifestaties biedt daarvoor het kader. Op zijn beurt moet die wet weer voldoen aan Europese regels.

Europese Hof

Juist omdat het aantal demonstraties zo is toegenomen en er ook nieuwe demonstratievormen zijn bijgekomen, is het hoog tijd om de bestaande wet te herzien, zegt Roorda. ‘De huidige wet biedt te weinig houvast. Bovendien is de Wet openbare manifestaties niet geheel in overeenstemming met de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en laten internationale organisaties zoals de OVSE en de VN zich kritisch uit over een aantal bepalingen van de Nederlandse demonstratiewet.’

Hakenkruis

Roorda verdiepte zich in deze internationale rechtsbronnen en vergeleek daarbij de Nederlandse situatie met die in Duitsland en Engeland. ‘Een belangrijk knelpunt is de beoordeling van demonstraties op inhoud. Daarin is Nederland nu nog liberaal vergeleken bij buurlanden, waar beperkingen worden opgelegd op wat er gezegd of op spandoeken geschreven mag worden. Maar bij ons is die druk er ook. Neem bijvoorbeeld het recente verbod van de burgemeester van Amsterdam om een hakenkruis te tonen bij een Pegida-demonstratie, of het voornemen van minister Van der Steur om salafistische demonstaties vergaand te beperken. Mijn advies is om je als overheid op geen enkele manier voorafgaand te bemoeien met de inhoud. Niet voor niets hebben we dat principe vastgelegd in onze Grondwet en is dat ook het uitgangspunt in Europese regels.’

Tentenkamp

Een andere manier om demonstranten meer de ruimte te geven, is volgens Roorda het verlichten van de kennisgevingsverplichting aan de burgemeester. Het Europees Hof oordeelt dat een demonstratie niet zomaar mag worden verboden indien niet voldaan is aan die verplichting. Ook zouden Nederlandse demonstranten, net als in Duitsland en Engeland, zelf mede de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de openbare orde. Inzet van de politie zet de sfeer volgens Roorda vaak nodeloos op scherp. Verder adviseert hij om de wetgeving toe te snijden op nieuwe ontwikkelingen, zoals het opzetten van dagenlange tentenkampen: ‘Ook hier zie je die spanning tussen overlast en demonstratierecht. Je zou bijvoorbeeld kunnen verbieden om ’s nachts met behulp van tenten te demonstreren.’

Curriculum vitae

Berend Roorda (Leeuwarden, 1987) studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werkte daar mee aan een evaluatie van de Wet openbare manifestaties, op basis waarvan hij zijn proefschrift schreef, met de titel: ‘Het recht om te demonstreren. Een vergelijkende studie naar de betogingsvrijheid in Nederland, Duitsland en Engeland vanuit internationaalrechtelijk perspectief.’ Zijn promotores zijn prof. mr. dr. J.G. Brouwer (RUG) en prof. mr. dr. A.E. Schilder (VU).

Het onderzoek is gefinancierd door de RUG, Politie en Wetenschap en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Meer informatie

Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Berend Roorda.

Laatst gewijzigd:06 september 2016 13:39

Meer nieuws