Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Ingezonden stuk van Rafael Wittek en Tinka Veldhuis voor De Volkskrant van 4 november 2011

04 november 2011

Eigen dataverzameling steeds onrealistischer voor promovendi

Binnen de gedrags- en maatschappijwetenschappen ontstaat steeds minder ruimte voor promovendi om hun eigen onderzoeksgegevens te verzamelen. Door toenemende publicatiedruk en professionalisering komen zij steeds verder van het onderzoeksproces te staan. Dit gaat ten koste van de onderzoeksvaardigheden van toekomstige generaties onderzoekers.

Tinka Veldhuis en Rafael Wittek

Naar aanleiding van de fraude van hoogleraar Diederik Stapel suggereerde de commissie Levelt onder andere dat de data voor een proefschrift als regel door de promovendus zelf verzameld en geanalyseerd dienen te zijn. Dat klinkt logisch, maar is makkelijker gezegd dan gedaan. Binnen de sociale wetenschappen, waaronder naast de sociale psychologie met name ook de sociologie en de economie, zijn twee tegengestelde ontwikkelingen gaande waardoor het voor jonge onderzoekers juist steeds moeilijker zal worden om hun eigen dataverzameling op te zetten. Hierdoor krijgen zij steeds minder kans om de vaardigheden op te doen die noodzakelijk zijn voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek.

Enerzijds dwingt de groeiende publicatiedruk jonge onderzoekers om hun prioriteiten te verleggen. Diederik Stapel reikte zijn promovendi kant-en-klare onderzoeksresultaten aan, zodat zij hun tijd konden gebruiken voor ‘het echte wetenschappelijke werk’: analyseren en schrijven. Andere phd-studenten waren hierop volgens het rapport “jaloers”. Dit toont aan hoe inmiddels wordt gedacht over het zelf verzamelen van data: het blijkt vooral te worden gezien als een verstoring van het publicatieproces, een rem op de productie van artikelen. Door de "publish or perish" cultuur is het voor promovendi zaak niet te lang stil te staan bij het ontwikkelen van een onderzoeksopzet, maar zo snel mogelijk te beginnen met het schrijven van artikelen. Deze druk zal in de toekomst alleen maar toenemen, omdat promotieplaatsen steeds vaker nog maar voor drie in plaats van de gebruikelijke vier jaar gefinancierd zullen worden. De beschikbare tijd voor het opzetten en uitvoeren van een eigen dataverzameling komt dus onherroepelijk nog sterker in de knel.

Anderzijds is in de sociale wetenschappen in toenemende mate sprake van professionalisering van het dataverzamelingsproces. In de sociale psychologie of experimentele economie zijn er bijvoorbeeld inmiddels tamelijk ver ontwikkelde “labs” voor experimenteel onderzoek, vaak met geschoolde staf en goede procedures om de kwaliteit van de data te bewaken. Binnen de sociologie worden steeds meer grootschalige, internationale onderzoeksprojecten opgezet, zoals de European Social Survey. Dit is uiteraard een goede zaak, omdat dit soort dataverzamelingsprojecten – opgezet en bewaakt door teams van ervaren onderzoekers – over strakke protocollen beschikken om de datakwaliteit te waarborgen. Ze zijn daardoor ook minder fraudegevoelig. Veel sociaalwetenschappelijke promovendi maken dan ook dankbaar gebruik van deze omvangrijke databestanden. Meestal zijn ze zelf echter niet betrokken geweest bij het dataverzamelingsproces.

De publicatiedruk en de professionalisering van de dataverzameling leiden beiden tot hetzelfde resultaat: individuele onderzoekers raken steeds minder betrokken bij het gehele onderzoeksproces, inclusief het verzamelen en analyseren van de data. Promovendi – en senior onderzoekers – worden hierdoor steeds afhankelijker van bestaande data. Steeds meer promovendi zullen bij het ontvangen van hun bul nooit een eigen dataverzameling hebben uitgevoerd, behalve misschien in de vorm van kleinere opdrachten en projecten tijdens hun bachelor of masteropleiding.

Deze geschetste ontwikkelingen in de sociale wetenschappen zijn lastig tegen te gaan. Bestuurlijke reflexen, zoals het institutionaliseren van intensieve controlemechanismen, leiden tot een cultuur van wantrouwen die de collegiale samenwerking en de wetenschappelijke kwaliteit niet ten goede komen. Ze zullen uiteindelijk averechts werken.

Maar w at kan er dan wel worden gedaan? De volgende twee punten vinden wij een overweging waard.

Promovendi kunnen veel baat hebben bij collaboratieve (maar overzichtelijke) dataverzamelingsprojecten, waarbij een aantal onderzoekers gezamenlijk het gehele onderzoeksproces doorloopt. Door gedurende het gehele proces intensief samen te werken en gezamenlijk op de verschillende fases van het dataverzamlingstraject te reflecteren, zal de kwaliteit van zowel de onderzoekers als hun onderzoek verbeteren. Idealiter zouden deze projecten worden opgezet op langere termijn en in samenwerking met externe partijen. Hierdoor zouden meerdere generaties promovendi van de dataverzameling kunnen profiteren, omdat zij een vliegende start kunnen maken. De nodige infrastructuur (bijv. toegang tot een school of andere organisatie) is al geregeld, er zijn contactpersonen en warmgedraaide procedures voor het doorvoeren van de dataverzameling. Ook het rapporteren van resultaten naar de externe instanties is een zeer nuttige en voor jonge onderzoekers uitermate leerzame stap in het onderzoeksproces. Denk aan de door Stapel verzonnen scholen: wat als er nu echt een aantal scholen, bedrijven, of organisaties zou bestaan dat daadwerkelijk bereid is om samenwerkingsverbanden met een onderzoeksgroep op te bouwen?

Aantoonbare inspanning in en ervaring met het zelf verzamelen van data zou ook zwaarder meegewogen kunnen worden in de rekruterig van nieuwe onderzoekers: het opzetten, coördineren, uitvoeren, zorgvuldig documenteren en algemeen beschikbaar stellen van een transparant dataverzamelingsproject is tijdrovend en heeft hoge opportuniteitskosten voor de betrokken onderzoekers. Feitelijk is er voor de meeste jonge sociaalwetenschappelijke onderzoekers in het huidige stelsel geen enkele prikkel om in een eigen dataverzameling te investeren. Dit zal pas veranderen als dit soort inspanningen – die tenslotte een bijdrage aan een collective good zijn – ook de nodige credits opleveren.

Tinka Veldhuis promoveert aan de vakgroep sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen op een onderzoek naar detentie- en reintegratiebeleid voor terroristen. Rafael Wittek is hoogleraar sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en wetenschappelijk directeur van de onderzoeksschool ICS.

Hier is het artikel zoals het in De Volkskrant van 4 november jl. is verschenen.

En volgde een reactie in de De Volkskrant van 8 november jl. van Amos van Gelderen, onderzoeker aan het Kohnstamm Instituut en lector taalontwikkeling.

Laatst gewijzigd:22 juni 2016 14:23

Meer nieuws

  • 23 februari 2018

    Schaatsprestaties voorspellen met geautomatiseerde analyses

    Sport, wetenschap en het bedrijfsleven zetten de eerste stap richting digitalisering van de schaatssport. De kracht van deze samenwerking is dat iedere partij zich kan focussen op zijn eigen expertise. Mede dankzij de Data Services Hub van KPN kunnen...

  • 22 februari 2018

    Op zoek naar ons zesde zintuig: timing

    Hedderik van Rijn, adjunct-hoogleraar Cognitieve Wetenschappen en Neurowetenschappen, kreeg in 2017 een prestigieuze NWO Vici-beurs toegekend. Hij kreeg anderhalf miljoen euro voor zijn onderzoek naar hoe mensen hun handelen timen. De bestaande theorie...

  • 06 februari 2018

    Nico van Yperen: ‘Een mentaal zwakke topsporter bestaat eigenlijk niet’

    Nico van Yperen is de eerste hoogleraar in Nederland die zich primair richt op de psychologie van sport en presteren. Hij bekleedt de leerstoel Sport & Performance Psychology. Welke psychologische factoren en omstandigheden zijn van invloed op het optimaal...