Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsNieuwsarchief

Rede Rector Magnificus opening Academisch Jaar 2013-2014

Leden van het College van Bestuur, Dames en Heren,

Gaarne heet ik U allen van harte welkom bij de zitting ter gelegenheid van de Opening van het Academische Jaar 2013/2014. Het is vandaag een heel bijzondere dag, want dit is de eerste dag van het academische jaar waarin op 23 augustus 2014 de 400ste Dies Natalis van de Rijksuniversiteit Groningen valt. Daarvoor, in het bijzonder in de maanden mei en juni van 2014, zullen wij gezamenlijk het 80ste lustrum van de Rijksuniversiteit Groningen uitgebreid vieren. Omdat wij de hoop en stellige verwachting hebben dat onze universiteit een voorspoedige toekomst heeft, is de naam For Infinity aan het lustrum gegeven. Aan het einde van deze rede kom ik heel graag kort terug op de festiviteiten die in het kader van het lustrum georganiseerd worden.

We kunnen het academische jaar 2013/2014 met een trots gevoel ingaan en het vierde eeuwfeest gepast gaan vieren. De Rijksuniversiteit Groningen floreert als nooit tevoren. Recentelijk is bekend geworden dat onze universiteit op de 89ste plaats op de World University Rankings van de Times Higher Education prijkt. Enkele weken geleden werd bekend dat de positie van de RUG op de Academic Ranking of World Universities ranglijst van de Shanghai Jiao Tong University nu 92 is en ik heb een hele goede hoop dat ook de positie van de RUG op de QS World University Rankings zich tot een top-100 positie zal verbeteren als deze half september gepubliceerd wordt. De rest van de wereld ziet ons dus nu ook als een top-100 universiteit. Het seizoen 2013/2014 is ook een jaar waarin wij weer meer studenten verwachten. Helemaal precies weten we het nog niet, maar alle indicatoren wijzen op een groei en ik was bijzonder verheugd om bijvoorbeeld weer zo’n grote groep internationale studenten afgelopen week in de Martinikerk te mogen begroeten.

Dit lustrum mogen wij vieren als een feest van de intellectuele vrijheid. Een vrijheid van denken die ons burgers in de afgelopen eeuwen enorme welvaart en welzijn gebracht heeft. Een vrijheid die tevens aan het begin zal staan van vernieuwing en volgende belangrijke veranderingen. Een vrijheid zoals de stichters van onze instelling ruim vier eeuwen geleden ongetwijfeld voor ogen gehad hebben. En deze academische vrijheid moeten wij koesteren en bewaken. Ik wil het vandaag met U over deze vrijheid in relatie tot de ontwikkeling van het wetenschappelijke onderzoek hebben.

De academische wereld van tegenwoordig is totaal verschillend van die in het jaar van de stichting van de Provinciale Hogeschool destijds in 1614. Wij beschikken nu over technologische mogelijkheden, die toen volstrekt ondenkbaar waren. Maar de intellectuele spirit zoals we deze tegenwoordig mogen genieten is ongetwijfeld sterk vergelijkbaar met die in de breinen van onze academische voorvaderen. Evenals zij in de eeuwen voor ons hebben wij de academische plicht om toekomstige talentvolle generaties op te leiden en met respect voor het historische gedachtengoed. En wie weet wat voor uitmuntende technologie men over eeuwen in het onderzoek en onderwijs benutten zal. Een belangrijk verschil tussen toen en nu is dat de snelheid van verspreiding van innovaties onvoorstelbaar toegenomen is en dat wij nu, veel meer dan destijds, deel uitmaken van de mondiale onderzoekswereld. Maar het onderzoek is nu, net als toen, nog steeds voor het overgrote deel mensenwerk: de productiefactor mens is alles bepalend.

Op 22 juli 1594 capituleerde de stad Groningen voor het leger van Maurits van Nassau en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg. Dit betekende dat een einde kwam aan de toenmalige Spaanse bezetting, de samenvoeging van de stad Groningen met de Ommelanden, die tot dan toe verdeeld waren, en de terugkeer van de Provincie Groningen naar de Staatse Republiek. Deze Reductie van Groningen in 1594 is het startpunt van een periode van voorspoed en intellectuele rust en stabiliteit in de regio en dat alles middenin de Tachtigjarige Oorlog. Er werd vanaf 1594 weer volop gehandeld en het Noorden maakte volop deel uit van de krachtige economie van de Lage Landen. Nu de middelen niet meer nodig waren voor het voeren van een fysieke strijd, besloten de Staten van Groningen en Ommelanden in 1612 de Provinciale Hogeschool te stichten. Zij benoemden de Duitse geleerde Ubbo Emmius als eerste Rector en met hem gaven vier hoogleraren vanaf 23 augustus 1614 colleges, hier op deze locatie, na een verbouwing, in het destijds leegstaande Menolda- en Sywenconvent. De geschiedenis van onze instelling in de eeuwen die erna volgen zijn bij velen van U bekend en voor diegenen die het nog niet weten, of niet precies, kan ik aankondigen dat onze universiteitshoogleraar Klaas van Berkel dit academische jaar zijn geschiedschrijving van onze universiteit hoopt te voltooien. En als men de geschiedenis bestudeert dan valt het op dat de perioden van neergang, bijvoorbeeld tot uiting komend in een daling van het aantal studenten, veelal samenvalt met een inperking van de academische vrijheid.

Vrijheid, een open academische houding, zelfvertrouwen en doorzettingsvermogen van medewerkers zijn van essentieel belang voor de groei en bloei van een universiteit. Het is in het belang van de samenleving om deze noodzakelijke voorwaarden te scheppen. Omgekeerd draagt de ontwikkeling van het academische klimaat in sterke mate bij aan de vooruitgang van maatschappelijke welvaart en welzijn. Ik zal mijn argument illustreren aan de hand van enkele historische voorbeelden. Ik maak hierbij dankbaar gebruik van een aan deze universiteit door wijlen emeritus-hoogleraar Angus Maddison ontwikkelde databank van schattingen van het re ë le inkomen per hoofd van de bevolking.

Rond het begin van de jaartelling waren de inwoners van de landen van de klassieke beschaving Griekenland en Itali ë per hoofd gemiddeld eenderde rijker dan de overige Europeanen en voorzover wij weten de rest van de wereldburgers. Zowel in Griekenland als in Itali ë worden in deze tijd de bekende voorname fundamenten van de moderne wetenschap gelegd. Zoals bekend geldt dat in veel mindere maten voor de eeuwen die daarop volgen. Het eerst volgende tijdsgewricht dat we met enige betrouwbaarheid beschrijven kunnen is die rond het jaar 1300. In Itali ë is het inkomen per hoofd dan ruim twee maal zo hoog als in de rest van de wereld. En in Itali ë bloeien de kunsten en de wetenschap in brede zin in volle glorie. Het is wellicht tegenwoordig moeilijk als een innovatie te zien, maar de eerste banken verrezen in de opbloei van de Italiaanse economie en zelfs het woord bank hebben we aan deze Italiaanse periode te danken. En de Italiaanse regio was in het jaar 1300 tien universiteiten rijk, ongeveer de helft van de toen bekende instellingen in Europa. De rijkdom werd benut om te investeren in de ontwikkeling van toekomstige kennis en de opbouw van menselijk kapitaal.

Graag wil ik met U het standpunt van de Amerikaans-Nederlandse economisch historicus Joel Mokyr delen over wat in zijn ogen een van de belangrijkste uitvindingen ooit geweest is. U zult denken dat dat de computer niet kan zijn en evenmin komen de stoommachine, de elektriciteit of de boekdrukkunst en dat klopt allemaal. Het is namelijk de bril. De bril is voor het eerst aan het einde van de dertiende eeuw in Itali ë in iets wat op de huidige vorm lijkt geproduceerd. De eerste vermeldingen door twee geestelijken Giordano da Rivalto en Alessandro della Spina verwijzen naar Pisa in het jaar 1286. Door het gebruik van de bril was het verwerven, overdragen en onderhouden van kennis veel beter mogelijk. De academische levensduur van onderzoekers werd aanzienlijk verlengd. De uitvinding van de bril moet daarom als een van de belangrijkste historische innovaties gezien worden en is ongetwijfeld een fundament voor de verdere maatschappelijke ontwikkeling.

Met behulp van de databank van Maddison verlaten we het jaar 1300 en begeven ons naar het jaar 1600. In dat jaar is het inkomen per hoofd van de bevolking in de Nederlanden twee maal zo hoog als in de rest van Europa. De Gouden Eeuw ontwikkelt zich en de Nederlandse universiteiten worden gesticht: Leiden, Franeker, Groningen en Harderwijk. Er heerst een intellectueel klimaat waarin de meningsvrijheid het hoogste goed was. Er is ook politieke vrijheid: intellectuelen komen naar de lage landen en de Staten van Holland vormen een smeltkroes van gedachten. De Gouden Eeuw is ook een tijd voor belangrijke wetenschappelijke innovaties: de telescoop, de microscoop en het slingeruurwerk. Zonder deze uitvindingen had de huidige wetenschap zich niet zo voorspoedig kunnen ontwikkelen.

Het is interessant om de eerste eeuwen van de vier universiteitssteden in termen van omvang van de bevolking te volgen. De groei van het inwoneraantal van een stad kan een graadmeter van de aantrekkingskracht van het intellectuele en economische klimaat weergeven. Leiden, waar de universiteit in 1575 gesticht is, groeit snel in bevolkingsomvang van 12500 in 1560 naar 67000 in 1670. De Stad Groningen groeit geleidelijker van 16600 in 1600 naar 20600 inwoners in 1670. In Franeker, waar de universiteit in 1585 gesticht is groeit het inwoner aantal van 2200 in 1560 naar 3500 in 1670, maar blijft daarna, evenals in Harderwijk, waar in 1648 de universiteit start, op een bescheiden niveau van enkele duizenden inwoners steken. Leiden en Groningen gaan de Franse tijd in met een veel omvangrijker potentieel.

De historische voorbeelden uit Itali ë rond 1300 en Nederland rond 1600 laten in mijn ogen twee belangrijke conclusies toe:

Een krachtige economische ontwikkeling maakt een versterking van de academische wereld mogelijk. Maar er zijn noodzakelijke voorwaarden. Vrijheid van denken, vertrouwen in instituties en politieke steun lijken de belangrijkste factoren.

De investeringen in fundamentele kennis en intellectuele rust leiden tot belangrijke wetenschappelijke doorbraken. Vernieuwingen die beter onderzoek mogelijk maken en uiteindelijk leiden tot een hogere maatschappelijke welvaart en welzijn.

U kunt zich voorstellen dat als we deze twee conclusies onderschrijven, ik mij ongerust maak over het ontbreken van een aantal noodzakelijke voorwaarden voor toekomstig intellectueel succes, voorwaarden zoals een krachtige economische groei, vertrouwen in instituties als universiteiten en politieke steun in Nederland.

We moeten immers nooit vergeten dat wij de erfgenamen zijn van deze historische golven van wetenschapsontwikkeling. Dit brengt de verplichting met zich mee dat wij onze kennis overdragen naar nieuwe generaties en dat we niet kunnen toestaan dat door welke omstandigheden dan ook dit proces verslapt. De door eigen nieuwsgierigheid gedreven kennisontwikkeling is ultiem van het grootste belang voor vooruitgang en toekomstige voorspoed en vrijheid. Het is aan ons, de academische wereld, de taak om deze boodschap te blijven uitdragen.

Aan hen die nu als student aan de universiteit verbonden zijn. We moeten de studenten opleiden tot de nieuwe generaties van zelfstandig denkenden. Het onderwijs dient daarom voor een belangrijk gedeelte ge ï nspireerd te zijn door de onderzoekservaring van de stafleden. We moeten oppassen met een al te nadrukkelijke aanwezigheid van een naderend beroepsperspectief in de opleidingen zelf. Een goede voorlichting van de situatie op de arbeidsmarkt is uiteraard wel gepast, maar de eerste zorg is de opleiding van zelfstandig denkenden.

Aan hen die als wetenschapper of in als ondersteunend staflid aan de universiteit verbonden zijn. Het is een voorrecht om aan de universiteit te kunnen werken. De genoten bescherming van de academische muren brengt evenwel verplichtingen met zich mee. Het is niet langer zo dat de Rijksoverheid alle kosten van de academie draagt. Meer en meer zullen stafleden zelf als kleine wetenschappelijke ondernemer voor de bekostiging van het onderzoek moeten zorgen. In mijn ogen is een wetenschappelijk ondernemer iemand die nieuwe onderzoeksmogelijkheden ziet, daar waar anderen dat niet zien. Een wetenschappelijk ondernemer weet dat door doorzettingsvermogen om obstakels te overwinnen en door het zelfvertrouwen om conventional wisdom te trotseren er uiteindelijke academische meerwaarde in de vorm van toppublicaties en succes in nieuwe onderzoeksaanvragen bereikt wordt. En dat vraagt om twee intrinsieke houdingen van stafleden. Ten eerste dienen mederwekers open te staan voor vormen van samenwerking. Ten tweede is het van belang dat de wetenschappers vertrouwen hebben in en trots zijn op de omgeving: trots op de prestaties van anderen en daardoor ook trots op zichzelf.

Aan hen die als burger een beroep willen doen op de kennis van universiteiten. De uitwisseling van kennis wordt steeds belangrijker en dus is het onze taak om duidelijk te maken welke kennis er binnen de muren aanwezig is. Zonder een al te grote nadruk op onmiddellijke verzilvering van wetenschap te leggen is het wel nodig dat de wetenschap in gepaste mate zelf naar buiten brengt wat voor mooie nieuwe gedachten hier ontwikkeld worden.

Aan hen die nu nog als scholier of beginnen student in binnen- of buitenland aan het begin van hun opbouw van menselijk kapitaal werken. De jeugd heeft de toekomst en de uitdaging van het werken aan de grenzen van het weten moet lokken. De universiteit zal meer dan ooit op verschillende momenten van de opleiding voor buitenstaanders open zijn: voor bachelor- en masterstudenten, maar ook voor aanstaande promovendi. Wij zien het als een kerntaak van de universiteit om het talent verder te ontwikkelen.

Aan hen die elders in de wereld onderzoek verrichten. Het moet duidelijk zijn welke expertise er in Groningen aanwezig is en wat de mogelijkheden om samen te werken zijn. In het onderzoek is het nog slechts zelden het geval dat individuen grote wetenschappelijke doorbraken kunnen realiseren. Onderzoek wordt steeds vaker verricht in open netwerken, in gelegenheidscoalities of in vaste internationale teams. Het gebruik maken van elkaars complementaire kennis is een noodzaak geworden. Het samenstellen van de geschikte teams om de wezenlijke vragen te beantwoorden is een belangrijk onderdeel van de universitaire geworden.

En tenslotte aan hen die beleid voeren en onderzoek bekostigen. Nu de Haagse bekostiging de neerwaartse trend doorzet, worden particuliere financiers en buitenlandse overheden steeds belangrijker. De reputatie van en het vermogen om netwerken te vormen van onze onderzoekers zijn bepalend om succes in bijvoorbeeld het Horizon2020-programma te hebben. Dat kan op drie manieren. In het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek besteedt de European Research Council een toenemend budget. Horizon2020 bevat ook een component voor bedrijfsgerelateerd onderzoek en een component voor de European Grand Challenges. Het is aan ons de taak om ons optimaal op deze financieringsbronnen aan te sluiten.

Met deze opsomming heb ik duidelijk gemaakt dat het belang van nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek en de academische vrijheid vele actoren in de samenleving treft. Omdat het zo belangrijk is kom ik op de houding van succesvolle onderzoekers terug en richt me op twee eigenschappen: openheid en trots. Wij hebben onderzoekers in dienst die allemaal een fantastische opleiding in de eigen discipline genoten hebben. Het zijn vakmensen die met plezier en enthousiasme over het eigen veld spreken. Het is evenwel steeds vaker het geval dat spannende ontwikkelingen zich tussen de wetenschapsvelden in bewegen. Dan is het nodig dat de specialisten in het veld de bereidheid hebben om gezamenlijk zich te verdiepen in iets dat men met de groep als geheel nog niet weet. Dit vereist een absoluut open houding van onderzoekers en verlangt van de organisatie dat er geen onnodige schotten tussen onderzoeksgroepen opgeworpen zijn. Ik zie het als een belangrijke taak van het College van Bestuur om de onderzoeksstructuur te innoveren. De tweede belangrijke eigenschap is de trots. Trots op wat men zelf presteert, maar ook trots op datgene dat door de directe omgeving of door de leden van het onderzoeksinstituut bereikt wordt. De trotsheid geeft een saamhorigheid die van belang is voor toekomstig onderzoekssucces. Trotsheid draagt bij aan het gevoel van succes van samenwerking.

Het moge duidelijk zijn het aankomend jaar 2013/2014 een jaar zal worden om trots op te zijn. Wij gaan het 80ste lustrum vieren van half mei tot en met half juni 2014. Ook zullen wij op 23 augustus 2014 een festiviteit hebben, want dan verjaren wij pas echt. Bij binnenkomst heeft u naar drie promotiefilms kunnen kijken. Aan de viering van haar 400-jarig bestaan verbindt de Rijksuniversiteit Groningen een onderzoeksproject: een cadeau voor de toekomst – een Gift for Infinity – rond een door het grote publiek gekozen onderwerp. De drie voorstellen die u zojuist gezien heeft, zijn geformuleerd naar aanleiding van vragen die in het kader van één van de RUG400 projecten, ‘400 dagen voor 400 vragen’, door het grote publiek zijn ingediend. En welke van de drie het gaat worden, daarover kan vanaf vandaag, vier weken lang, gestemd worden. Dus ook door U allen, stem mee op www.rug400.nl!

De lustrumviering kent een druk programma en ik ga niet alle onderdelen hier uitgebreid bespreken. Er wordt feestgevierd, gesport, kennis en cultuur gedeeld met stadjers, inwoners van het noorden, studenten, medewerkers en alumni, collega-instellingen, overheden, bedrijven en een ieder die de RUG een warm hart toedraagt. In lijn met de historie zal er onder andere een openluchtspektakel, een gala en een maskerade van studenten georganiseerd worden. Ook zullen er diverse onderdelen voor alumni en externen georganiseerd worden Op vrijdag 13 juni 2014 zal er in de Martinikerk een Academische Zitting plaatsvinden. Gedurende deze zitting zal de Rijksuniversiteit Groningen negen internationale topwetenschappers een eredoctoraat verlenen. Het belooft een prachtig jaar te worden. En hiermee verklaar ik het Academische jaar 2013/2014 voor geopend.

Ik dank U voor Uw aandacht.

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:32