Cardiovascular tissue engineering and regeneration based on adipose tissue derived stem/stromal cells

Omgeving beïnvloedt mogelijke effectiviteit stamceltherapie
De moleculaire en biochemische samenstelling van biomaterialen heeft een impact op de hechting en functie van een bepaald soort stamcellen: adipose tissue derived stem cells (ADSCs). Dat concludeert Mojtaba Parvizi op basis van zijn promotieonderzoek naar dit soort stamcellen.
Het aantal patiënten met hart- en vaatziekten stijgt snel. Wetenschappers zoeken voortdurend naar nieuwe behandelingen of naar manieren om de huidige behandelingen te verbeteren. Stamceltherapie is een voorbeeld van een mogelijk veelbelovende aanpak om schade in het lichaam te herstellen. ADSCs zijn een subtype stamcel, afkomstig uit cellen van wit vetweefsel. Zulke ADSCs produceren verschillende groeifactoren en ze kunnen ontsteking en celdood tegengaan. Een grote beperking van stamceltherapie is nu nog dat zulke cellen niet goed in het weefsel blijven zitten waar ze zijn ingespoten.
In het kader van de privaat/publieke samenwerking Biomedical Materials (BMM) heeft Parvizi in het ICARUS project (https://www.youtube.com/watch?v=f7-EhWBAbnc ) een verbeterde methode ontwikkeld om ADSCs ‘op de plek’ te houden. Hij heeft samen met Fujifilm microbolletjes ontwikkeld waar ADSCs beter aan plakken en aangetoond dat ze hun geneeskrachtige werking behouden. Deze biomaterialen zijn gebaseerd op collageen, een eiwit dat in al onze weefsels voorkomt en sterkte verleent en krachten opvangt. Hij liet ook zien dat, in proefdieren, slagaders met een verzwakte wand (aneurysma’s) behandeld konden worden met dezelfde biomaterialen en ADSC’s. Parvizi vermoedt tot slot dat op natuur-gebaseerde biomaterialen kunnen helpen bij een betere hechting van stamcellen op de juiste plek en met behoud van therapeutische functie.
Mojtaba Parvizi (1982) studeerde Diergeneeskunde aan de Tabriz Azad University (Iran). Sinds 2010 werkt hij als onderzoeker bij het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de afdeling Pathologie en Medische Biologie en binnen onderzoeksinstituut GUIDE van het UMCG. BMM betaalde het onderzoek.