Flexibiliteit in de Omgevingswet als opgave voor het constitutioneel organisatierecht

Flexibiliteit in de Omgevingswet als opgave voor het constitutioneel organisatierecht
In 2024 werd in Nederland de Omgevingswet ingevoerd. Met die wet krijgt haast iedereen op een of andere manier te maken, omdat deze wet de regels bevat over het uitvoeren van activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet kent verschillende vernieuwende aspecten. Zo zijn voor het eerst systematisch nieuwe bestuurlijke uitgangspunten die zijn gericht op flexibiliteit in regels en in onderlinge verhoudingen vertaald naar juridische instrumenten. Omdat zij nieuw zijn en gevolgen hebben voor de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat, onderzocht Bas Tadema in zijn klassiek-juridische promotieonderzoek op welk vlak deze instrumenten vernieuwend zijn en voor welke opgave zij de wenselijke vormgeving van het toekomstige Nederlandse staatsrecht stellen.
Tadema laat zien dat de Omgevingswet in ieder geval twee vernieuwende vormen van juridische uitwerkingen die zijn gericht op flexibiliteit bevat. De eerste is gericht op flexibiliteit in regels die zijn gericht tot onder andere burgers, de andere is gericht op flexibele verhoudingen tussen bestuursorganen onderling. Beide vormen zijn op hun eigen manier uitgewerkt. Dit onderzoek illustreert hoe beide vormen eigen kansen en risico’s opleveren voor de vormgeving van de democratische rechtsstaat. Opvallend is dat sommige instrumenten meer flexibiliteit combineren met voldoende waarborgen om de positie van bijvoorbeeld de wetgever of burgers te beschermen, terwijl waar dit niet gebeurt dit direct tot gevolg heeft dat risico’s ontstaan voor de democratische sturing en de rechtsgelijke behandeling van burgers. Positieve voorbeelden van uitwerkingen in de Omgevingswet vormen onder andere een nieuwe delegatieregeling en de ruime experimenteergrondslag. Zij combineren flexibiliteit en democratisch-rechtsstatelijke waarborgen.