Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Prof. Ton Engbersen: ‘Nederland wil koploper zijn in big data en cognitive computing, maar bestuurders snappen vaak niet wat het is’

16 februari 2017
Ton Engbersen
Ton Engbersen

Op 28 februari 2017 spreekt prof.dr.ir. Ton Engbersen zijn oratie uit. Sinds een jaar is hij bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Engbersen is gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie en cognitive computing. “Er wordt ontzettend veel gezegd en geschreven over big data,” stelt Engbersen, “maar meestal blijft het bij holle frasen. Mooie termen waar eigenlijk niemand zich iets concreets bij voor kan stellen. In overheidskringen is dat trouwens niet anders, ik heb nog geen politicus gezien die echt begreep wat er staat te gebeuren op dit vlak. En als je het niet snapt, dan zie je de urgentie niet.”

Engbersen licht toe: “Big data is leuk, maar totaal oninteressant als je niet weet wat je ermee moet doen. We produceren voortdurend grote hoeveelheden data en dat wordt alleen maar meer. Simpelweg omdat we steeds meer apparaten op internet aansluiten en data laten produceren en met elkaar laten uitwisselen. En omdat we bijvoorbeeld in het verkeer en in de medische sector overal sensoren op kunnen plakken die een continue stroom van gegevens produceren. Big data is er allang. De vraag is natuurlijk hoe je met die overvloed aan informatie omgaat. Met de huidige technologie kom je niet ver. Je hebt cognitive computing nodig: intelligente systemen die gegevens kunnen analyseren, combineren, relevante suggesties doen en al doende leren en steeds beter worden.”

Het mooie van mensen is dat we semantisch kunnen zoeken. Als wij een tekst lezen, zien we niet alleen losse zoektermen, we zien ook de context. Neem een woord als ‘bank’. Het is ons in één oogopslag duidelijk of het verhaal gaat over meubels, geld, de opslag van sperma of zandbanken in de Waddenzee. Dat is knap van de mens. Ons nadeel is natuurlijk dat ons denkvermogen beperkt is, betoogt Engbersen. In 1955 concludeerde de Amerikaanse psycholoog George Miller dat een mens maximaal zeven opties tegelijkertijd kan afwegen, en dat ging dan nog alleen over cijfers. Latere onderzoekers schatten ons maximum zelfs in op vier.

Meer magische momenten

Met de technieken die nu ontwikkeld worden, kunnen computers ook semantisch zoeken, net als mensen. En dan zijn ze er meteen ook veel beter in, want computers hebben een groter werkgeheugen dan wij, zodat ze veel meer factoren tegelijkertijd kunnen overzien. Hun hoofd is niet vol bij vier opties. Ook zijn computers vele malen sneller dan het menselijk brein. Engbersen: “Computers zijn straks superzuinig en net zo intelligent als mensen, ze kunnen alleen veel meer informatie tegelijkertijd bekijken en verwerken. En dan wordt het echt interessant.”

Een van de voorbeelden die Engbersen noemt, is de wetenschappelijke versnelling die optreedt met cognitive computing. “Een wetenschapper krijgt op een dag een mooi idee voor een nieuw materiaal. Hij spreekt zijn formule in en de computer doet een snelle semantische check. Die ontdekt bij een vrij onbekende Zuid-Koreaanse universiteit een rapport over een vergelijkbaar experiment, dat redelijk succesvol is afgerond. De computer zet de exacte grondstoffen, verhoudingen en bewerkingen erbij. Maar ook een suggestie voor verbetering, gebaseerd op vijf rapporten van andere onderzoekers die met dezelfde stoffen bezig zijn geweest en andere resultaten boekten. Je kunt dan van één experiment per week zomaar naar vijf per dag springen en de kans op magische momenten exponentieel vergroten.”

Intelligent data oogsten

Ook in de zorg profiteren we direct van het intelligent minen van big data. Engbersen noemt hier als voorbeeld een patiënt met een vreemd symptoom. “De arts kan zijn DNA en ziektebeeld straks vergelijken met dat van andere patiënten, wereldwijd. Cognitive computing levert dan direct relevante informatie aan over patiënten met een vergelijkbaar DNA, vergelijkbare leefomstandigheden en hetzelfde gekke symptoom. Anoniem, natuurlijk. Welke medicijnen zijn er gebruikt, hoe vaak en in welke dosering? En, minstens zo interessant, in hoeverre was de behandeling een succes en wat is dan de meest kansrijke behandeling voor deze patiënt?”

De datagedreven toekomst straalt ons tegemoet, cognitive computing gaat ons denkvermogen vergroten. Maar we zijn er nog niet. Juist in een overzichtelijk land als Nederland, waar kenniscentra, infrastructuur en leefbaarheid van hoog niveau zijn, zijn grote voordelen te behalen. Als we Nederland nog in de cognitieve kopgroep weten te plaatsen, komt dat ons in de volle breedte ten goede, zowel economisch, maatschappelijk als wetenschappelijk. Maar wie gaat de kar op nationaal niveau trekken? Wie investeert in fundamenteel onderzoek om de benodigde technieken te ontwikkelen? Lees de verkiezingsprogramma’s er maar op na – holle frasen te over, maar concrete actiepunten zal je niet vinden. En dat terwijl afwachten echt geen optie meer is.

Een greep uit de programma’s. “Technologische innovatie moet hand in hand gaan met sociale innovatie”, zegt de PvdA. En het CDA: “De huidige wetten <…> komen uit het ‘analoge’ tijdperk en voldoen in een tijd van vergaande digitalisering niet meer.” “De digitalisering en robotisering van de samenleving geeft nieuwe en vaak ongekende mogelijkheden, waarvan we echter niet altijd kunnen weten of ze ook wenselijk zijn”, meldt de SP. Uit het VVD-programma: “Nederland moet een voorloper blijven als ‘dataneutraal’ land, zodat bedrijven en particulieren onbespied hun eigen keuzes kunnen blijven maken.” D66 besteedt verschillende paragrafen aan digitalisering en is de enige positieve uitzondering op dit punt. In het PVV-programma komen woorden als ‘technologie’, ‘digitalisering’ en ‘big data’ helemaal niet voor.

Niet meer dood aan dezelfde ziektes

Afwachten betekent dat datacenters meer stroom gaan gebruiken dan we hebben. Nu al hebben energieleveranciers te kampen met dips, waarbij de vraag simpelweg is: gaat de energie naar de huishoudens in de wijk, of naar het datacenter? Afwachten betekent dat Nederland binnen vijf jaar het domste jongetje van de klas is. Omdat onze burgers niet uit de voeten kunnen met computers die semantisch zoeken en we niet aan kunnen haken op het web 3.0. Omdat onze universiteiten geen cognitieve systemen hebben die nodig zijn om goede studenten aan te trekken en baanbrekend onderzoek mogelijk te maken. Afwachten betekent dat onze kinderen nog steeds aan dezelfde ziektes doodgaan, omdat we hun DNA en hun symptomen niet kunnen vergelijken met die van andere patiënten wereldwijd. En dat wil niemand.

De toekomst zoals Ton Engbersen die schetst is onontkoombaar en dichtbij. Landen als het Verenigd Koninkrijk, Finland, Italië en Duitsland zetten met concrete programma’s en nationale budgetten vol in op het cognitieve computertijdperk. In Nederland roepen we dat we hierin aan kop willen gaan, maar we zijn nog niet eens uit de startblokken. Nu maar kijken of we nog een goede sprint kunnen trekken.

Opgetekend door: Xenia Wassenbergh

Laatst gewijzigd:27 februari 2017 08:55

Meer nieuws