Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

'Mislukt' referendum over Europese Grondwet blessing in disguise

Europese besluitvorming niet meer vanzelfsprekend
25 juni 2013

Met het referendum over de Europese Grondwet in 2005 ontwaakte het parlement uit de Europese droom. Dat de Nederlandse bevolking daarin ‘nee’ zei tegen de grondwet was voor de voorstanders van Europese integratie een tegenslag, maar wel één die onvermijdelijk en noodzakelijk was. Dat concludeert historica Jieskje Hollander op basis van haar proefschrift The incoming tide. Dutch reactions to the Constitutionalisation of Europe (1948-2005) waarop zij op 4 juli promoveert aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen. Hollander sprak onder meer met een aantal betrokken ministers.

Na oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS) in 1952 streefden tot 2005 alle Nederlandse kabinetten naar steeds verdergaande Europese integratie. Door een grondwetswijziging in 1953 kwam fundamenteel parlementair debat daar nauwelijks aan te pas, ook niet toen het parlement zelf steeds meer vraagtekens zette bij de noodzaak en wenselijkheid van al deze stappen. Hollander: ‘Het besluit om in 2005 een referendum te organiseren kwam voort uit oprechte bezorgdheid over de steun voor Europa bij de bevolking, die decennia lang buiten dit proces gehouden was. Maar het was ook een uiterst redmiddel van de Tweede Kamer zelf om grip te krijgen op een proces dat zich steeds meer los van haar controle leek te ontwikkelen. Het was een bittere pil dat de meerderheid tegen stemde, want het parlement was in meerderheid vóór en had nou juist zijn best gedaan om Europa toegankelijker te maken voor de burger.’

Doctrine

Als een van de grondleggers van de EGKS en voorvechter van verdere eenwording, bouwde Nederland aan een reputatie van trouwe bondgenoot in het proces van Europese integratie. Hollander: ‘Die houding komt voort uit de oeroude Nederlandse doctrine dat wij te klein zijn om ons alleen te redden, en dus bondgenootschappen nodig hebben. Die overtuiging ging zo diep dat in 1953 een grondwetswijziging werd ingevoerd die de regering een vergaand mandaat gaf om Europese verdragen te sluiten, zelfs als die op gespannen voet stonden met onze eigen Grondwet. Sindsdien ging de regering voort onder het motto: “Wie A zegt moet ook B zeggen”. Het point of no return was dus eigenlijk al in 1953 gepasseerd.’

Sceptisch

Hollander stelt vast dat een aantal partijen, zoals de CPN en de kleine christelijke partijen, altijd al sceptisch stond tegenover dat mandaat en dat vanaf 1986 de kritiek steeds breder gedragen werd in het parlement. Maar het besluitvormingsproces ten aanzien van Europese verdragen was op die kritische houding niet ingericht. Hollander: ‘De moeite die de Kamers met het Europese beleid hadden groeide in de jaren daarna alleen maar. Vanuit dat perspectief was het niet vreemd dat het Nederlandse besluitvormingsproces over Europese verdragen steeds meer omstreden werd en uitmondde in een referendum.’

Tunnelvisie

Het ‘nee’ tegen de Europese Grondwet mag dan door velen als politieke tegenslag zijn beleefd, volgens Hollander was het per saldo een blessing in disguise. ‘Het is goed geweest dat in Nederland de boel werd opgefrist. Het heeft de politiek uit die tunnelvisie gehaald waarin discussieloos voortschrijden in Europa als iets vanzelfsprekends werd beschouwd. Eindelijk kunnen wetenschap en politiek weer vragen opwerpen over bijvoorbeeld onze soevereiniteit en of en hoe deze af te bakenen. Vragen die passen bij een volwassen relatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten. Overigens: het referendum heeft er nog steeds niet toe geleid dat de bewuste grondwetswijziging uit 1953 is terug gedraaid en dat zie ik voorlopig ook niet gebeuren.’

Primaire bronnen

Hollander onderzocht als eerste vele primaire bronnen over de Europese besluitvorming, zoals de handelingen van de Eerste en Tweede Kamer, aangevuld met interviews met onder meer direct betrokken ministers. ‘De meeste geschiedschrijving hierover is uitgegaan van het perspectief van belangrijke mannen die onderhandelden over verdragen, dus het perspectief van de regering en haar diplomatieke dienst. Maar ik heb juist gekeken naar de reacties daarop in het parlement.’

Curriculum Vitae

Jieskje Hollander (Franeker, 1983) studeerde Politieke Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze promoveert 4 juli 2013 aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de RUG. Promotor is prof.dr. L.W. Gormley, copromotores zijn dr. P.A.J. van den Berg en dr. R.G.P. Peters. Het onderzoek maakt deel uit van het NWO- onderzoeksproject ‘Omstreden grondwetten’. Hollander werkt nu voor de Van Mierlo Stichting, het wetenschappelijk bureau van D66. Van het proefschrift verschijnt een handelseditie bij Europa Law Publishing onder de titel Constitutionalising Europe. Dutch Reactions to an Incoming Tide (1948-2005).

Voor meer informatie

Jieskje Hollander, j.hollander@d66.nl

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:32

Meer nieuws