Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Twintig procent van de jeugd in Groningen krijgt vorm van jeugdzorg

19 april 2013

De zorg die een Groningse jeugdige krijgt wordt vooral bepaald door de wijze van aanmelding: bij Bureau Jeugdzorg of bij de huisarts. Qua ernst van de problematiek zijn er nauwelijks verschillen tussen jeugdigen in de geïndiceerde jeugdzorg en de jeugd-GGZ. Jongeren in de jeugdzorg hebben wel meer problemen in hun omgeving. Verder krijgen vele jeugdigen, zo’n twintig procent, elk jaar zorg en is ook de problematiek van jeugdigen in de licht pedagogische hulpverlening vaak relatief ernstig. Dit blijkt uit een onderzoek dat de Academische Werkplaats C4Youth (UMCG/RUG) deden in opdracht van de Provincie Groningen naar de vraag wie waar in zorg zit, en waarvoor.

Aanleiding voor dit onderzoek was de transitie van de jeugdzorg die op 1 januari 2015 gerealiseerd moet zijn; vanaf die datum zijn gemeenten verantwoordelijk voor zorg aan jeugdigen. Belangrijke vragen zijn daarom nu onderzocht: hoeveel Groningse kinderen en jongeren krijgen zorg vanwege gedragsmatige en emotionele problemen, welke zorg krijgen ze, en wat zijn hun problemen?

Uit dit onderzoek blijkt dat in één jaar ruim twintig procent van de jeugdigen tot en met 23 jaar in de provincie Groningen zorg krijgt. In de regio’s Centraal en West-Groningen is dit iets minder, in Noord-Oost, Oost en Zuid-Oost Groningen wat meer. Met name de gemeenten Appingedam, Pekela en Veendam vallen op doordat daar relatief veel jeugdigen in zorg zijn.

Huisartsen zien veel jongeren met gedragsmatige en emotionele problemen en verwijzen bijna de helft door. Dat doen ze vrijwel steeds naar de jeugd-GGZ en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Minder dan 10% van hun verwijzingen gaat richting (lichtere) psychologische zorg. Verwijzingen naar Bureau Jeugdzorg, of in het verlengde hiervan, de geïndiceerde jeugdzorg werden niet aangetroffen. Bureau Jeugdzorg heeft meer kleuren in het verwijspalet: 63% gaat naar de geïndiceerde jeugdzorg, 24% naar de jeugd-GGZ, en 13% wordt terug verwezen naar licht pedagogische hulp bij bijvoorbeeld de GGD.

Uit dit onderzoek blijkt dat jeugdigen in de geïndiceerde jeugdzorg en de jeugd-GGZ ongeveer evenveel, en behoorlijk veel, gedragsmatige en emotionele problemen hebben. Jeugdigen die bij de GGD in zorg zijn hebben minder ernstige problemen, maar nog steeds veel meer dan jeugdigen die niet in zorg zijn. Jeugdigen in de geïndiceerde jeugdzorg hebben relatief vaak thuis te maken met armoede, een eenoudergezin, laag opgeleide ouders of een allochtone herkomst; 88% heeft minstens één van deze risicokenmerken. Ook bij de licht pedagogische hulpverlening en de jeugd-GGZ zijn er echter veel jeugdigen met dergelijke risicokenmerken; 65% heeft er minstens één.

Vanaf 1 januari 2015 worden de gemeenten verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd. Centrale vraag hierbij is welke zorg het beste past bij welke jeugdigen. Er is nu meer zicht op het aantal jeugdigen, waar ze in zorg zijn en hun overige kenmerken. Dit onderzoek kan daarom bijdragen aan de keuzes die gemeenten en de Groningse zorginstellingen moeten maken voor een verantwoorde uitvoering van de zorg voor jeugd nieuwe stijl.

Het volledige onderzoek is te vinden op www.C4Youth.nl.

C4Youth
Prof.dr. Erik Knorth, hoogleraar Orthopedagogiek in het bijzonder de jeugdzorg, overhandigt het rapport Take Care! aan gedeputeerde Yvonne van Mastrigt.
Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:32

Meer nieuws