Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Koepelgevangenis voorkwam ‘morele besmetting’

Architectuur justitiële inrichtingen en gerechtsgebouwen weerspiegelt tijdgeest
05 december 2012

Koepelgevangenissen, zoals die eind negentiende eeuw werden gebouwd, hadden tot doel dat gevangenen onderling zoveel mogelijk van elkaar werden geïsoleerd. Dat was goed om de gedetineerden tot inkeer te brengen, onderlinge 'morele besmetting' te voorkomen en orde en tucht te handhaven. En dat weerspiegelde de opvattingen die de overheid in die periode had over het nut van straf. Daarnaast werd in dezelfde periode aan de architectuur van jeugdinrichtingen ook geleidelijk zichtbaar dat men jongeren liever wilde heropvoeden dan straffen. Deze en vele andere conclusies trekt cultuurwetenschapper Ros Floor in zijn proefschrift Architectuur van het recht. Nederlandse Justitiegebouwen 1870-1914. Floor promoveert op zijn onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen, op 13 december.

Floor bestudeerde voor zijn promotie de grote bouwcampagne van justitiële inrichtingen en gerechtsgebouwen tussen 1870 en 1914, die in intensiteit alleen vergelijkbaar is met de hausse aan nieuwbouw van gevangenissen en rechtbanken aan het eind van de twintigste eeuw.

Koepelgevangenissen

Een gevangenis anno 2010 ziet er totaal anders uit dan de beroemde koepels van Arnhem, Breda en Haarlem. Tegenwoordig is er ruimte om te werken en te recreëren. De gevangenen werken aan hun sociale contacten en dat is te zien aan de bouw. Er zijn niet alleen cellen, maar ook tal van andere ruimtes. En de cellen bevinden zich vaak in vleugels, zodat een overbuurman nooit ver weg zit. In de koepelgevangenissen die ruim een eeuw geleden gebouwd werden was het tegendeel de bedoeling, zegt Floor: ‘Het gevangeniswezen wilde vermijden dat ze onderling contact onderhielden. In vleugelgevangenissen zit je op vijf meter van de overkant. In een koepelgevangenis is dat 51 meter. Het concept stamt al uit de achttiende eeuw maar het is nooit veel toegepast. Het is uitzonderlijk dat in Nederland drie van die koepelgevangenissen staan.’ Floors onderzoek laat zien dat behalve de koepelgevangenissen ook andere inrichtingen duidelijk maken dat de politiek tussen 1870 en 1914 criminelen, bedelaars, landlopers, misdadige en verwaarloosde jongeren en psychiatrische patiënten het liefst in gesloten gestichten onderbracht, omdat hun ongewenste gedrag niet werd getolereerd.

Bouwcampagne

In de periode die Floor beschrijft werdenveel gerechtsgebouwen, rijksopvoedingsgestichten, tuchtscholen en andere justitiële inrichtingen gebouwd, omdat het rechtssysteem volgens de Grondwet van 1848 nog verder ontplooid moest worden. De wetten over de rechterlijke organisatie van 1875-1877, het Wetboek van Strafrecht (ingevoerd in 1886) en de Kinderwetten (inwerkingtreding in 1905) waren mijlpalen in die ontwikkeling. De onderzochte bouwactiviteiten zijn in verschillende opzichten vergelijkbaar met de justitiële bouwcampagne van een eeuw later, zegt Floor. ‘Aan het eind van de twintigste eeuw had je weer een bouwgolf, die ook weer samenhangt met een forse groei van het justitiële domein. Er zijn steeds meer rechtszaken en de gevangenissen van nu moeten aan heel andere eisen voldoen.’

Grandeur

Het is voor het eerst dat zo gedetailleerd onderzoek is gedaan naar de architectuur van met name Nederlandse gerechtsgebouwen, rijksopvoedingsgestichten en tuchtscholen. De belangstelling van Floor was gewekt in de periode dat hij zelf bij de rechtbank in Breda werkte. ‘Ik kwam regelmatig in verschillende rechtbanken en was getroffen door hun grandeur. Ik werd nieuwsgierig naar de achtergrond van de verschillen en overeenkomsten tussen die gebouwen.’ Floor stelde vast dat de Justitiegebouwen steeds ideeën weerspiegelden, over de maatschappelijke rol van de staat, over rechtspraak, detentie en heropvoeding, maar ook over architectuur. ‘Het was in de onderzochte periode een functionele architectuur, met een vormgeving die je eclectisch kunt noemen. Je ziet een vormentaal die op dat moment passend werd geacht voor de Justitiegebouwen. De rechtbanken, waarvan bijvoorbeeld die in Tiel, Zutphen, Breda en Rotterdam nog bestaan, hadden classicistische kenmerken, maar steeds vaker ook elementen van de neorenaissance. In de recentere rijksopvoedingsgestichten en de tuchtscholen waren elementen van de Chaletstijl te zien, met onder meer versierde dakranden. Die jeugdinrichtingen boden de ruimte om jongeren niet in aparte cellen, maar in groepen van vijftien op te vangen.’

Metzelaar

Dat de architectuur een zekere eenheid in vormgeving liet zien, hing ook samen met het feit dat Justitie vanaf 1870 een eigen bouwbureau had onder leiding van een ingenieur-architect in vaste dienst, die de gebouwen zelf ontwierp. Aanvankelijk was dat J.F. Metzelaar (1818-1897), in 1886 opgevolgd door zijn zoon W.C. Metzelaar (1848-1918). Het bouwbureau ging in de jaren 1922-1924 op in de Rijksgebouwendienst.

Curriculum vitae

Ros Floor (Vleuten, 1950) studeerde in 1974 af als socioloog. Later studeerde hij algemene cultuurwetenschappenaan de Open Universiteit Nederland (tot 2004). Hij publiceerde in 2009 een monografie over vader en zoon Metzelaar. Floor verrichtte zijn promotieonderzoek onder begeleiding van promotor prof.dr. A. van der Woud, aan de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werkt op dit moment als adviseur kwaliteit, planning en controlbij het Landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht. Van het proefschrift verschijnt een handelsedite bij Walburg Pers.

Meer informatie

Ros Floor, r.l.floor@kpnmail.nl

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:29
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws