Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

Onder aristocraten. Over hegemonie, welstand en aanzien van adel, patriciaat en andere notabelen in Nederland 1848-1914

24 mei 2012

Promotie: dhr. J.K.S. Moes, 14.30 uur, Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

Proefschrift: Onder aristocraten. Over hegemonie, welstand en aanzien van adel, patriciaat en andere notabelen in Nederland 1848-1914

Promotor(s): prof.dr. Y.B. Kuiper

Faculteit: Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschappen

Aristocraten hielden machtsposite in negentiende eeuw nog lang vast

Aristocraten waren in het ‘burgerlijke Nederland’ tussen 1848 en 1914 belangrijker dan over het algemeen wordt aangenomen. Dat blijkt uit onderzoek van promovendus Jaap Moes. Wat betreft macht, welstand en aanzien waren aristocratische families oververtegenwoordigd in de topgeleding van de samenleving. Nadat hun standsprivileges in de liberale grondwet van Thorbecke in 1848 waren geschrapt, pasten zij zich via politieke, economische en sociaal-culturele strategieën aan de veranderende omstandigheden aan, zonder hun collectieve identiteit te verliezen. Zo bleven zij tot de Eerste Wereldoorlog als een exclusieve sociale elite bestaan, naast de nieuwe welgestelde middenklasse en de verzuilde elites die het in Nederland voor het zeggen hadden gekregen.

Lang is verondersteld dat aristocratische families in de loop van de negentiende en twintigste eeuw opgingen in de zich emanciperende middenklasse. Maar was het in de negentiende eeuw wel zo burgerlijk als meestal wordt aangenomen? Of speelden aristocraten, gedefinieerd als adellijke en oude patricische families, een belangrijke rol in het publieke leven? Met deze vragen als startpunt heeft Moes de aristocratische families in Nederland tussen 1848 en 1914 vergeleken met de gegoede burgerij. Het jaar 1848 is als beginpunt gekozen. Toen verloren de aristocratische families hun grondwettelijke standsvoorrechten. Het eindpunt van het onderzoek ligt bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. Kort daarna kwam het algemeen kiesrecht en leek de aristocratische macht voorgoed tot het verleden te behoren.

In de periode 1848-1914 werden aristocratische families in Nederland geconfronteerd met enkele ingrijpende veranderingen. Er waren verschuivingen van platteland naar stad, van de agrarische sector naar industrie en dienstverlening. Tegelijkertijd brachten het liberalisme, de vrijhandel en later de industrialisatie de gegoede burgerij vanaf 1848 meer macht, welstand en aanzien. Vanaf de jaren 1880 daalde het pachtinkomen en de waarde van het vermogen van de aristocratische grootgrondbezitters door de grote agrarische crisis. Met de vrijwel gelijktijdige opkomst van moderne politieke partijen die een massa-aanhang gingen mobiliseren, ontstond zowel op het Binnenhof als daarbuiten een andere cultuur. De vraag is hoe de aristocratische families reageerden op deze maatschappelijke veranderingen. Moes laat zien hoe de oude, gezeten families met hun tijd meegingen en nog zeker een halve eeuw standhielden nadat hun constitutionele privileges waren afgeschaft.

Jaap Moes (Leiden, 1960) studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Hij promoveert aan de Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap van de RUG. Promotor is prof.dr. Yme Kuiper, die onder meer onderzoek doet naar elites.

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:41
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws