Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsNieuws en agendaNieuwsberichten

André de Hoogh: 'Zet ook druk op oppositie Syrië'

28 februari 2012

Er zijn geen helden en slechteriken in Arabische landen waar oproer is. Dat de realiteit complexer is die eenvoudige indeling, leert Libië.

André de Hoogh, docent internationaal recht Rijksuniversiteit Groningen

De situatie in Syrië vertoont veel gelijkenissen met die in Libië vorig jaar. In beide gevallen leidden demonstraties tot repressie door het regime. Daarna zijn vreedzame protesten omgeslagen in gewapend verzet. De fixatie van westerse politici en media op burgerdoden en regime change maakt de crisis tot een existentieel conflict. Wij menen dat één van de partijen schuld heeft: de regering. Wij steunen zonder enige kwalificatie de (gewapende) oppositie. Daarmee wordt echter een politiek compromis onmogelijk gemaakt.

Westerse politici en media laten zich meeslepen door hun eigen moralistische opvattingen over wie de helden en wie de slechteriken zijn: de (gewapende) oppositie tegenover de regering. Omverwerping van de regering vinden we belangrijker dan onderdrukking van burgers. Als het over burgerslachtoffers gaat, worden steevast de aantallen genoemd, maar de context wordt genegeerd.

Is er reden om terughoudend te zijn wanneer er zoveel onschuldige slachtoffers vallen? Jazeker. Allereerst wordt bij de burgerdoden geen onderscheid gemaakt tussen slachtoffers door toedoen van regeringstroepen, of door geweld van gewapende groepen die zich associëren met de demonstranten. Ten tweede worden de aantallen slachtoffers vaak gemeld door de oppositie, zonder dat ze geverifieerd kunnen worden door onafhankelijke waarnemers. Ten derde wordt niet verdisconteerd dat aan regeringszijde grote aantallen slachtoffers vallen, volgens de Syrische regering wel tweeduizend doden.

Daarmee is niet gezegd dat de autoriteiten in Syrië geen mensenrechten schenden. Een rapport van de Arabische Liga geeft echter een genuanceerd beeld en meldt het bestaan van een georganiseerde gewapende oppositie. Gezien de intensiteit van gewapende acties over en weer kan gesproken worden van een niet- internationaal gewapend conflict, waarop het internationaal humanitair recht van toepassing is. Burgers die actief deelnemen aan een gewapend conflict, verliezen daarmee hun bescherming en mogen als militair doel worden beschouwd. Dit kan dus een ander licht werpen op de acties van de Syrische regering.

Libië is een goed voorbeeld. Vorig jaar besloot het Internationaal Strafhof arrestatiebevelen te doen uitgaan tegen Moammar Kadafi, Saif al-Islam Kadafi en Abdoellah al-Senoessi vanwege hun betrokkenheid bij misdaden tegen de menselijkheid. Het valt op dat de aanklacht zich beperkte tot de periode van 15 tot 28 februari. Daarna achtte men blijkbaar dat niet langer sprake was van een systematische aanval op de burgerbevolking. Daarnaast heeft de aanklager geen oorlogsmisdaden ten laste gelegd en zo impliciet aanvaard dat de meeste slachtoffers burgers waren die actief deelnamen aan het conflict.

In een gewapend conflict kunnen burgerdoden vallen zonder dat dit verwijtbaar is. Daarvan is sprake indien bij een aanval op een militair doel burgerslachtoffers vallen, mits het aantal slachtoffers niet excessief is ten opzichte van het concrete militaire voordeel dat wordt verwacht. Dit wordt vaak eufemistisch collateral damage genoemd.

De huidige situatie in Libië, met een veelheid aan concurrerende milities, dwingt ons tot terughoudendheid in Syrië, gezien de versnippering van het (gewapende) verzet. Een constructieve benadering van de crisis vereist dat de druk niet alleen op president Assad wordt opgevoerd, maar juist ook op het verzet. In plaats van inzetten op regime change zou bevriezing van het conflict en een geleidelijke overgang naar democratie en een rechtsstaat het doel dienen te zijn. Niet alleen de Syrische regering, maar ook het verzet zal tot concessies bewogen moeten worden.

Gepubliceerd in Trouw , dinsdag 28 februari 2012
Laatst gewijzigd:06 juli 2018 09:00

Meer nieuws