Skip to ContentSkip to Navigation

De politiek-bestuurlijke sensitiviteit van het WODC

Opinie prof. dr. Caspar van den Berg
11 december 2017
Caspar van den Berg
Caspar van den Berg

Het politieke nieuws werd deze week gedomineerd door onthullingen van Nieuwsuur over politieke inmenging bij onderzoeken van het WODC, het onafhankelijke wetenschappelijk onderzoeksinstituut van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Uit een uitgelekte interne klacht van een senior-WODC-onderzoeker kwam naar voren dat ambtenaren van het ministerie op verschillende manieren bij onderzoeksprojecten succesvol druk hebben uitgeoefend op het WODC om onderzoeksuitkomsten te veranderen. Dit zodat het beleid van de minister als zeer geslaagd uit de bus zou komen, en andere beleidsopties als onwenselijk, terwijl de werkelijkheid anders was.

De onthullingen komen op het moment dat het ministerie net weer de weg naar boven had gevonden na de pijnlijke bonnetjesaffaire die leidden tot het aftreden van twee ministers, een staatssecretaris en de secretaris-generaal. Nieuwe bewindspersonen en een nieuwe secretaris-generaal hadden symbool kunnen staan voor een nieuwe cultuur en herwonnen integriteit, maar die koers wordt door de nieuwe affaire doorkruist. De geschonden geloofwaardigheid van het ministerie is niet alleen ernstig vanuit een procedureel-rechtstatelijk perspectief (politieke en ambtelijke manipulatie van wetenschappelijk onderzoek gaat tegen alle normen, regels en wetten op dit gebied in), maar ook vanuit inhoudelijk-beleidsmatig perspectief, omdat WODC-rapporten de basis zijn van veel justitie- en veiligheidsbeleid. Bovendien heeft het parlement hierdoor zijn wetgevende en controlerende taken op basis van twijfelachtige informatie moeten vervullen, wat in een parlementaire democratie per definitie een politieke doodzonde is.

Eén van de ontluisterende aspecten van de affaire is de onomwondenheid waarmee ambtenaren het WODC onder druk zetten. Ambtenaren worden geacht responsief te zijn aan de politieke koers van hun minister, maar zij worden daarin vanzelfsprekend beperkt door de vastgelegde regels: in het werk van onafhankelijke wetenschappelijk instituten meng je je niet. Dat ambtenaren zich desondanks vrij voelden om in e-mails ronduit te stellen dat “sturing vereist is”, en dat met bepaalde conclusies “niet ingestemd kon worden”, geeft aan dat de betreffende ambtenaren hun eigen gedrag als normaal en geoorloofd zagen. Dat is verontrustend omdat deze ambtenaren hiermee blijkgeven van een kennelijke mentaliteit waarbij politiek ingrijpen en het ombuigen van de wetenschappelijke feiten om de minister uit de wind te houden, gezien worden als onderdeel van het normale ambtelijke werk.

De afgelopen jaren lijkt op verschillende plekken binnen de rijksoverheid (maar ook op het lokale niveau) een bijzondere interpretatie van het begrip politiek-bestuurlijke sensitiviteit te zijn ontstaan. Politiek-bestuurlijke sensitiviteit in de goede zin des woords draait om het inlevingsvermogen van de ambtelijk adviseur in de politieke dimensie van de eigen taken en verantwoordelijkheden. In je advisering houd je rekening met de politieke verhoudingen, haalbaarheid en valkuilen van het beleid, en voor de minister als verantwoordelijke voor dat beleid. Dit houdt bijvoorbeeld ook in dat ambtenaren constructieve tegenspraak leveren: alternatieve beleidsscenario’s uitwerken en tegenargumenten geven bij het voorkeursbeleid van de minister, zodat de minister een weloverwogen besluit kan nemen en gewapend is tegen tegengas uit het parlement en de samenleving. Als een minister slim is, moedigt hij zijn ambtenaren aan om hem tegen te spreken, en zo de eigen argumenten te toetsen en aan te scherpen.

Onder de toegenomen politieke turbulentie, media-monitoring en transparantie-regimes, is de druk op bewindspersonen om hun politieke agenda daadkrachtig en zonder haperen te verwezenlijken, sterk gestegen. Ministers opereren in een assertievere en soms vijandige omgeving, en die druk sijpelt door onder ambtenaren. Wetenschappelijke en juridische feiten die het gewenste beleid niet ondersteunen, worden dan slechts gezien als lastige obstakels die uit de weg moeten. Zo wordt onder de noemer van politiek-bestuurlijke sensitiviteit steeds meer normaal gevonden. De WODC-casus laat zien het niet gaat om stiekem gedrag of om bewust over de schreef gaan, maar om een geleidelijk verschuivende collectieve normopvatting. Het is te hopen dat de WODC-onthullingen het debat hierover op gang brengen.

Caspar van den Berg is hoogleraar Global and Local Governance aan de Campus Fryslân van de Rijksuniversiteit Groningen. Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek naar het functioneren van politiek en bestuur is één van de pijlers van deze nieuwe faculteit.

Laatst gewijzigd:14 december 2017 10:18
printOok beschikbaar in het: English

Meer nieuws