Skip to ContentSkip to Navigation
Over onsFaculteit der LetterenOrganisatieLetteren & Samenleving

Papa fume une pipe of Bonjour tout le monde!

Er zijn verschillende methoden om op school een vreemde taal te leren. Vroeger werd er vaak veel vertaald, gestampt en weinig gesproken. Tegenwoordig zijn de methoden veel communicatiever met luister-, spreek- en schrijfopdrachten. Voor het Frans is er zelfs een methode waarin vanaf dag 1 alleen maar Frans wordt gesproken, ondersteund met gebaren (AIM). Maar welke methode is nu het meest effectief? Hoe werkt het in de praktijk? En wat is het meest motiverend voor leerlingen? Taalwetenschapper Audrey Rousse-Malpat volgde voor haar promotieonderzoek drie jaar lang intensief 305 Nederlandse leerlingen die Audreys moedertaal onder de knie proberen te krijgen.

Audrey vindt het belangrijk dat onderzoek in de praktijk plaatsvindt
Audrey vindt het belangrijk dat onderzoek in de praktijk plaatsvindt

Start vanuit de vraag van een school

Het onderzoek startte met een vraag van een school die in 2009 bij de wetenschapswinkel Taal, Cultuur en Communicatie binnenkwam. Deze school had bij wijze van experiment voor een paar klassen de nieuwe AIM-methode ingevoerd, wat leidde tot veel vragen en discussie over de effectiviteit bij ouders en docenten. Halen leerlingen met AIM wel voldoende niveau, als ze later starten met lezen en schrijven en de grammatica niet zo expliciet uitgelegd krijgen? Is het werkelijk motiverender voor leerlingen? In dit project volgden drie studenten, waaronder Audrey, een half jaar lang twee AIM-klassen en twee parallelklassen die werkten met een traditionelere methode (met expliciete grammatica maar minder gesproken Frans). In het eindrapport konden ze de school een gedegen beeld en advies geven. Maar Audrey bleef nieuwsgierig hoe het op langere termijn zou werken en op andere scholen. “Taal leren is een langdurig proces, het gaat met vallen en opstaan, daarom moet je leerlingen over een langere periode volgen. Anders kun je er eigenlijk niet zoveel van zeggen. Helaas gebeurt dat veel te weinig.”, merkt Audrey hierover op.

Samenwerking vraagt flexibiliteit en persoonlijk contact

Het zal dus ook geen verwondering wekken dat Audrey drie jaar lang dezelfde leerlingen op zes scholen volgde in haar promotietraject. Ze verzamelde 1800 schrijfopdrachten en nam 460 mondelinge tests af. Om de motivatie te kunnen meten, was er ook twee keer per jaar een enquête. Een enorme hoeveelheid informatie, waarin veel te ontdekken valt. Maar om dat te verzamelen heb je wel de medewerking van anderen nodig. Hoe ging dat?

“Ik had natuurlijk al een start gemaakt tijdens mijn studie en contacten gelegd met docenten en scholen. De docenten in mijn promotieonderzoek doen op vrijwillige basis mee, omdat ze ook graag willen weten hoe kinderen het beste Frans leren. Maar ze sleepten natuurlijk ook hun collega’s en leerlingen mee, die daar niet om hadden gevraagd. Daarom moet je als onderzoeker flexibel zijn. Ik realiseerde me dat leraren en leerlingen andere prioriteiten hebben en dat ik extra dingen van hun vroeg. Het is belangrijk om in contact te blijven en te zorgen dat ze iets positiefs terugkrijgen voor hun inspanningen. Zo heb ik een wedstrijd uitgeschreven voor het beste verhaal, filmpjes gestuurd met persoonlijke boodschappen voor o.a. kerst en gezorgd voor cadeautjes en snoep. De docenten zeiden vaak tegen de leerlingen, jullie doen dit natuurlijk voor de wetenschap, maar ook een beetje voor Audrey! Voor de scholen heb ik na het eerste jaar een rapport gemaakt met de resultaten Daarna ben ik wat vager geworden. Ik wilde het onderzoek niet te veel beïnvloeden en natuurlijk ook niet dat ze afhaakten omdat bijvoorbeeld hun resultaten tegenvielen. Maar ik zie tot nu toe dat de AIM-klassen vaak beter scoren. Ik denk dat het komt omdat de methode het gemakkelijk maakt om Frans te spreken in de les. En dat helpt echt!”

De mondelinge taalvaardigheid van leerlingen wordt speels getoetst
De mondelinge taalvaardigheid van leerlingen wordt speels getoetst

Nooit vergeten wat er gebeurt in een klaslokaal

Eén school stopte trouwens gedurende het project met de AIM-klassen. Audrey besloot deze leerlingen toch te blijven volgen. “Het was niet volgens mijn oorspronkelijke opzet, maar zulke dingen gebeuren in een echte setting en het is eigenlijk ook heel interessant om te zien wat voor effect zoiets heeft. Veel taalwetenschap vond tot voor kort plaats in gecontroleerde laboratorium settings. Handig, maar zo werkt het natuurlijk niet in de praktijk. Ik zit regelmatig achterin de klas om te kijken wat er gebeurt en dan zie ik weer hoe allerlei persoonlijke, sociale en praktische factoren ook een rol spelen in de les. De docent verontschuldigt zich bijna altijd voor dat soort dingen. Maar ik weet heel goed dat de perfecte klas en de perfecte les alleen op papier bestaan. Ik mag als onderzoeker niet vergeten wat er gebeurt in een klaslokaal, want dan verliest mijn onderzoek haar waarde.”

Praktisch toegankelijk en bruikbaar maken

Audrey vindt het belangrijk dat haar resultaten toegankelijk zijn voor een breed publiek. Ze bouwt met docent Frans en collega-onderzoeker Wim Gombert aan de website www.projectfrans.nl en de resultaten komen ook in een laatste rapport voor ouders. “Ik merk ook dat leraren vaak kritisch zijn over wetenschap. Ze voelen een afstand, ze hebben geen toegang tot wetenschappelijke kennis en kunnen geen gebruik maken van inzichten. En ik moet zeggen, ze hebben ook vaak gelijk!” Daarom werkt Audrey ook aan het praktisch bruikbaar maken van de kennis die ze heeft opgedaan. “Ik ben in korte tijd een expert geworden en merk dat er veel vragen leven onder leraren. Op onze website willen we onze onderzoeksresultaten presenteren, maar ook met docenten ideeën uitwisselen over het vak Frans in Nederland en lesmateriaal aanbieden. Sinds een jaar geef ik ook workshops met concrete adviezen over hoe je AIM kunt introduceren. Maar ook over hoe je met een traditionelere methode goede effecten kunt bereiken. Waar het dus om gaat is dat het Frans ook echt de voertaal is in de les, dan zie je kinderen vooruitgaan. Maar ja, dat blijkt voor veel leraren gemakkelijker gezegd dan gedaan. Samen proberen we te zoeken naar mogelijkheden om dat te realiseren, en mijn resultaten geven hen daarbij een steun in de rug.”

Laatst gewijzigd:15 september 2017 15:09