Circulatory-dead donor lungs: evaluation of different management strategies

Circulatiedode donorlongen: evaluatie van verschillende behandelingsstrategieën
Longtransplantatie blijft de laatste therapeutische optie voor patiënten met eindstadium longziekte; de bredere toepassing ervan wordt echter beperkt door het aanhoudende tekort aan geschikte donororganen. In deze context vormen longen afkomstig van donoren na circulatoire dood (donation after circulatory death, DCD) een relevante strategie om de donorpool uit te breiden. Niettemin worden DCD-longen onvermijdelijk blootgesteld aan een periode van warme ischemie (WI), wat het transplantaat vatbaar maakt voor ischemie–reperfusieschade en de post-transplantatie-uitkomsten negatief kan beïnvloeden. Het verbeteren van het veilige gebruik van DCD-longen vereist daarom een beter inzicht in de onderliggende letselmechanismen en de evaluatie van gerichte managementstrategieën.
Dit proefschrift van Mayara Munhoz De Assis Ramos had tot doel verschillende benaderingen te onderzoeken om de kwaliteit van DCD-donorlongen te optimaliseren. Eerst werd een systematische review uitgevoerd om experimentele ratmodellen van DCD-longdonatie te karakteriseren, met aandacht voor methodologische aspecten zoals de wijze van circulatiestilstand, de duur van WI en perfusiestrategieën. De review toonde aanzienlijke heterogeniteit tussen de modellen, met name wat betreft de agonale fase en de doodsoorzaak, wat vragen oproept over de reproduceerbaarheid en klinische relevantie. Daarnaast maakten geen van de studies gebruik van in situ longperfusie; de meeste waren uitsluitend gebaseerd op ex vivo technieken.
De daaropvolgende experimentele studies in kleine en grote diermodellen evalueerden de effecten van ventilatie die onmiddellijk na circulatiestilstand werd gestart en tijdens WI werd gehandhaafd. In beide modellen leidde ventilatie tijdens WI niet tot functionele verbetering en ging deze gepaard met verhoogde apoptotische activiteit en opregulatie van inflammatoire genen. Deze bevindingen suggereren dat het ontbreken van ventilatie, zoals bij ongecontroleerde DCD-donoren, de levensvatbaarheid van de long niet noodzakelijkerwijs compromitteert.
Ten slotte werd, gezien de erkende geslachtsgerelateerde verschillen in ischemie–reperfusieschade en de gerapporteerde beschermende effecten van oestrogenen, het therapeutisch potentieel van 17β-oestradiol (E2), inclusief mogelijke nano-gebaseerde toedieningssystemen, onderzocht. De E2-behandeling werd getest tijdens de preservatie van DCD-longen. Hoewel in ratmodellen bescheiden histologische verbeteringen en een verhoogde VEGF-expressie werden waargenomen, leidde E2 niet tot verbetering van functionele of metabole parameters in een schapenmodel met ex vivo longperfusie en werden inflammatoire en apoptotische pathways niet consistent gemoduleerd. In het geheel ondersteunen deze resultaten de verdere verfijning van DCD-donormanagementstrategieën en benadrukken zij de centrale rol van ex vivo longperfusie voor evaluatie en reconditionering van het transplantaat.