Wat voor beelden roepen onze woorden op?

Door: Demian Vos
Hans Wilke is universitair docent taalbeheersing en hij houdt zich in zijn onderzoek bezig met hoe wij taal verwerken in ons hoofd. Zijn onderzoek bevindt zich op het snijvlak van de taalkunde en psychologie. De afgelopen jaren leidde die interesse hem naar het onderzoek naar de verwerking van rolnaamwoorden: denken wij bij het woord ‘directeurs’ aan een groep mannen of vrouwen?
Oude en nieuwe informatie
Als je iemand iets duidelijk wil maken, dan moet je rekening houden met wat de ander al weet en wat nieuw voor diegene is. Je herkent het wel als je denkt aan verhalen die mensen vertellen. Je kunt iemand vaak beter volgen als die eerst even een situatie of persoon introduceert die je kent, en dan daarover iets nieuws vertelt. In zinnen doe je dat, bewust of onbewust, vaak ook. Je koppelt nieuwe informatie aan bekende informatie en zet belangrijke informatie eerder aan het eind van een zin of in een nieuwe hoofdzin. Wilke onderzoekt of dit soort ‘informatiestructuren’ ook makkelijker te verwerken zijn dan alternatieve zinnen en teksten. Dat doet hij met experimenten, voornamelijk self-paced reading taken. “Proefpersonen zitten voor een scherm waar een tekst woord-voor-woord wordt gepresenteerd. Met een druk op de spatiebalk kan de proefpersoon door naar het volgende woord. Op die manier weten we hoe snel de proefpersoon ieder woord verwerkt, en dus ook welke delen van een zin/tekst moeilijker te verwerken zijn.
In het bijzonder onderzocht Wilke ‘uitbreidende relatieve bijzinnen’. Die vind je bijvoorbeeld in het volgende voorbeeld: "Mijn vader, die een snack aan het eten was, opende een fles wijn voor mijn oom. Het was een kaasplankje met druiven." Het verwijst hier naar een snack, terwijl die helemaal zit ‘weggestopt’ in een bijzin. De fles wijn uit de hoofdzin zit er nog tussen. Je verwacht dat proefpersonen dit lastig vinden om te verwerken. Er bleek inderdaad een verschil te zitten in hoe gemakkelijk verschillende soorten zinnen te verwerken waren: “Lezers vinden het fijner als je terugverwijst naar iets dat niet is weggestopt in een bijzin, maar in de hoofdzin staat. Ook toonde het onderzoek aan dat het gemakkelijker is als belangrijke informatie achterin de zin staat. De volgende zin is daarom makkelijker te verwerken: ‘Mijn vader, die een fles wijn opende voor mijn oom, was een snack aan het eten. Het was een kaasplankje met druiven." Het klinkt heel logisch, maar het is van belang om je bewust te zijn van dit soort verschillen. Dan kun je ervoor zorgen dat je boodschap beter overkomt op je lezers.
Studenten of studentes?
De laatste aantal jaren houdt Wilke zich bezig met het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke rolnaamwoorden, zoals studenten en studentes. Het idee hiervoor kwam niet uit zijn bezigheden in de wetenschap, maar uit discussies aan de keukentafel: “Mijn partner heeft het Frans en Engels als moedertaal. In het Frans gebruik je voor een groep vrouwelijke studenten de vorm étudiantes, en voor een gemengde of mannelijke groep de vorm étudiants. In het Nederlands kan je voor een groep vrouwen ook de mannelijke vorm studenten gebruiken. Dat vond hij maar vreemd.”
Hoewel Wilkes eerste reactie was dat de mannelijke vorm studenten gewoon ‘de neutrale vorm’ was, besloten ze dit te onderzoeken door een experiment uit te voeren: hoe mannelijk/vrouwelijk is die ‘neutrale’ vorm in het Nederlands? Ze lieten een groep proefpersonen een tekst lezen over een groep studenten, terwijl een andere groep proefpersonen een tekst lazen met een zogeheten ‘dubbelvorm’: een groep studenten en studentes. Vervolgens vroegen ze de proefpersonen uit hoeveel mannen/vrouwen ze dachten dat de groep bestond.
Bij zo’n dubbelvorm (studenten en studentes) bleken proefpersonen gemiddeld vaker te denken dat het om een groep ging die voor 50% uit vrouwen en 50% uit mannen bestond. De mannelijke, ‘neutrale’ vorm werd echter een stuk mannelijker ingeschat. Dat resultaat is belangrijk: woorden die wij wellicht als ‘neutraal’ beschouwen, hebben onbedoeld tóch invloed op het beeld dat mensen vormen.
Stereotype
Het lastige aan het meten van verwachtingen rondom gender is dat bepaalde rolnaamwoorden al een bepaald stereotype bevatten, en dus al mannelijker of vrouwelijker worden ingeschat, onafhankelijk van de talige vorm. Om ook dat effect mee te nemen, onderzoekt Wilke ook wat voor beeld mensen hebben bij bepaalde rolnaamwoorden: “Het woord babysitter associëren we vaker met vrouwen, terwijl het woord admiraal vaker met mannen wordt geassocieerd. Dat kan ook per taal verschillen: in het Nederlands heeft verzorger een vrouwelijk stereotype, terwijl dat bij het Engelse caretaker minder het geval is.”
Overal om ons heen
De manier waarop wij groepen benoemen kan dus onbewust bepalen wat lezers/luisteraars voor zich zien. Je moet dus kijken hoe je ervoor kan zorgen dat iedereen zich aangesproken voelt. Sinds Wilke zich met dit onderwerp bezighoudt, valt hem op dat hij het overal terugziet: “In veel juridische documenten binnen de universiteit wordt er naar een student verwezen met het mannelijke persoonlijk voornaamwoord hij en het bezittelijk voornaamwoord zijn. Dat valt makkelijk op te lossen door het te vervangen door die en diens. Ook zijn er nog een aantal vastgeroeste mannelijke vormen in gebruik, zoals promovendus of promotor. Daar kunnen we misschien een alternatief voor bedenken.” Met zijn taalkundige achtergrond hoopt Wilke een bijdrage te kunnen leveren aan dat gesprek.
Naar de medewerkerspagina van Hans Wilke