Symposium 20 november 2025: De gedragswetenschapper en de ongehuwde moeder

De Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956-1984 (CBAA) heeft in juni 2025 haar rapport aan de staatssecretaris aangeboden. Ze deed in opdracht van de overheid onderzoek naar de duizenden pasgeboren kinderen die in de eerste naoorlogse decennia zijn afgestaan. Ongehuwde vrouwen kregen weinig mogelijkheden hun kind bij zich te houden. De gevolgen hiervan voor de afgestane kinderen en de afstandsmoeders zijn groot en duren tot de dag van vandaag voort.
Tijdens dit symposium besteden we bijzondere aandacht aan de rol van de gedragswetenschapper: welke adviezen gaven professionals als psychologen, psychiaters en maatschappelijk werksters, hoe veranderden die in de loop van de tijd en welke invloed heeft dit op de ongehuwde moeders gehad?
De keynote wordt gegeven door Paul Schnabel, biograaf van Kees Trimbos (1920-1988), die als psychiater een belangrijke rol in dit dossier speelde.
Programma
12:45 Inloop
13:00 John Exalto (ADNG/RUG): Opening
13.15 Micha de Winter (Universiteit Utrecht; voorzitter CBAA) over het CBAA-rapport
13:35 Paul Schnabel (Universiteit Utrecht/Sociaal en Cultureel Plan bureau) over psychiater Kees Trimbos en het ongehuwd moederschap
14:20 Pauze
14:45 Liselotte Postma (Erasmus Universiteit Rotterdam) over het juridische kader van afstand en adoptie
15.05 Panelgesprek met CBAA-onderzoekers Evelien Walhout, Luc Brants en Anton van Renssen
15.30 Reactie van Lieselot de Wilde (Universiteit Gent)
15:50 Myrthe Buitenhuis (NPO) over haar documentaire “Peter en Erik''
16:15 Borrel
Aanmelden:
aanmelden via: adng rug.nl
toegang gratis
De hoogleraren Paul Schnabel en Micha de Winter zijn eerder geïnterviewd in het ADNG-oral history project. Zie https://www.rug.nl/gmw/adng/oral-history/
Verslag van het Symposium:
De gedragswetenschapper en de ongehuwde moeder: verslag van een symposium. Roelie Kuijpers
Aan de Rijksuniversiteit Groningen werd op 20 november 2025 het symposium 'De gedragswetenschapper en de ongehuwde moeder' georganiseerd door het ADNG Erfgoedcentrum voor de Nederlandse Gedragswetenschappen. Aanleiding voor dit symposium was het in juni 2025 verschenen onderzoeksrapport Schade door schande over binnenlandse adoptie in Nederland tussen 1956 en 1984. In deze naoorlogse periode stonden duizenden ongehuwde moeders hun kind af, vaak onder grote druk van ouders, gedragswetenschappers en de samenleving. In het onderzoeksrapport constateert de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956-1984 (CBAA) onder leiding van Micha de Winter dat betrokkenen ingrijpende en langdurige schade is berokkend en wordt bepleit om het onderwerp ‘afstand en adoptie’ in de Canon van Nederland op te nemen, opdat deze misstand door toekomstige generaties niet vergeten wordt.
Tijdens het symposium stond de rol van gedragswetenschappers in de praktijk van afstand en adoptie in de eerste naoorlogse decennia centraal. Welke adviezen gaven professionals als psychologen, psychiaters en maatschappelijk werksters aan ongehuwde moeders en door welke theorieën uit de twintigste-eeuwse psychologie lieten zij zich bij hun adviesvorming leiden? Veranderden hun adviezen in de loop der tijd en welke gevolgen had hun ingrijpen in het leven van betrokkenen? Sprekers waren Micha de Winter, Paul Schnabel en Liselotte Postma. Daarnaast werd het panelgesprek gevoerd door Evelien Walhout, Luc Brants en Anton van Renssen. Het symposium werd afgesloten met de documentaire ‘Peter en Erik’ van Myrthe Buitenhuis. Hieronder vindt u een korte samenvatting van alle bijdragen.
Een perfecte storm
De Utrechtse emeritus-hoogleraar pedagogiek Micha de Winter leidde het onderzoek naar de ervaringen van afstandsmoeders en hun geadopteerde kinderen. In zijn bijdrage op het symposium besprak De Winter de belangrijkste bevindingen van het rapport Schade door schande, waarbij hij zich specifiek richtte op twee vragen: hoe kon het dat ongehuwde moeders nauwelijks mogelijkheden hadden om hun kind bij zich te houden en wat waren de ervaringen en gevolgen van afstand doen en adoptie voor hen en andere betrokkenen?
Op basis van archiefbronnen en persoonlijke getuigenissen schetste De Winter een 'perfecte storm'; van factoren die de gangbare praktijk mogelijk maakte. Hij liet zien hoe in het naoorlogse Nederland strenge opvattingen over seksualiteit en moederschap, in combinatie met de verzuilde structuur van de hulpverlening (met negentien verschillende raden voor de kinderbescherming), ongehuwde moeders in een uiterst kwetsbare positie brachten. De invoering van de Adoptiewet in 1956 die adoptie legaal maakte, speelde hierbij een belangrijke rol: hoewel bedoeld ter bescherming van kinderen, droeg de wet er in de praktijk aan bij dat adoptie werd gezien als een sociaal aanvaarde manier om de ‘schande’ van ongehuwd moederschap te verhullen.
Uit de interviews met betrokkenen kwam een terugkerend ‘filmscript’ naar voren: een geschiedenis die nooit afgesloten raakte, een blijvend taboe in de familie, eenzaamheid, schaamte en vooral een gebrek aan regie of het gevoel gehoord te worden. De schade voor betrokkenen was enorm. Gedragswetenschappers speelden een ambivalente rol: sommigen pleitten voor meer oog voor de positie van ongehuwde moeders, maar velen volgden en versterkten de dominante norm: het belang van het kind werd boven dat van de moeder gesteld, ook wanneer die moeder zelf nog niet volwassen was. Psychologen en psychiaters, sterk beïnvloed door de hechtingstheorie van de Britse psychiater John Bowlby, waren ervan overtuigd dat een ongehuwde moeder geen veilige hechting kon bieden en dat een kind daarom moest worden ondergebracht in een ‘normaal’ gezin.
De Winter concludeerde dat de verantwoordelijkheid voor deze misstand toebehoort aan de Nederlandse overheid, de samenleving, de instellingen en gedragswetenschappers.
Rijp voor het moederschap
Waar De Winter de structurele en historische context schetste, richtte keynotespreker Paul Schnabel, universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht, zich op één gedragswetenschapper in het bijzonder: psychiater Kees Trimbos aan wiens biografie hij momenteel werkt. Schnabel ging in op Trimbos’ ideeën over ongehuwd moederschap en liet zien hoe sterk ook hij werd beïnvloed door onder meer Bowlby’s hechtingstheorie.
Trimbos begon na de oorlog als psychiater binnen de katholieke geestelijke gezondheidszorg. In die praktijk kreeg hij te maken met andere vraagstukken dan waarvoor hij was opgeleid: niet de klassieke psychiatrische problematiek van schizofrenie of ernstige depressies, maar de leef- en gezinsproblemen van ‘gewone’ mensen. Om met deze nieuwe problematiek om te gaan, pleitte Trimbos voor multidisciplinariteit in de hulpverlening: samenwerking tussen psychiater, psycholoog en maatschappelijk werker, met daarbij aandacht voor casework en de bredere sociale context van een cliënt. Tegelijkertijd bewoog hij zich binnen een sterk verzuilde geestelijke gezondheidszorg waarin confessionele instellingen hun zelfstandige positie wilden behouden. Trimbos verzette zich daarom tegen directe overheidsinterventies in dit stelsel.
Vanuit deze praktijkervaring ontwikkelde Trimbos ook zijn ideeën over ongehuwd moederschap. Het huwelijk zag hij als randvoorwaarde voor ‘rijp’ moederschap, waardoor ongehuwde moeders per definitie als ongeschikt werden beschouwd om een kind op te voeden. Sterk beïnvloed door Bowlby’s ideeën over hechting betoogde Trimbos dat kinderen zo snel mogelijk uit de ‘onstabiele’ situatie van een ongehuwde moeder moesten worden weggehaald en ondergebracht in een ‘normaal’ gezin.
Schnabel liet zien dat Trimbos niet empirisch geschoold was: hij baseerde zijn ideeën onder meer op onderzoek waaruit bleek dat ongehuwde moeders vaak uit sociaal zwakke milieus kwamen en trok daaruit de generaliserende conclusie dat ongehuwd moederschap vooral voortkwam uit een ‘problematische’ sociale achtergrond. Die achtergrond zou vervolgens worden doorgegeven aan het kind. Afstand doen werd zo gezien als een manier om de intergenerationele overdracht van deze ‘problematiek’ te doorbreken.
Volgens Schnabel reflecteert Trimbos’ denken het psychologische klimaat van de jaren vijftig: een overwaardering van nurture boven nature, de overtuiging dat opvoeding vrijwel allesbepalend is voor de ontwikkeling van een kind en een sterke focus op het ‘belang van het kind’. Hierdoor raakte de stem van de moeder vrijwel volledig op de achtergrond.
Niet-rechtsgeldige afstandsdossiers
Liselotte Postma, universitair docent strafrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, ging in haar bijdrage in op het juridische kader waarbinnen afstand en adoptie tussen 1956 en 1984 plaatsvonden. Zij schetste hoe de Adoptiewet van 1956, die ook in het onderzoeksrapport van De Winter centraal staat, adoptie expliciet definieert als een maatregel van de kinderbescherming. Voor die tijd hadden pleegouders een zwakke rechtspositie: zij konden een pleegkind niet hun geslachtsnaam geven en biologische ouders konden het kind in principe nog terugeisen. De Adoptiewet verstevigde de positie van adoptieouders aanzienlijk; wanneer de rechter adoptie toekende, werden de juridische banden met de biologische ouders verbroken en was de beslissing in de meeste gevallen onherroepelijk. Postma benadrukte in haar lezing dat de procedure van afstand doen van een kind zelf nooit wettelijk is geregeld. De afstandsverklaringen die vrouwen in zorginstellingen vaak onder grote druk moesten ondertekenen, hadden daardoor geen rechtsgeldige status. Zij concludeerde dat de wetgever formeel handelde ‘in het belang van het kind’, maar dat de ongehuwde moeder in dit wettelijke systeem vrijwel onzichtbaar bleef.
Toekomstig onderzoek naar de rol van de gedragswetenschapper
Voor het historische deel van het onderzoek werkte de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956-1984 (CBAA) nauw samen met de historici Evelien Walhout, Luc Brants en Anton van Renssen, die bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis waren gestationeerd. Deze drie onderzoekers reflecteerden tijdens het panelgesprek op een drietal vragen: hoe komt in het rapport de gedragswetenschapper naar voren, hoe verschijnt de gedragswetenschapper op het niveau van instellingen en hoe kunnen onderzoekers in toekomstig onderzoek deze groep beter in beeld krijgen? Walhout ging in op de manier waarop gedragswetenschappers zichtbaar werden in de historische bronnen. In afstands- en adoptiedossiers viel volgens haar vooral de sterk normatieve taal op die gedragswetenschappers gebruikten over ongehuwde moeders. In veel dossiers wordt de moeder getypeerd als “nerveus”, “labiel”, “neurotisch” of “sneu”.
Brants en Van Renssen lieten zien hoe gedragswetenschappers op instellingsniveau functioneerden, onder meer in Huize Pella in Zetten en Huize De Bocht in Tilburg. In deze tehuizen hadden professionals vaak een grote persoonlijke invloed en maakten deel uit van multidisciplinaire teams. Vanuit dergelijke instellingen werd ook veel geadopteerd, waarbij ongehuwde moeders vaak werden gezien als “seksueel ontspoord”. Tot slot wezen de panelleden op lacunes in het huidige onderzoek. Walhout benadrukte dat oral history tot nu toe vooral is toegepast op direct betrokkenen, terwijl het ook waardevol zou kunnen zijn om deze toe te passen op gedragswetenschappers. Het bestuderen van hun leermateriaal, lesboeken, stageverslagen en scripties zijn eveneens nog onbestudeerde bronnen die tot interessante aanvullende inzichten over gedragswetenschappers kunnen leiden. Brants en Van Renssen voegden daaraan toe dat ook de rol van de religieuze congregaties die in veel tehuizen een centrale plaats innamen, nog onvoldoende is onderzocht.
‘Playing God’
Documentairemaakster Myrthe Buitenhuis (NPO) sloot het symposium af met een casus die het leed van de naoorlogse binnenlandse adoptiepraktijken scherp in beeld bracht en duidelijk maakte hoe groot de invloed van gedragswetenschappers soms is geweest. Zij volgde in haar documentaire de zoektocht van de tweelingbroers Peter en Erik die wilden weten waarom zij als baby’s van elkaar werden gescheiden en in verschillende gezinnen werden geplaatst. Het officiële beleid was immers om tweelingen samen bij een adoptiegezin te plaatsen en het was ook de uitdrukkelijke wens van hun moeder. Uit de notulen van de plaatsingscommissie blijkt dat één gedragswetenschapper de scheiding van de broers heeft doorgedrukt. Deze heer Koster beriep zich hoogstwaarschijnlijk op psychoanalytische ideeën waarin werd gesuggereerd dat de identiteitsontwikkeling van tweelingen onder druk zou komen te staan wanneer zij te veel als ‘één geheel’ werden gezien. Er was echter nauwelijks empirische onderbouwing voor de opvatting. Buitenhuis sprak in dit verband over de rol van gedragswetenschappers als 'playing God' het nemen van ingrijpende en onomkeerbare beslissingen die levenslopen bepaalden zonder dat de betrokken moeders en hun kinderen werden gehoord.
Waaardevolle schenking
Een bijzonder moment tijdens het symposium werd gemarkeerd door de Amsterdamse emeritus-hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Frits Boer: hij droeg zijn door de jaren heen opgebouwde literatuurcollectie over broer-zusrelaties over aan het ADNG-erfgoedcentrum. Vice-decaan Hilda Amsing nam symbolisch het eerste boek in ontvangst. Met deze schenking wordt deze literatuur toegankelijk voor studenten en onderzoekers.
Conclusie
Het symposium maakte duidelijk hoe de binnenlandse praktijk van afstand doen en adoptie van kinderen in de naoorlogse periode onlosmakelijk verbonden is geweest met een verzuilde samenleving waarin conservatieve opvattingen over seksualiteit en moederschap domineerden. Adoptie werd veelal gezien als een manier om ‘schande’ te voorkomen. Gedragswetenschappers, sterk beïnvloed door toonaangevende denkkaders in de psychologie zoals de hechtingstheorie van Bowlby en de psychoanalyse, baseerden hun adviezen en soms onomkeerbare beslissingen op ideeën die nauwelijks empirisch waren getoetst. Het feit dat het symposium plaatsvond binnen de Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen, waar nieuwe generaties gedragswetenschappers worden opgeleid, gaf aan deze constateringen extra gewicht. De boodschap aan hen is om niet alleen te varen op dominante theorieën binnen het vakgebied, maar zeker ook voor ogen te houden wat daadwerkelijk van belang is: luisteren naar de medemens waarvoor en waarmee gewerkt wordt.
Roelie Kuijpers is als PhD student verbonden aan het ADNG Erfgoedcentrum voor de Nederlandse Gedragswetenschappen (https://www.rug.nl/gmw/adng/), gevestigd aan de Faculteit der Gedrags- en Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verricht onderzoek naar de veranderingen in psychologische testpraktijken gedurende de twintigste eeuw.

