Skip to ContentSkip to Navigation
Over ons Actueel Nieuws Worldwide Newsletter

‘Mooi sterven is voor iedereen anders’

Alumnus van het Jaar: longarts Sander de Hosson

Overtuiging van longarts Sander de Hosson: Doodgaan is precisiewerk en mooi sterven voor iedereen anders. Des te vreemder dat hij tijdens zijn studie en erna constateerde dat het levenseinde in collegezalen en spreekkamers amper onderwerp van gesprek was. De Hosson ontpopte zich tot ambassadeur van de palliatieve zorg. Dat levert hem de titel Alumnus van het Jaar 2019 op. Met de uitverkiezing van de longarts wil de RUG ook de hele medische beroepsgroep eren.

Als ik bel met longarts Sander de Hosson, ligt er op de intensive care van het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen nog één coronapatiënt. Het is eind mei, in het hospitaal komt de reguliere zorg weer op gang. De longafdeling hervat afgeblazen chemo- en immunotherapieën. Het is in Assen meegevallen met de stroom coronapatiënten. De Hosson schat dat er twintig zieken – vooral uit Brabant - opgenomen zijn geweest. Wat niet wil zeggen dat de coronacrisis de longarts niet diep raakt. Het heftige ziektebeeld, het sterven in eenzaamheid, slechts via Facetime verbonden met naasten. ‘Gruwelijk’, noemt De Hosson het. Het kon niet anders, Covid-19 was een onberekenbare vijand. Maar de strenge protocollen druisten lijnrecht in tegen De Hossons opvatting dat je, juist als de dood naderbij is, niet te zwaar moet tillen aan regeltjes. De menselijke maat, hij handelt er graag naar. Zo klom De Hosson ooit persoonlijk in de telefoon om bij de instanties af te dwingen dat een terminale verpleeghuisbewoner thuis mocht sterven. En hij riep zijn netwerk te hulp, zodat een jonge kankerpatiënt kon trouwen op zijn laatste levensdag.

De Hosson
De Hosson

Aangrijpende verhalen

Tijdens zijn specialisatie in het Groninger Martini Ziekenhuis schreef De Hosson met Sabine Netters, internist-oncoloog, het leerboek Probleemgeoriënteerd denken in de palliatieve zorg (2011). Netters en De Hosson waren tevens de initiators van een symposium over medische ethiek voor specialisten en huisartsen. Het symposium bestaat nog steeds. ‘Wij vonden allebei heel erg dat palliatieve zorg een ondergeschoven kindje was.’ Het thema liet hem niet meer los. ‘Ik merkte dat ik als schrijver van betekenis kon zijn, ik kon mensen helpen grip te krijgen op wat er rond het sterven gebeurt.’ ‘De theorie had ik al opgeschreven, ik wilde ook de gevoelsmatige kant belichten.’ Er rolde een serie aangrijpende en ontroerende verhalen uit zijn pen, gebaseerd op zijn eigen patiënten in hun laatste levensfase. De verhalen verschenen in het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant en werden later, met nog weer nieuwe verhalen, samengebracht in de enthousiast ontvangen bundel Slotcouplet. In het boek, dat in 2018 uitkwam en toe is aan de twaalfde druk, hamert De Hosson op meer aandacht in het onderwijs voor de stervensfase. ‘In mijn eigen opleiding heb ik dat echt gemist, vooral tijdens de specialisatie, maar ook in de basisopleiding.’

Behandelmodusreflex

De technische kant van de ziekte voerde de boventoon. ‘Dokters die ik tegenkwam bespraken de dood niet echt. Ik had ook moeite met hun behandelmodusreflex. Alles was gericht op behandelmogelijkheden, zonder te kijken naar wat die de patiënt op zouden leveren. Misschien drie maanden langer leven, maar wat offert iemand daarvoor op? Wat voor bijwerkingen krijgt hij? Wil hij in die kostbare laatste periode wel telkens naar het ziekenhuis? Mensen moeten daar in mijn ogen goed over nadenken.’ Patiënten zelf durfden hun eigen naderende einde ook amper aan te kaarten. ‘Na “Dokter, hoelang heb ik nog?” zijn het de eerste vragen die iemand heeft: Hoe ziet doodgaan er eigenlijk uit? Wat gebeurt er? Word ik benauwd? Op zulke belangrijke vragen moet geen taboe liggen.’

Professionele nabijheid

Zijn opleidingsjaren liggen alweer bijna tien jaar achter hem. Er is veel ten goede veranderd. ‘Er zijn meer richtlijnen. Nascholingen over palliatieve zorg zitten bomvol. We hebben het erover.’ Maar we zijn er nog niet, meent De Hosson. Als coördinator van de Groningse co-assistenten in zijn ziekenhuis, weet hij aardig hoe de huidige onderwijskeuken reilt en zeilt. ‘De emotionele kant van het vak mag best steviger nadruk krijgen. Waardes als compassie en empathie. En dat de dokter zelf ook een mens is.’ Lang geleden werd hem op het hart gedrukt om professionele afstand te houden van het verdriet dat hij als arts zou ontmoeten. De Hosson boog het om naar professionele nabijheid, daar kon hij beter mee uit de voeten. In Slotcouplet omschrijft hij die nabijheid fraai: ‘Een hand op de schouder, de logistiek net wat soepeler regelen, op tijd bellen. Bellen. Een kaartje met je mailadres “voor als er vragen zijn”. Het zijn juist deze details die voor een patiënt het wezenlijke verschil kunnen maken.’

Vijftig push-ups

Het lijden dat zich onder zijn neus afspeelt gaat hem niet in de kouwe kleren zitten, daar draait De Hosson niet omheen. Ik vraag wat hij doet om de zinnen te verzetten, als de witte jas aan de kapstok is gehangen. Sinds kort loopt hij elke ochtend hard, het is al haast een verslaving. En onder leiding van een personal trainer bootcampt de medicus vier keer per week. Hij is 25 kilo kwijtgeraakt door al dat sporten. ‘Vroeger deed ik drie push-ups, dan was ik helemaal kapot. Vanavond doe ik er vijftig als opwarmertje. Nooit gedacht dat ik dat voor mekaar zou krijgen.’

Columns schrijft hij niet meer. Hoe vaak hij de vraag niet krijgt of er nog nieuwe verhalen in aantocht zijn. Maar nee. Het is genoeg geweest. ‘Ik heb gedaan wat ik wilde doen, de palliatieve zorg op de kaart zetten. Dat was mijn doel en dat is me gelukt.’ Het schrijverschap had een keerzijde: ‘Mensen riepen: O, jij bent die bekende longarts. Dat wíl ik helemaal niet. Ik wil gewoon mijn vak doen.’ Het vak dat trouwens maar voor een klein deel uit dodelijke kankers en levensbedreigende COPD-gevallen bestaat. Dat wordt weleens vergeten. ‘95 procent van wat ik doe gaat over astma, longembolie of een longontsteking.’

Collectieve applaus

Dat de RUG in hem een vertegenwoordiger ziet van de hele zorg en hem in de zon zet als representant van het garnizoen Covid-19-bevechters, vindt de longarts maar zozo. Zoals gezegd: In Assen viel het met corona nogal mee. En niet de artsen, maar de verpleegkundigen verdienen in de pandemie de meeste credits in De Hossons ogen. Terug naar de eerste week van de uitbraak in Nederland. 17 maart, acht uur ‘s avonds. De Hosson hoorde herrie, ging buiten kijken wat er aan de hand was en zag de buren klappen voor de zorg. ‘Het personeel van het verpleeghuis aan de overkant stond op de stoep. Zij namen het applaus echt in ontvangst. Dat vond ik leuk.’ Maar eerlijk is eerlijk, ook bij dat collectieve applaus had hij dubbele gevoelens. ‘Het is hun werk hè? En als je deze mensen écht wilt eren, moet je ze meer geld geven. En betere arbeidsvoorwaarden. Dát verdienen ze.’

Sander de Hosson (Utrecht, 1977) studeerde van 1995 tot 2003 geneeskunde aan de RUG en koos daarna voor de specialisatie longarts. Hij trok de aandacht met zijn aangrijpende krantencolumns over patiënten in de laatste levensfase. De verhalen werden gebundeld in Slotcouplet (2018) dat tot Beste Groninger Boek 2019 werd gekozen in de categorie non-fictie. Voor zijn inspanningen voor een waardig levenseinde ontving De Hosson de Global Lung Cancer Award van de Global Lung Cancer Coalition (GLCC), overkoepelend orgaan van patiëntenorganisaties wereldwijd. In 2019 kreeg hij ook de tweejaarlijkse Elisabeth Kübler-Ross-penning van de Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg. Sander de Hosson woont in Groningen met partner en twee kinderen.

Tekst: Ellis Ellenbroek
Foto: Reyer Boxem
Bron: Broerstraat 5

Meer informatie:

Laatst gewijzigd:07 juli 2020 13:56
View this page in: English